Totdat...
'Totdat ik in Gods heiligdommen inging, en op hun einde merkte.' Psalm 73 : 17
Wie verre reizen doet, kan veel verhalen. Verder kijken dan ons eigen wereldje, geeft soms een stuk levenservaring. Levenswijsheid. Psalm 73 zou je in dat opzicht een 'reisverslag' kunnen noemen. Het verslag van iemand die een heel eind op stap is geweest. En toch nog behouden is thuis gekomen. Er had niet veel moeten gebeuren, of hij was er niet meer geweest: 'Maar mij aangaande, mijn voeten waren bijna uitgeweken; mijn treden waren bijkans uitgeschoten.' (vers 2). De dichter is een eind op stap geweest. Figuurlijk dan. In geestelijk opzicht was hij erg ver gegaan. Te ver weg van de plaats waar hij zich eigenlijk moest bevinden. Calvijn zegt: 'Dat gebeurt maar al te vaak met Gods kinderen. Dat ze zich niet tevreden stellen met hetgeen ze hebben.' Met alle gevolgen vandien: dat ze boven hun stand gaan leven of beneden hun stand'.
In Psalm 73 is iemand aaij het woord die de koers kwijt is. Verward geraakt in een wirwar van vragen: Hoe is het mogelijk dat het de goddeloze wèl gaat - en dat de rechtvaardige niet anders heeft dan tegenspoed en kruis? Hoe is dat mogelijk?
Een theologisch probleem? Ga er dan maar aanstaan. Alle theologische logika loopt er op stuk. Nee, je moet er zelf maar mee te maken krijgen. Er kan soms een tegenslag komen in ons leven, waarvan we moeten zeggen: Hoe is het mogelijk? Dat dit mij overkomt! Dat dit ons treft!
De dichter van Psalm 73 komt dan zelfs zover dat hij zegt: Wat maakt het toch in wezen uit, of je nu leeft als een vrome of dat je leeft als een goddeloze? De goddelozen hebben het immers veel beter? '... zij hebben rust in de wereld; zij vermenigvuldigen het vermogen' (vers 12). Het is tevergeefs, gaat de dichter verder, om je handen te wassen in onschuld en oprecht te leven. Wat maakt het nou toch uit om God wel of niet te dienen? Ja, de gedachte komt zelfs bij hem op om maar alles aan de kant te zetten en te gaan leven als de goddelozen.
Wie kent dat niet? Wie kent de gedachte niet om alles maar overboord te zetten? De Bijbel het raam uit te gooien? Niet langer meer te bidden? Niet langer meer naar de kerk te gaan? Het helpt immers tóch niet... Mensen die het al niet meer doen spreken van een 'bevrijding'. Een bevrijding uit traditionele normen en waarden. Een bevrijding uit het keurslijf van beklemmende opvattingen en gebruiken. Alles dan maar aan de kant zetten? Nee, die dichter kan er toch niet toe komen. Er zijn opeens twee dingen die hem tegenhouden. Hij kan God tóch geen vaarwel zeggen. Als hij dat zou doen, dan zegt hij: "... ziet, zo zou ik trouweloos zijn aan het geslacht Uwer kinderen' (vers 15). Dat is het eerste. Hij wordt tegengehouden door wat we zouden kunnen noemen: de gemeenschap der heiligen. De kinderen Gods staan om hem heen. Hij zou ze trouweloos in de steek laten als hij meeging met de goddelozen. Prof. Van Ruler heeft gezegd: 'Geloven doe je niet in je eentje'. Daartoe geeft de Heere ons de gemeenschap van Zijn kerk hier op aarde. Die gemeenschap van Gods gemeente hebben we nodig om niet af te dwalen van God en van Zijn dienst.
Maar er is ook nog een tweede. De spil waar alles om draait in Psalm 73. Het grote moment, waarop de ommekeer plaatsvindt: Totdat. .. 'Totdat ik in Gods heiligdommen inging en merkte op hun einde.' Uitgerekend daar, in Gods huis komt hij tot andere gedachten. Daar wordt hij op zijn plaats gezet. Wie heeft het niet ervaren, hoe soms met een enkel woord of een enkele gedachte, hele werelden opengingen? En dat juist in Gods huis! Alsof de schellen ons van de ogen vielen... Onthullend was het voor de dichter van Psalm 73, alleen al het binnengaan in Gods heiligdom. Hoezo? Ik stel me voor dat hij werd gegrepen door alles wat hij daar zag en hoorde. Het hele gebeuren in Gods huis is immers gericht op de dienst der verzoening?
Priesters aan het altaar. Elke dag maar weer. Biddend onder de opstijgende rook van reukwerk en offers. De dienst der verzoening - ze was en ze is een heenwijzing naar het grote offer van het Lam Gods. Toen en nu. En wie daar opeens zicht op krijgt, vallen de schellen van de ogen. Die gaat zien wie hij is voor God. Dan worden we stil en leggen we de hand op onze mond. Wie ben ik? Met al mijn drukte, met al mijn jalouzie? Dwaas die ik ben. Zou ik het beter weten dan de Allerhoogste God? 'Ik was een groot beest bij U' (vers 22).
Totdat... Dat is het moment dat de mens zwijgt, want God spreekt. Dan blijft er van ons niet veel over. Dan wordt de mens op het diepst vernederd, als God zichzelf verhoogt. Wie weet dat dit meer is dan een stukje rechtzinnigheid, ervaart tegelijk de geweldige be vrijding die daar van uitgaat. De goddeloze leeft voor zichzelf. Op eigen houtje, zonder God. Zijn einde is dan ook een verwoesting. Verschrikkelijk.
Maar wie zijn leven nu verliest, die zal het behouden. Omwille van Hem die Zijn leven heeft gegeven voor dwalende schapen. Die is gekomen om het verlorene te zoeken. Om het terug te brengen op zijn plaats. In de gemeenschap met God. Dan krijgt het 'totdat' een vervolg in het 'opdat': 'Ik zal dan gedurig bij U zijn, in al mijn noden en angst en pijn, U al mijn liefde waardig schatten, wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten. Gij zult mij leiden door Uw raad, o God mijn Heil, mijn Toeverlaat; en mij hiertoe door U bereid, opnemen in Uw heerlijkheid.'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 februari 1981
De Waarheidsvriend | 18 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 februari 1981
De Waarheidsvriend | 18 Pagina's