Uit de pers
De V.U. en de gereformeerde grondslag
Onlangs verscheen er in de pers een bericht waarbij meegedeeld werd dat er voorstellen zullen komen om een wijziging aan te brengen in de naam van de vereniging van welke de Vrije Universiteit in Amsterdam uitgaat. Kuyper wilde een universiteit oprichten waarbij het wetenschappelijk onderwijs zou stoelen op gereformeerde grondslag, zodat de gereformeerde visie op leven en samenleven ook door zou klinken in de wetenschapsbeoefening. Wetenschap is immers niet neutraal of waardenvrij.
Nu wordt de gedachte geopperd om de woorden 'op gereformeerde grondslag' te laten vervallen. Volgens prof. dr. D. Nauta die in het Centraal Weekblad (van 11 febr.) over deze zaak schrijft spelen vooral twee overwegingen daarbij een rol: a) men acht de term 'gereformeerd' misleidend omdat het de gedachten zou heenleiden naar de Geref. Kerken, b) Het spreken over 'gereformeerd' zou niet meer up to date zijn i.v.m. het leven uit een oecumenische gezindheid. Nauta is het met deze overwegingen niet eens:
'Bij voorbaat wil ik niet uitsluiten dat er goede reden kan wezen in de naam der vereniging enige wijzigingen te brengen. In de loop van jaren en eeuwen - de Vrije Universiteit heeft pas haar eerste eeuw gevierd - kunnen veranderde omstandigheden daartoe noodzaken. Het is echter vreemd, wanneer iemand als argument daarvoor aanvoert de betekenis van de term gereformeerd en poneert dat met deze term bedoeld zou zijn de aanduiding van het toebehoren aan en het verbonden zijn met het kerkgenootschap dat bekend staat onder de benaming van de Gereformeerde Kerken in Nederland. Een dergelijke argumentatie getuigt van grote oppervlakkigheid. Want toen de onderhavige vereniging opgericht werd, bestond het bedoelde kerkgenootschap in deze opstelling niet eens; het dateert als zodanig van het jaar 1892. De vereniging welke in geding is, gaat gelijk bekend terug op 1880. En om nog een ander element in het betoog op te nemen, degenen van wie het initiatief is uitgegaan tot het oprichten van de onderhavige vereniging, waren leden van de zich noemende Nederlandse Hervormde Kerk. Niettemin werd door hen welbewust de term gereformeerd gebezigd. Overduidelijk blijkt deze term dus niet in een eng-kerkelijke zin te moeten worden verstaan. Er behoort een meer algemene betekenis aan te worden gehecht, uitdrukking gevende aan een het gehele leven in zijn onderscheidende vertakkingen omvattende betrokkenheid. Het was dan ook in werkelijkheid de opzet zich te onthouden van elke nauwere relatie met welk kerkgenootschap dan ook. In een later stadium is men voor wat betreft de theologische faculteit van die oorspronkelijke opzet enigermate teruggekomen; om praktische redenen werd het nuttig geacht voor de opleiding in die faculteit een bepaalde overeenkomst aan te gaan met de meer genoemde Gereformeerde Kerken. In zoverre is er een aanknopingspunt voor de door mij bestreden gedachte te vinden.
Zulks neemt evenwel niet weg dat, over de verdere linie buiten de theologische faculteit om en in het eigenlijke beginsel, de Vrije Universiteit inderdaad ten volle vrij staat tegenover alle kerken, ook de genoemde Gereformeerde Kerken. De term gereformeerd in de naam der vereniging vertegenwoordigt een eigen waarde. Zij zoekt daarmede haar grondslag in het gereformeerd Protestantisme, gelijk dit in de zestiende eeuw onder leiding van Calvijn en anderen - om niet in een lange opsomming te vervallen - gestalte heeft verkregen.
Sedert de zestiende eeuw is die term steeds in gebruik gebleven in een overeenkomstig verband. Uit een diepgevoelde overtuiging hebben de oprichters der Vrjje Universiteit indertijd besloten de desbetreffende vereniging als grondslag mee te geven de gereformeerde beginselen. Door zich in die termen uit te laten deden zij overduidelijk blijken wat hun precies voor de geest stond met hun universiteit en wat zij zich voorstelden in de wereld ermede zo mogelijk te bereiken.
Nu moet ik nog enige aandacht wijden aan het argument ontleend aan de oecumenische doelstelling van de Vrije Universiteit. Op zichzelf genomen behoeft het nadruk leggen op die oecumenische doelstelling geen enkel bezwaar op te leveren, althans bij schrijver dezes. Ik denk er niet aan het hoge belang ervan te bestrijden. Maar het is de vraag, of zulks noodzakelijkerwijze met zich medebrengt het terzijde stellen van de grondslag der gereformeerde beginselen, alsof deze zich niet zouden verdragen met een dergelijke oecumenische doelstelling.
Het woord oecumene en de daarvan afgeleide woorden en begrippen hebben een bepaalde gevoelswaarde, doch vereisen voor het rechte verstaan van hun strekking een andere informatie en een nauwkeurige aanduiding van de zaak waarop ze betrekking hebben. Oecumene is namelijk het Griekse woord voor de bewoonde wereld. Het gaat er dus altijd om dat het streven zich zal richten op het samenbundelen van alle bij een of andere in het geding gebrachte aangelegenheid betrokkenen. In het onderhavige geval zijn het de diverse kerken die in de wereld worden aangetroffen.
De aangelegenheid die daarbij aangevat wordt of het doel dat daarbij voor ogen staat, dient echter nog afzonderlijk en opzettelijk te worden omschreven en zo zorgvuldig mogelijk in het licht te worden gesteld.
Welnu, bij het nakomen van deze voorwaarde is naar mijn oordeel alleszins verantwoord het vasthouden aan de gereformeerde grondslag. Voor het minst zal het onvermijdelijk zijn ter zake een nadere bepaling toe te voegen aan de naam der vereniging. Anders blijft het in het ongewisse wat men met de oecumenische doelstelling precies beoogt na te streven en te bereiken. Om maar iets te noemen, zal het de opzet zijn de diverse kerken zonder meer in elkander te doen opgaan? Of zal bij het streven om elkander te vinden er de voorkeur aan worden gegeven bepaalde voorwaarden te stellen, waaraan behoort te worden voldaan aleer het aanvaarden van elkander realiteit wordt? Vermoedelijk zullen degenen over wie het in ons verband gaat, wel inderdaad van mening zijn dat van een opgaan in elkander zonder meer geen sprake mag zijn. Of om de kwestie meer concreet te maken, het zal wel niet de bedoeling zijn, dat voortaan zonder nadere keur ten opzichte van het toebehoren tot welke kerk dan ook ieder (natuurlijk voldoende aan de normen terzake van wetenschap en onderwijs) in aanmerking komt voor de benoeming als hoogleraar of anderszins. Zonder een nadere begrenzing voor wat men met de oecumenische doelstelling beoogt, gelukt het noch principieel noch practisch de zaak - werkelijk goed te regelen.
Is de hier gegeven voorstelling juist, dan is er geen afdoende reden de gereformeerde grondslag los te laten. Ik meen integendeel te mogen betogen dat het juist de voorkeur moet hebben die ook in het vervolg te blijven behouden. Wij hebben daarin een uitnemende richtlijn om bij het nastreven van een oecumenische doelstelling toch het spoor te houden dat aan de oprichters der Vrije Universiteit voor ogen heeft gestaan. De inbreng van het gereformeerd Protestantisme behoort richting en kleur te geven aan wat deze universiteit aan de wereld tracht voor te leggen.'
Verschillende zaken zijn hier m.i. in het geding.
Is het voorstel niet een uitvloeisel van een reeds jaren lang bestaande praktijk aan de V.U.? Op het congres in Grand Rapids, enkele jaren geleden over de plaats van een christelijke universiteit, werd gesproken over seculariserende tendenzen die ook aan de VU merkbaar zouden zijn. De verandering van de naam bevestigt dan een koers die men al jarenlang vaart.
Voorts bspeuren we ook hier hoe moeilijk het is in deze tijd vast te houden aan een gereformeerde identiteit. Enerzijds acht men dat niet haalbaar, gezien de verbrokkeling van de geref. gezindte, anderzijds valt men dan buiten de oecumenische boot.
Toch menen we dat juist het gereformeerde belijden voluit oecumenisch is. Calvijn en zijn volgelingen hebben zowel de band met de oud-christelijke kerk, als met andere kerken uit hun tijd aangehouden. Inderdaad, inbreng van het geref. Protestantisme komt de oecumene ten goede. Wat aan de VU gebeurt is m.i. symptomatisch voor allerlei ontwikkelingen in de onderwijswereld. Hoevelen zijn er niet die b.v. een geref. grondslag van een schoolvereniging ter discussie willen stellen of via herinterpretatie een zodanige oecumenische vulling er aan geven dat het eigenlijke confessionele element onder de tafel verdwijnt. Wel wil ik erbij opmerken dat in de huidige fase van onze cultuur het geen eenvoudige zaak is de gereformeerde beginselen te vertalen in doelstellingen van wetenschappelijk onderwijs. De vragen waar we voor staan zijn groot. Wie zal de juiste weg wijzen? Men kan zeggen: het voorstel van de VU is eerlijk, gezien de feitelijke stand van zaken. Niettemin laat het ook zien hoever we verwijderd zijn van het ideaal van de oprichters. Zou een heroriëntatie in het spoor van de Schrift geen betere weg zijn?
***
Joods doemdenken
We kennen de term "doemdenken". De laatste tijd wordt er weer veel over gesproken. Men duidt er allerlei ondergangsstemmingen mee aan, zoals die vaker in de geschiedenis zijn opgetreden en ook nu, op weg naar het jaar 2000 zich laten horen. In plaats van de hoop heerst het gevoel van een doem die er rust op de mensheid. De catastrofale dreigingen waaronder we leven zal aan dit denken wel niet vreemd zijn. Dr. H. Mulder laat in het Geref. Weekblad van 6 febr. ons horen hoe rondom de jaarwisseling ook in allerlei joodse geschriften, de apocalypsen handelend over wereldeinde en wereldgericht, ondergangsstemmingen een rol speelden. Met name de verwoesting van Jeruzalem in 70 na Chr. heeft op het denken van de schrijvers van deze geschriften invloed uitgeoefend.
'Twee apocalypsen komen voor een nadere beschouwing in aanmerking:4 Ezra en de apocalypse van Baruch. Van deze twee is 4 Ezra stellig de belangrijkste. 4 Ezra komt niet in de Septuagint voor, wel in Vulgaat. Het wordt vanouds door de rooms-katholieke kerk als apocrief beschouwd. Door het algemene gebruik van de latijnse bijbelvertaling heeft het echter vrij veel bekendheid gekregen - en ook behouden. In bepaalde christelijke kringen werd men aangesproken door de taal waarvan de apocalyptische schrijvers zich bedienden, door de curieuze woorden en beelden die mystieke ontroeringen vermochten op te wekken. Soms worden er in later tijd zoals bij 4 Ezra gebeurde, ter in-en uitleiding van de joodse apocalypse een paar hoofdstukken door een christelijke auteur aan toegevoegd. Er bestaat verwantschap in gedachtengang met de apocalypse van Baruch. Zozeer zelfs, dat verschillende malen het vermoeden is geuit, dat beide geschriften van één en dezelfde schrijver afkomstig zouden zijn. Hoe men over deze onderlinge afhankelijkheid ook denken mag, de schrijver van 4 Ezra is er heilig van overtuigd, dat het nu de tempel opnieuw werd verwoest, met de 'wereld èn die daarop wonen, welhaast gedaan is'. Het hele geschrift is van deze gedachte doordrenkt. Als voorbeeld laat ik een tweetal passages volgen in de heldere vertaling van M. de Goey, die vorig jaar bij dezelfde uitgever die dit weekblad laat verschijnen, een boekje publiceerde: De Pseudepigrafen, met vertalingen van de Psalmen van Salomo, 4 Ezra en het Martyrium van Jesaja. Hierin wordt beklemtoond, dat de wereld oud is geworden en dat het einde spoedig kan worden verwacht.
'Ik vroeg Hem en zeide: Daar gij mij nu de wegen gewezen hebt, laat mij dan verder tot U spreken. Is onze moeder over wie Gij gesproken hebt, nog jong of reeds dicht bij de ouderdom? Hij antwoordde mij en sprak: Vraag het aan haar die u gebaard heeft, zij kan het u zeggen: spreek tot haar: Waarom zijn uw jongste kinderen niet gelijk aan hun oudere broers en zusters, waarom zijn ze minder sterk? Dan zal ze u zelf antwoorden: Anders zijn zij die in de bloei van mijn kracht gebaard zijn, anders de kinderen van mijn ouderdom, toen mijn schoot zijn kracht verloren had. Ga dan zelf maar na dat gij minder sterk zijt dan uw voorvaders; zo zullen ook uw nakomelingen minder sterk zijn dan gij. Want de schepping wordt oud en is al over de kracht van de jeugd heen.'
Over het einde dat spoedig komt: 'Ik antwoordde en zeide: Als ik genade heb gevonden in uw ogen, als het mogelijk is en als ik ertoe in staat ben, laat mij dan ook dit - zien: of er nog een langere tijd dan er reeds verstreken is vóór ons ligt, of dat wij het meeste al gehad hebben? Want hoeveel tijd er reeds verstreken is, weet ik wel, maar de toekomst ken ik niet. Hij sprak tot mij: Treed naar rechts, dan zal ik u de betekenis van de gelijkenis verklaren. Toen ik nu naar rechts trad, zag ik een gloeiende oven aan mij voorbijgaan; en toen het vuur voorbij was, zag ik dat er nog rook achterbleef. Daarna trok een wolk vol water aan mij voorbij; deze liet een machtige stortregen vallen. Maar toen de stortregen voorbij was, bleven er nog enkele druppels in achter. Toen sprak hij tot mij: Ga zelf maar na: zoals de regen meer is dan de druppel en het vuur meer is dan de rook, zo is ook de maat van het verleden veruit het grootste geweest; achtergebleven zijn nog slechts druppels en rook.'
Daarmee doet het doemdenken zijn intrede bij het volk Israël. Dat was, hoe groot de nood sorns ook mocht zijn, nog niet eerder gedemonstreerd.'
Nog niet eerder gedemonstreerd, schrijft Mulder. Tijdens de slavernij in Egypte, tijdens de ballingschap bleef toch de hoop op bevrijding gloren. Ook in de jaren die aan de verwoesting van Jeruzalem vooraf gingen klonken geluid van hoop:
'Dezelfde hoop bleef ook de harten van vele Joden vervullen, toen de situatie als gevolg van het beleg om Jeruzalem door de legers van Titus steeds benarder werd. Dat grote delen van het joodse land door de romeinse legioenen onder de voet waren gelopen en bezet gebied waren geworden, was moeilijk te verwerken. Maar Jeruzalem zou naar veler overtuiging niet in de handen van de overweldigers vallen. De HEERE zou zijn stad, hoe dan ook, redden. Ook nu gold voor het volk, dat zoveel uitreddingen achter zich had: de wonderen zijn de wereld nog niet uit! Zelfs toen de toestand binnen de muren bij de dag verslechterde, en ten slotte wanhopig werd, kwamen er nog munten in omloop met het opschrift: Jeruzalem, de heilige stad.
Maar toen de ramp zich eenmaal voltrokken had, sloeg het doemdenken hard toe. Een vergelijking die in de moderne tijd opgang maakt: een klok die vijf, of minder nog: twee minuten, voor twaalf aanwijst, kon in die tijd natuurlijk nog niet gemaakt worden. Maar de beelden waarvan de schrijver van 4 Ezra zich bedient, zijn niet minder sprekend. Wat nog overgebleven is in vergelijking met het verleden, zijn een paar rookpluimpjes als teken dat er een laaiend vuur geweest is, of enkele waterdruppels als bewijs dat een zware regenbui voorbijtrok. Vuur dat niet meer gevoed wordt, dooft snel; een donderbui laat nog slechts enkele druppels vallen, na verder gekoerst te zijn. Zo is het einde van alle dingen op handen.
Het is moeilijk te zeggen, hoeveel mensen onder de indruk van deze beschouwingen zijn geweest. Waren het de overgeblevenen van de partij van de Sadduceeën? Of Zeloten die hun kameraden in de strijd tegen de gehate tegenstander hadden zien vallen, terwijl ze zelf ternauwernood het vege lijf hadden weten te redden? De Farizeeën zijn in ieder geval niet onder de indruk geweest van het doemdenken. Hun geestelijke instelling, waarbij alleen geboden en verboden in het gezichtsveld verschenen, liet hiervoor geen plaats open. Hun thora-studie die er op gericht was om steeds weer nieuwe bepalingen aan de reeds bestaande toe te voegen, ging daaraan liefst zo snel mogelijk voorbij. Er waren voor hen twee duidelijke uitgangspunten: de volstrekte gehoorzaamheid aan de wet, en voorts de overtuiging dat God zelf volgens vaststaande richtlijnen zijn werk voortzette. Zulk rechtlijnig denken noopte er toe zich van meet aan resoluut af te wenden van het doemdenken van de apocalypsen, die na het rampjaar 70 werden geschreven.'
Het doemdenken is dus niet algemeen geaccepteerd bij de Joden na 70. En in de christelijke kerk? Ik meen dat het niet aangaat om van doemdenken te spreken. Zeker, wij weten van verschrikkelijke dingen die aan de wederkomst vooraf gaan. Maar de christelijke toekomstverwachting is ten diepste de boodschap van de hoop. De Heere is nabij. Uw verlossing genaakt. Een boodschap die niet berust op menselijk optimisme, maar op wat God gedaan heeft in kruis en opstanding. En de Geest van Pinksteren wil de harten van Gods kinderen vervullen met die hoop. We kunnen ook denken aan de betekenis van de zending in verband met de eindtijd (Matth. 24 : 14 en Openb. 6 : 1-8). Nu in deze tijd het doemdenken veld wint, zal de kerk er goed aan doen zich te bezinnen op het eigene van de christelijke toekomstverwachting. Bestudering van de joodse geschriften kan ons zicht op dit eigene ook versterken en verhelderen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 februari 1981
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 februari 1981
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's