De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een gezegend prediker (3)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een gezegend prediker (3)

Ds. B. van der Wal (1864-1924)

8 minuten leestijd

Er waren niet zoveel andere mogelijkheden toentertijd dan die van het predikambt. Maar - mocht hij zich in die weg begeven?

Hoe nu verder?

Waar en hoe zou hij dan wèl gelegenheid vinden om de heerlijkheid van de enige Naam gegeven tot zaligheid, op andere wijze onder de mensen te brengen?

Er waren niet zoveel andere mogelijkheden toentertijd dan die van het predikambt. Maar - mocht hij zich in die weg begeven? Want (naar een beeld, dat ik mij van hem herinner): geen landbouwer accepteert, dat iemand ongeroepen zijn erf oploopt, zijn werktuigen hanteert en zo maar op eigen initiatief en naar eigen goeddunken op zijn land gaat arbeiden.

En dan: mijn vader had intussen drie kinderen. Hoe moest het dan verder met het dagelijks levensonderhoud, huishuur, voedsel en kleding, ziektekosten en niet te vergeten de studiekosten (gymnasium en universiteit). Geld had hij niet. Beurzen waren schaars en klein. De familie had ook geen geld of had bedenkingen, welke echter later geheel en al wegvielen.

Maar alle aarzelingen en overwegingen werden overwonnen door de onweerstaanbare begeerte het Woord te mogen bedienen. En een vreemde, overtuigd van de oprechtheid van mijns vaders bekering en roeping, was bereid zonder onderpand geld te lenen om te leven en te studeren, een bereidwilligheid, die niet lang daarna door de familie werd overgenomen, met hartelijke instemming en medeleven.

De nieuwe weg

Met dat al was het geen geringe onderneming. Mijn moeder bleef van maandag tot zaterdag met de kinderen in een woning onder Streefkerk. Mijn vader huurde een kamer in Gouda om daar het gymnasium te bezoeken. Later moest een huis in Utrecht worden betrokken met al de aan de universitaire studie verbonden kosten, terwijl in deze jaren drie kinderen werden geboren en twee kinderen stierven.

Ds. C. Bouthoorn

De gymnasiale studie ving aan in 1892. Dat was het jaar, waarin ds. C. Bouthoorn, vader van de latere ds. B. N. B. Bouthoorn, van Dirksland naar Groot-Ammers kwam.

Deze heeft zich intens geïnteresseerd voor de levensroeping van deze gewezen onderwijzer. Zelf was ds. Bouthoorn ook op latere leeftijd gaan studeren. Ik heb het voorrecht gehad deze frisse originele, hartelijke, vurige prediker nog goed te kennen. Er was geen greintje onnatuurlijke plechtigheid of dominees-allure aan deze man. In al zijn gemeenten heeft hij bijzonder trouw pastoraal gearbeid, zich ingezet voor de stichting van christelijke scholen, met al de daaraan verbonden offers, en met alle kracht en middelen zich gegeven aan het tegenstaan en zelfs wegwerken van de kermis. Zijn einde werd gekenmerkt door een zo grote zekerheid des geloofs, dat hij begeerde op zijn eigen begrafenis terug te kunnen komen, om te vertellen 'hoe heerlijk het Boven is' (Dit vertelde zijn schoonzoon ds. Vreugdenhil op het graf in Dordrecht). Een sterke band heeft ds. Bouthoorn en mijn vader levenslang verbonden. Bouthoorn heeft mijn vader nog bevestigd in Waddinxveen, in Hasselt en in Hoevelaken. Hij heeft in maart 1901 de begrafenis van mijn moeder geleid en later het tweede huwelijk van mijn vader bevestigd, terwijl mijn vader hem bevestigde in Dordt. In 1925 (na de dood van mijn vader) bevestigde de 77 jarige ds. Bouthoorn mijn broer ds. J. H. van der Wal nog in Wageningen. Hij blijft bij ons in dankbare herinnering.

's Maandagsmorgens ving mijn vader de wandeling van 3 uur aan van huis in Streefkerk naar Gouda. Wel kon hij nogal eens met iemand meerijden. Dat viel dan mee. Maar het was hem een dubbele vreugde, wanneer hij dan iemand aantrof, wiens hart van dezelfde dingen vervuld was als het zijne. Dan was er dank in zijn hart voor de gezegende ontmoeting, die God hem gaf. Soms vertelden de mensen hem van allerlei verborgen strijd (hij had iets over zich, waardoor de mensen er gemakkelijk toe kwamen hun innerlijk leven voor hem bloot te leggen) en dan kon hij al beginnen met pastoraat te bedrijven. Maar het kon ook menigmaal zijn, dat hij eenzaam de weg via Stolwijk naar Gouda moest afleggen, vol van allerlei overdenking, gebed en soms gezang. Hij bracht dan de maandag t/m zaterdag in Gouda door om 's zaterdags de terugreis te ondernemen. Zijn thuiskomst was dan ook voor de kinderen altijd weer een feest. De eerste maal dat mijn vader naar Gouda zou gaan om zijn kamer te betrekken, heeft zijn schoonvader hem met de Tilbury gereden. Het was vlak na het middagmaal. Terwijl het gerei al voor stond moest mijn vader nog een hoofdstuk uit de Schrift lezen. Dat hoofdstuk was 1 Tim. 3: dit is een getrouw woord: zo iemand tot een opzichtersambt lust heeft, die begeert en treffelijk werkt.

Tussen de maandag en de zaterdag schreven mijn vader en moeder elkaar nog. Een groot deel van die briefwisseling is nog in mijn bezit. Daaruit treft mij hoezeer het vooral de innerlijke belevenissen zijn, die de toon van deze brieven bepalen. Herinneringen over de gemeenschappelijk beleefde en vaak genoten zondag, opmerkingen in verband met de gehoorde prediking, het al of niet zich verblijden over het licht van Gods nabijheid en vertroosting, klachten over donkerheid en gemis, zelfbeschuldiging. Verder het wederzijds medeleven met elkaars arbeid en zorg betreffende de kinderen en de studie.

Voor mij ligt een brief uit Gouda van mijn vader aan mijn moeder. Mijn vader is vol van de voorspoedige reis. Hij kon, overgevaren over de Lek, meerijden met een man, die hem tot bij Stolwijk bracht en hem een heel levensverhaal verteld had over zijn eerste vrouw, die zo vrijmoedig voor haar heengaan getuigd had van haar geloof. 'Het deed de man goed, dit nu aan mij te kunnen vertellen. Ik was zo blij en zag 's Heeren goedheid zo duidelijk, dat ik er door getroffen was en van den wagen afging met tranen in de ogen. Ja de Heere is goed.' 'Och! dat we dat aanstaande zondag nog eens aan ons hart mochten verstaan. O, mocht de Heere ons dat voorrecht eens schenken, dat we samen weer eens daar heen mochten gaan, naar die stille, heilige plaats, waar het brood en de wijn wordt uitgedeeld.'

Verderop klinkt dan weer de zelfaanklacht: 'vanmorgen nog kwamen zulke verschrikkelijke gedachten in mij op.' En de vraag: 'Zou de Heere met zulk een wel Zijn verbond kunnen maken? ' Maar dan ook weer de bemoedi­gende overweging: 'Maar Zijn Woord roept zondaren daarheen, menschen, die in zichzelven niets meer bezitten, die van alles beroofd zijn en uitzien naar Zijn komst, die het leven in eigen hand niet kunnen houden, maar daar heengaan als de Kanaaneesche vrouw. O, die zoo zijn wijst de Heere niet af. Neen, Hij roept: Zoo iemand dorst heeft, die kome tot Mij en drinke.' En hij bidt in de brief: 'Maak de banden los, o Heilige Geest, Die ons binden aan al die aardsche dingen. Geef ons o Zone Gods! een liefelijken zondag en laten wij ons verkwikken aan U in de tekenen van brood en van wijn. Breid de vleugelen uit over ons huis.' Hij herinnert mijn moeder aan het laatste vers van Psalm 13: Maar ik vertrouw op Uw goedertierenheid; mijn hart zal zich verheugen in Uw heil; ik zal den HEERE zingen, omdat Hij aan mij welgedaan heeft. In een P.S. vertelt hij nog, dat hij van even buiten Stolwijk met een rijtuig tot Gouda is gebracht. ' 'k Had dus al zeer vroeg Gods zegen ondervonden.'

Deze toon is in al zijn brieven geen uitzondering maar regel. Over de wijze, waarop het verlies van een paar kinderen verwerkt werd hoop ik later te schrijven.

Het gymnasium

Het gymnasium zelf betekende voor mijn vader geen straf. Wel moest hij haast maken. De klassen één en twee deed hij in één jaar; zo ook drie en vier. Hij had een veelzijdige en levendige belangstelling bijna in alle richtingen. Er was een goede verstandhouding met de leraren, waaronder ik speciaal de naam noem van prof. dr. B. J. Ovink, later hoogleraar in Utrecht (waar ik een jaar college bij liep en hem ook wel als kerkganger ontdekte), maar toen leraar in Latijn en Grieks. Van hem kreeg mijn vader privaatles om sneller op te schieten. Maar hun gesprekken gingen zich toch ook vaak bewegen op godsdienstig terrein. Van de leerlingen noem ik alleen die van de latere prof. Berkelbach van de Sprenkel, van wie ik toevallig, via een oud-catechisant van hem, weet hoezeer hij als jongen onder de indruk was van iemand, die zich zo duidelijk een geroepene wist.

Overigens was de omgang met de medegymnasiasten vriendschappelijk en wist hij hun jonge humor best te waarderen. In 1896 deed mijn vader met goed gevolg eindexamen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 februari 1981

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Een gezegend prediker (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 februari 1981

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's