Een kijk door de kerk
Het vijf-jaarlijkse visitatie rapport
'De kerkvisitatie, dienstbaar aan de opbouw van de gemeente als het lichaam des Heren, ...'
'De kerkvisitatie, dienstbaar aan de opbouw van de gemeente als het lichaam des Heren, gaat uit van de meerdere vergaderingen en omvat het onderzoek naar en het opzicht over het geestelijk leven der gemeenten en de vervulling der ambten, bedieningen en functies; het wegnemen - door raadgeving en overleg - van moeilijkheden in en tussen de organen van gemeente en kerk; en de bevordering van de dienst der gemeente in de wereld.'
Op deze wijze omschrijft de kerkorde de taak van het college van visitatoren (provinciaal-en generaal). Me dunkt, dat dit college één van de lastigste en ondankbaarste taken in onze kerk heeft. Als het om de positieve kant gaat: het college van visitatoren probeert een beeld te krijgen van het totale kerkelijke leven en geeft daarvan eenmaal per vijfjaar verslag aan de synode, in een altijd weer lezenswaardig rapport. Maar de keerzijde is, dat het college altijd weer betrokken wordt in kerkelijke en gemeentelijke kwesties, waarin dan alleen adviserend kan worden gewerkt. De visitatoren hebben geen handelings-bevoegdheid maar proberen 'door raadgeving en overleg' moeilijkheden op te lossen.
Wat bijvoorbeeld te denken van de moeilijke modaliteitsgesprekken in de gemeenten tussen plaatselijke kerkeraden en deelgemeenten! Eenmaal per vijf jaar zijn deze gesprekken, kerkordelijk gezien, verplicht. De visitatoren steken in deze zaak bijzonder veel tijd en aandacht. Maar de resultaten zijn gering, om niet te zeggen nihil.
De problematiek van de deelgemeenten speelt hoofdzakelijk in gemeenten van hervormdgereformeerde signatuur. De visitatoren stellen in het nu voor de synode opgestelde vijf-jaarlijkse rapport (terecht), dat men in deze kwestie te maken heeft met het 'harde gegeven' dat in de kring van de Gereformeerde Bond 'een eigen kerkopvatting' leeft. We laten hier in het midden of dit woord eigen in 'eigen kerkopvatting' slaat op de Gereformeerde Bond zélf of dat het teruggaat op de confessie. Maar feit is, dat de tegenstellingens wat betreft de modaliteiten in de gemeente, wèl te herleiden zijn tot diepgaande verschillen in kerkopvatting, toegespitst op prediking, pastoraat en catechese. Uit het visitatierapport citeren we, - ten aanzien van de deelgemeenten, het volgende:
'Wij mogen vaststellen dat ons college meer dan enig ander orgaan in de kerk met deze problematiek geconfronteerd wordt. Er vallen rondom deze zaak bijzonder weinig perspectieven te ontdekken. In geen enkele situatie waar een kerkeraad van G.B.-modaliteit bij deze aangelegenheid betrokken is, blijkt men bereid te zijn om medewerking te verlenen aan de integratie van de deelgemeente in de plaatselijke gemeente. De kerkelijke wetgever had destijds de hoop gevestigd op de mogelijkheid dat de deelgemeente (eerder noodvoorziening en daarna buitengewone wijkgemeente-in-wording genaamd) zou omgezet kunnen worden in een buitengewone wijkgemeente (ord. 2-l0a). Het blijkt niet voor verwezenlijking vatbaar. Theologische verschuivingen, aanwezigheid van vrouwelijke ambtsdragers in de deelgemeenten, hun samen op weg zijn met de Gereformeerde Kerk of verder groeiende oecumenische contacten maken de kloof eerder wijder dan dat zij de integratie bevorderen. Het is er mee als met de twee koningskinderen, die elkaar niet meer konden bereiken. Het water was veel te diep.'
De visitatoren vragen zich in hun rapport af of het 'te hoog geprezen' is een poging te ondernemen deze problematiek opnieuw te doordenken vanuit de belijdenis dat wij - ondanks alles - 'één Koning hebben'.
De praktijk van de ontmoeting der modaliteiten is helaas echter zo vaak anders. In de naoorlogse jaren werden, rondom de invoering van de nieuwe kerkorde, de: richtingen omgedoopt in modaliteiten (verschillende wijzen van kerkzijn). Maar het is met een wóórdwijziging niet te veranderen in de kerk. Modaliteiten bleven tóch richtingen. En ergens in het visitatoren rapport staat nu te lezen, dat, ondanks de positieve gevoelswaarde die met het woord modaliteit bedoeld werd, thans dit woord een negatieve klank heeft gekregen. Het water is inderdaad te diep. We kunnen elkaar geestelijk vaak niet meer bereiken, óók al pogen we het kerkelijk.
Uit het rapport
We stelden hierboven al dat het vijf-jaarlijkse visitatierapport altijd weer een lezenswaardig stuk is. Ook het nu voorliggende rapport geeft een goede kijk door ons kerkelijke leven. 'Is hetgeen mensen constateren niet uitermate subjectief', vragen de visitatoren zich in het begin van het stuk voor zichzelf terecht af. Het is echter duidelijk uit de inhoud van het stuk, dat men objectief de ontwikkelingen in ons kerkelijk leven beschreven heeft. We geven in het hiérvolgende een korte weergave van de belangrijkste punten uit het rapport.
Prediking, Doop en Avondmaal
Wat de prediking en de sacramenten betreft: Zeeland en de classes Bommel, Harderwijk en Brielle zeggen, dat hier het middelpunt van het gemeente-zijn ligt. "Groningen verlangt bijbelse prediking.'
Wat de Doop betreft: in de classis Bommel wordt de kinderdoop nog vrij algemeen aanvaard, maar voor het hele land neemt de aanvrage voor de doop af (al wordt deze dan wèl ook weer bewuster aangevraagd).
Het Avondmaal wordt, qua aantal malen, zeer verschillend gepraktiseerd in de hervormde gemeenten. In sommige gemeenten 1 a 2 keer per jaar (in vrijzinnige gemeenten en 'bij de uiterste rechterflank van de kerk'). In andere gemeenten elke zondag. Het 'geijkte patroon' van vier vieringen per jaar is soms uitgebreid tot 6 a 12 keer.
De mijding van het Avondmaal wordt, blijkens het rapport van de visitatoren, minder. Vroeger heeft - als we dat even tussen mogen voegen - drs. D. Broeren (laatstelijkpredikant in Hattem) een studie gemaakt van de Avondmaalspraktijk in de Hervormde Kerk, waarin hij tot de conclusie kwam, dat in de hervormde gemeenten (in doorsnee) tien procent van de belijdende leden deel nam aan het Heilig Avondmaal.
Het visitatie rapport constateert nu: toenemende belangstelling, ook in gemeenten van G.B. modaliteit; minder mijding dan vroeger (Overijssel); de mijding wordt doorbroken (classis Gouda); stijging van 5% (classis Harderwijk).
De classis Brielle noemt de Avondmaals viering 'gering'. Op Flakkee is er wel degelijk 'mijding' of neemt men het Avondmaal 'zeer ernstig'.
Over de kindercommunie is het visitatierapport summier, al vallen wel woorden als 'sporadisch', 'hier en daar', 'geringe belangstelling', 'langzame 'ontwikkeling'. Zelfs wordt gezegd: 'Het zijn alleen maar de kinderen van de dominee die meedoen'.
Liturgie
Het visitatierapport meldt onder het hoofdstuk liturgie, dat het Liedboek bijna overal is ingevoerd, behalve in G.B. gemeenten.
Bijzondere diensten
De 'bijzondere diensten' in onze kerk zijn Vesperdiensten (classis Apeldoorn, Doetinchem en Gouda), de leerdiensten (Catechismusdiensten in G.B. gemeenten en rechtsconfessionele gemeenten), diensten voor verstandelijk en lichamelijk gehandicapten, jeugddiensten (die duidelijk teruglopen) en 'diensten voor recreanten'.
Ledenbestand
Uit de gegevens over het ledenbestand van onze kerk geven we enkele gegevens door uit het visitatierapport. Groningen kent een sterke vergrijzing en 'achteruitgang in de leeftijdsgroep 20-35 jarigen'.
Overijssel: 'Wij raken hollend "links van het midden" kwijt. Wij zijn eerst de arbeidende klasse kwijt geraakt, nu andere categorieën'. Zeeland: 'Arbeiders, agrariërs, en intellectuelen vervreemden steeds meer. In Zeeuw-Vlaanderen is het de jeugd, die afhaakt'. Classis 's Gravenhage: per 1 januari 1980 was bijna vijftig procent van het ledenbestand 65 plus.
De classis Rotterdam-Noord meldt, dat voor heel Rotterdam op 1 januari 1970 het percentage hervormden van de gehele bevolking 35, 5% bedroeg; in 1979 25, 8%. In 1979 was van die hervormden 28, 8% ouder dan 65 jaar, terwijl het percentage vijf-en-zestig-plusser voor de hele stad 16, 9% bedroeg.
De kerkelijke meelevendheid 'stijgt in het algemeen niet'. In Drenthe verdwijnt de jeugd na zondagsschool of kinderkerk. In Overijssel, Achterhoek en Zeeland is de situatie 'stationair' of' er is neiging tot teruggang. Wat Noord-Brabant en Limburg betreft: 'In G.B. gemeenten blijft men trouw'. In Oost en Zuid-Oost Groningen was in 5 gemeenten het kerkbezoek dalend, in 15 gemeenten stabiel en in 15 gemeenten in stijgende lijn.
Het rapport constateert, dat het afleggen van belijdenis des geloofs minder plaats vindt dan vroeger. In bepaalde Drentse gemeenten zijn er de laatste tijd geen lidmaten bijgekomen. 'De classis Harderwijk noemt de situatie niet direct zorgwekkend en die van Gouda noemt de situatie bevredigend. De gemeenten in de classis Gorinchem geven van jaar tot jaar soms grote verschillen in de aantallen te zien.'
Ter doordenking
We volstaan met deze objectieve weergave van wat het visitatierapport biedt aan gegevens over de ontwikkelingen van ons kerkelijk leven. Er komen in het rapport veel meer, zaken aan de orde, die de moeite van het overwegen waard zijn, b.v. het functioneren van zending, (wereld)diakonaat, ontwikkeHngssamenwerking, evangelisatie, catechese, , vormingswerk, oecumene; het functioneren van de ambten; de kerkvoogdelijke zorgen en mogelijkheden.
In de slotbeschouwing geeft het visitatierapport intussen ook een evaluatie met betrekking tot ons kerkelijke leven. Visitatoren zijn echter niet in staat achter het kerkelijk leven het geestelijk leven te taxeren. Ze geven echter wel de volgende overweging mee in hun rapport:
Aan de buitenkant zien we teruggang in kerkbezoek, daling van het aantal dopelingen en belijdeniscatechisanten, minder waardering voor de kerk als instituut.
We merken verwarring en onzekerheid, onderlinge verdeeldheid, financiële zorgen enz.
Maar daarnaast zien we ook: meer bewuste keuze, meer overtuigde participatie, stijgende offervaardigheid bij de kern van de gemeente, belangstelling voor geestelijk vorming, aandacht voor godsdienstige vragen, meer gemotiveerd vragen om de doop, trachten om het geloof ook daadwerkelijk te beleven. En daarbij kan de vraag gesteld worden of het uiterlijke ook weer niet een weerspiegeling is van het innerlijke, een accentuering van het wezien door middel van de vorm. Wanneer we zien op de afbrokkeling van bepaalde vormen (die dan altijd voorafgegaan is door uitholling van de desbetreffende inhoud) en op het terzijde schuiven van de traditie, dan zijn sommigen geneigd klaagzangen aan te heffen.
Wanneer wij vermogen door het uiterlijk heen te zien, dan ontdekken wij niettemin iets van de doorwerking van het Evangelie, dan herkennen wij de vruchten van de Geest. Maar dan zal blijken dat echt geestelijk leven ook weer behoefte zal hebben aan bepaalde nieuwe vormen. Wanneer gevraagd wordt of het geestelijk leven bloeiend of ingezonken genoeg mag worden, dan zijn van beide aspecten wel symptomen aanwezig. Er zijn verontrustende ontwikkelingen te signaleren, maardaarnaast ook hoopvolle perspectieven.'
De kinderen
Tot zover de gegevens uit het visitatierapport. De gegevens zijn reëel, niets verdoezelend. Anderzijds mogen we - bij alle constatering van de neergang die er is - leven uit de hoop, dat God zelf Zijn Kerk onderhoudt en bewaart, óók in onze tijd.
Het is erg goedkoop om in een tijd van algemene neergang de oplossingen aan te dragen voor het herstel van de kerk en de verlevendiging van het kerkelijke en gemeentelijke leven. Toch wil ik op één aspect wijzen. In het rapport staat - we citeerden het: 'in Drenthe verdwijnt de jeugd na zondagsschool of Kinderkerk' .
Kort geleden preekte een predikant van elders in onze (wijk)-gemeente. Hij zei getroffen te zijn door het feit, dat er zoveel kinderen in de kerk waren. In eigen gemeente kende hij dat niet. Daar werden de kinderen ondergebracht in nevendiensten, zondagschool, crèche etc. Géén kinderen meer in de gewone kerkdienst betekent m.i. een uitholling van het gemeentelijke leven.
Het is een goede zaak als het gezin ter kerk gaat en de kerkdienst zó ook voluit gezinsdienst is. Wanneer kinderen op pas vijftienjarige leeftijd (om maar een getal te noemen) de drempel van de kerk over moeten, dan vinden ze het kerkgebouw vaak niet meer. Jong geleerd is oud gedaan, óók al zijn er de voorbeelden dat jongeren, die het jong geleerd kregen, later toch de kerkdeur uitstapten. Maar zulke voorbeelden zijn dunkt me in aantal minder dan de gevallen waar 'goed voorbeeld goed volgen' deed.
Aan de voorgangers intussen de opdracht om de kinderen er in de dienst helemaal bij te betrekken. Opdat ook zij horen - in voor hen bevattelijke taal - de grote daden Gods en zij de fakkel van de ouderen mogen overnemen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 maart 1981
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 maart 1981
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's