Drie vragen rond het Avondmaal (6)
Pastorale overwegingen
Zoals u bemerkt hebt, cirkelen verschillende gebezigde argumenten voor kinderdeelname aan het Avondmaal rondom de verhouding Doop en Avondmaal.
De doop de toegangsweg?
Zoals u bemerkt hebt, cirkelen verschillende gebezigde argumenten voor kinderdeelname aan het Avondmaal rondom de verhouding Doop en Avondmaal. Meer dan eens wordt tegenwoordig benadrukt, dat er maar één toegangsweg naar het Avondmaal is voor groot en klein in Christus' gemeente, en wel de doop. De doop is ondubbelzinnig teken van inlijving in de gemeente van Christus. Het Avondmaal was oorspronkelijk, zegt men, maal van gedoopte gelovigen, maar werd, jammer genoeg, steeds meer tot een maal van gedoopte gelovigen. Door de doop behoren we tot de gemeente Gods. Wat kan dan verder nog nodig zijn om dat 'behoren tot' met elkaar te vieren?
De vinger bij een wondeplek
Laat ik beginnen met vast te stellen, dat terecht Doop en Avondmaal beide als sacramenten hun accent krijgen in de beleving van het geloof, genormeerd aan de Heilige Schrift. En in de praktijk blijken beide onder een onheilige vanzelfsprekendheid te lijden. Natuurlijk, het is normaal dat men zijn kinderen laat dopen. Maar velen vinden het even normaal natuurlijk niet deel te nemen aan de Avondmaalsviering. Dat is een huiveringwekkende vanzelfsheid, die in geen geval vrucht van het geloof is. Maken we maar ernst met de doop, zowel als we ten doop houden als dat we gedoopt zijn. Leren we aan de hand van de Schrift en door de leiding van de Heilige Geest onze doop te verstaan en te doorleven, dan worden we geheel van onszelf afgebracht en op de Heere Jezus geworpen. Hij is, zegt de NGB, art. 34, en belijdt de kerk 'onze Rode Zee'. Maar om geen andere geloofskennis gaat het bij het Avondmaal immers. Wie zijn Doop leerde verstaan in de weg van het geloof, kan ook ten Avondmaal. Een andere wondeplek in vele gemeenten is, dat menigeen denkt dat ook het Avondmaal een goddelijk stempel is op het geloof. Echter, niet het geloof als wel de waarachtigheid van Gods belofte wordt betekend en verzegeld voor het geloof. Hoe onderwerpelijker men verstaat, hoe voorwerpelijker men leven gaat en gelooft, schreef destijds terecht wijlen prof. G. Wisse.
Geen vereenzelviging
Toch moet het mij van het hart, dat men veel te weinig ook het onderscheid tussen beide sacramenten in het oog houdt. En dat bijbels verwijt mag gemaakt worden aan hen, die eigenlijk zo heel oppervlakkig Doop en Avondmaal aaneen verbinden. De Doop is teken van inlijving en opneming, en wordt daarom maar één keer bediend. Daarentegen is bij het Avondmaal aan de orde de genieting van Christus en Zijn weldaden door 'de mond van het geloof'. Bij de Doop ligt de grote nadruk op de aanbieding van Gods genade, bij de Avondmaalsviering op de genieting van Zijn genade en de belijdenis ervan. Men zal er tevens oog voor moeten hebben, dat de kerk in het Nieuwe Testament geheel en al staat in de zendingssituatie, waar de Doop van volwassenen op de verkondigde evangelieboodschap, door de Heilige Geest de harten ingedragen, altijd voorafgaat aan de Doop der kinderen. Bij de Doop van groten valt het moment van bediening van het sacrament eigenlijk samen met dat van de openbare belijdenis. Dat ligt bij de kinderdoop anders, al is ook daar de belijdenis, die voorafgaat, van de ouders en de gemeente aan de orde.
De leeftijden
Als grens voor de toelating tot de kinderdoop zal men doorgaans niet verder gaan dan de leeftijd dat de kinderen de basisschool verlaten, ongeveer 12 jaar dus. Zijn ze ouder dan wordt gewacht totdat zij zelf na en op de belijdenis het teken en zegel van inlijving ontvangen. De zaligheid hangt niet af van het sacrament, al betekent dat natuurlijk niet veronachtzaming ervan. Onze kerkorde spreekt van de regel, 'dat met de Doopbediening behoort gewacht te worden tot na de openbare belijdenis des geloofs, als het kind de leeftijd heeft bereikt, waarop het de gewone catechese kan volgen'. En de belijdeniscatechisatie ter voorbereiding van de openbare belijdenis des geloofs wil liefst niet eerder zien aangevangen dan met jonge mensen van omstreeks achttien jaar. In de synode-vergadering van 1949 met daarvoor gekozen, ik meen terecht. Men doet deze kwestie niet maar even af met 'nu ja, dat zijn maar menselijke bepalingen'. Er dient orde te zijn in Gods huis, waar geen willekeur heerse, en de orde der kerk regelt m.i. deze tere zaken verstandig. Uitzonderingen bevestigen ook hier de regel.
In bijzondere gevallen zijn ook jongere leden wel eens toegelaten. Ik herinner me een geschiedenis uit Schotland, waarin zelfs een kind van 12 jaar deelnam en tijdens de bediening met een van hemels licht glanzend gezicht door de Heere werd thuisgehaald. Afzonderlijk wil ik later, zo de Heere wil, spreken over de lichamelijk en geestelijk gehandicapten. Voor deze keer is er al weer stof tot overdenking genoeg.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 maart 1981
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 maart 1981
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's