De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een gezegend prediker (4)

Bekijk het origineel

Een gezegend prediker (4)

Ds. B. van der Wal (1864-1924)

8 minuten leestijd

Utrecht

Daarheen verhuisde het hele gezin. Kapelstraat 57 werd de woning, waarin het gezin de studententijd van mijn vader doorbracht en waar o.a. in december 1898 ondergetekende de dag na het candidaatsexamen van zijn vader geboren werd. Al was 'Utrecht' ook toen al meer rechtzinnig dan de andere theologische faculteiten, toch heb ik mijn vader weinig met enthousiasme over zijn hoogleraren horen spreken. In één van zijn brieven aan zijn schoonouders kom ik de klacht tegen, dat de professoren hem vaker meer een verzoeking tot ongeloof dan een versterking in het geloof waren. Door een figuur als de oudtestamenticus J. J. P. Valeton kwam hij in aanraking met allerlei opvattingen omtrent bronnensplitsing en tekstkritiek, waarmede hij momenten van persoonlijk belijden uit de mond van dezelfde hoogleraar, hoe verrassend ook, moeilijk kon rijmen.

Hoewel de persoonlijke verhouding tot de professoren over het algemeen goed was, was het voor hem een grote teleurstelling, toen een door hem ingediende aanvrage om een (niet eens grote) studiebeurs, geweigerd werd, terwijl jongelui die corps-lid waren soms wel gesteund werden. Gelukkig dat niet lang na deze afwijzing, na een gesprek met een der professoren en na veel hartelijk en vertrouwend gebed tot Hem, Die op deze weg geleid had, een hernieuwde aanvrage wel ingewilligd werd. Het was nodig ook. Wat mijn vader in zijn hoogleraren miste, probeerde dr. J. D. de Lindt van Wijngaarden - toen één der Utrechtse predikanten - aan te vullen door een soort privatissimum bij hem aan huis; woensdagavond; maar het werd vaak woensdagnacht!

Over het algemeen waardeerde mijn vader deze leermeester, ook in zijn prediking, al kan mijn vader hem de kritiek niet besparen op een preek over de barmhartige Samaritaan, waarin door een breedvoerige allegorese alles vergeestelijkt werd, behalve - aldus de kritische opmerking van mijn vader - de ezel!

Andere geliefde predikanten waren ds. E. C. Gravemeijer, de man die de tweede druk van de Gereformeerde Geloofsleer van zijn vader ds. H. E. Gravemeijer verzorgd heeft. Zijn portret hing later altijd in de studeerkamer van mijn vader. Mijn moeder hoorde hem ook bijzonder gaarne. Verder kom ik herhaaldelijk de naam tegen van ds. Van Meer, die met genoegen en zegen beluisterd werd evenals ds. Gewin. Bovendien zie ik soms de namen van ds. Sanders en van ds. Pikaar.

Het gezelschap

Van grote betekenis was ook het 'gezelschap', dat iedere zondagavond (maar nooit onder kerktijd) gehouden werd, ook wel in Kapelstraat 57 en dat geleid werd door een ouderling der Hervormde gemeente, Eggink geheten, een bloemist, van wie ik mijn vader dikwijls heb horen vertellen, dat hij een wonder was van Bijbelkennis. Hij had zelf vanaf zijn 14de jaar reeds ervaring van het getrokken worden door God en het zoeken van God. Deze wist de besprekingen in goede, gezonde banen te leiden en te houden. Met verschillende mensen uit die kring ontstonden blijvende vriendschappen. De namen Pluygers en Westerhout springen uit mijn geheugen in het bijzonder naar voren. De uitwisseling van geloofservaringen als illustraties van de Schriftbespreking hebben een grote invloed gehad op de, op de praktijk der godzaligheid gerichte, manier van preken van mijn vader. Sterke nadruk viel in het gezelschap op de wijze waarop een zondaar tot Christus gebracht werd en op de lichte en donkere perioden, waardoor het geloofsleven menigmaal wordt gekenmerkt. Maar grondslag was, toch altijd een Bijbelhoofdstuk, dat besproken werd.

Naast Utrechtse namen moet ik uit de Bilt noemen de families Bieshaar en Top, waarmede menigvuldige vriendschappelijke relaties werden onderhouden. De toenmalige theologische student W. Bieshaar was een studiegenoot en vriend van mijn vader. Ook de kinderen gingen graag en veel naar de boerderij van de familie Bieshaar.

Mijn vader heeft levenslang veel behoefte gehad aan levendige en veelvuldige omgang met mensen, in het bijzonder wanneer de geestelijke broederband gevoeld werd en de wederzijdse voorbede gevraagd en beoefend werd.

Studentenleven

Ook daaraan nam mijn vader deel. Eerst o.a. als lid van het theologengezelschap Excelsior Deo Juvante, waarover de latere ds. A. J. W. van Ingen een tijdlang praeses was. Mijn vader had er geen bezwaar tegen de, in vrolijke toon gehouden, dies bij te wonen. Een programma van een feestelijke viering heeft hij altijd bewaard.

Toch werd hij in 1899 één van de oprichters en één van de eerste bestuursleden van de vermaarde theologenvereniging 'Voetius'. Aanvankelijk was de opzet niet louter theologisch en traden enkele niet-theologen toe. Maar dat duurde slechts kort.

Examens

Gezinsleven en gezinszorg, contacten met familie en vrienden, vooral metgezellen van de gemeenschap der heiligen, actieve deelname aan het studentenleven enz. kwamen niet in mindering op het tempo waarin mijn vader studeerde en zijn examens deed. Niet langer dan twee jaar en negen maanden, nadat hij in najaar 1896 zijn universitaire studie begon, slaagde hij reeds voor zijn kerkelijk examen. Niet eenmaal was een examen op het gymnasium of aan de universiteit onvoldoende.

Des te erger was het, ook gezien de gezinsomstandigheden en de vaak niet zo beste gezondheidstoestand van mijn moeder, dat de collega's van het Provinciaal Kerkbestuur van Zuid-Holland hem '8 maanden gaven'. En niet alleen hem, maar ook één (en ik meen zelfs te herinneren) twee geestverwanten. In elk geval werd mijn vaders vriend Bieshaar eveneens voor 8 maanden afgewezen. Iemand van het P.K. van Zuid-Holland voegde mijn vader toe: 'ik kom nooit bij u luisteren', waarop mijn vader repliceerde: 'dat hoeft ook niet, dominee, preekt u het Evangelie maar'.

Toch in alle briefwisseling uit die tijd spreekt nergens iets van rancune of wrevel. Alles werd sterk gezien onder het gezichtspunt van Gods leiding, die ook met deze moeilijke weg Zijn bedoelingen had. Wij hebben, ziende op ons zelf, immers nooit iets goeds te verwachten.

Aan zijn schoonouders schrijft hij dan: 'Wat in onze studietijd voor het predikambt nog nooit is voorgevallen, is thans gebeurd. Wij werden voor het laatste examen afgewezen. Hij vertelt dan van de diepe droefheid, daar in den Haag, toen hij dacht aan zijn vrouw, die vol spanning uit zou zien en ook aan de familie'. Hij vervolgt: 'maar laten we zwijgen - want de mensch is een groot zondaar en de Heere is rechtvaardig in Zijn richten. Het Woord zegt: Hij geeselt een iegelijk mensch, dien Hij aanneemt. En als wij door deze beproeving er toe gebracht mochten worden om in deze kastijding, de kastijding van een zoon te zien, dan is deze les, hoe wel een harde, toch een les van de allergrootste waarde. Wij zijn zoo gewoon alleen den voorspoed een zegen van God te achten en den tegenspoed te achten, als zou de Heere dan toonen, dat Hij ons verlaten had'. Met verwijzing naar het Hooglied, wijst hij op de zegen van de noordenwind, die 'hoe hard en grimmig ook staalt en sterkt en bijdraagt tot den groei'.

Zo aanvaardt hij deze tegenslag als een les uit de leerschool des Heeren.

In deze 8 maanden valt de oprichting van Voetius en begon mijn vader hier en daar te spreken o.a. enkele malen voor een J.V. in de Meern, waarbij hij dan vaak een hele avond zonder het opgeschrevene te gebruiken, sprak. Waar het hart vol van was, liep de mond van over.

Ook gaf dr. Gravemeijer, die over een eigen vergadergelegenheid beschikte aan geestverwante en gerijpte theologische studenten, wel gelegenheid hem in zijn wekelijkse bijbellezingen te vervangen. Als zij kon, woonde mijn moeder ook gaarne deze bijbellezingen bij.

Roepingen

Eindelijk, in mei 1900 was het dan zover, dat mijn vader slaagde en beroepbaar was. De avond van het examen stond de kerkeraad van Blauwkapel reeds met een beroepsbrief voor de deur. Er volgden nog twaalf andere van grotere en kleinere gemeenten. Het werd een tijd van kennismaken, overwegen en gebed om leiding.

Een kleine aardige bijzonderheid moge ik hier vermelden. Toen mijn vader de gemeente Sprang bezocht had (één van de 13) werd hij per rijtuig naar het naastbijzijnde station gebracht. Toen hij ingestapt was, zei iemand tegen hem: ik hoop, dat u uw weg zult reizen met blijdschap. Waarop mijn vader gevat antwoordde: maar dan ziet ge me niet meer! (Hand. 8 : 39b), Ontsteld over deze reactie kwam nu als een angstkreet: maar zo heb ik het niet bedoeld!

Ik weet uit latere jaren hoeveel ernst mijn vader met zijn beroepen placht te maken. Soms was het alsof hem de weg onverwachts als met de vinger gewezen werd.

Dat zal hij ook toen gedaan hebben. De beslissing viel tenslotte uit ten gunste van de gemeente Waddinxveen. Dat was toen ook al een niet kleine en voor een 'voetganger' zeer uitgestrekte gemeente, die toen nog maar één predikantsplaats telde. Een zware taak, voor iemand, die het ambt nog moet gaan aanvaarden. De gemeente durfde het met deze oudere candidaat aan. Het werd een bijzondere periode, waarin niet alleen de kerk volstroomde, maar ook een geestelijke opbloei plaats vond. Het was een tijd van beproeving en van zegening. Van die beproeving, die hem trouwens ook in de voorafgaande jaren niet bespaard was gebleven, wil ik eerst iets gaan vertellen. Daarna wil ik proberen iets van de zegen na te speuren die God door zijn arbeid, in zijn gemeenten wilde bereiden.

C. van der Wal

Rectificatie

Door een vergissing op de 'zetterij' is een nare, storende fout geslopen in het artikel van ds. C. van der Wal over zijn vader, ds. B. van der Wal in het nummer van de Waarheidsvriend van vorige week en wel onder het tussenkopje: Ds. C. Bouthoorn op pag. 118.

De 17e regel onder dat tussenkopje eindigt met het woord kennis.

Dit moet zijn: kermis.

Op pag 119, 1e kolom, 7e regel van boven staat kermis huwelijk.

Dit moet zijn: tweede huwelijk.

Onze verontschuldigingen voor de gemaakte vergissingen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 maart 1981

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Een gezegend prediker (4)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 maart 1981

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's