Kerstening in de zin der Reformatie
Ter discussie gesteld
Thans - dertig jaar na invoering van de kerkorde - noemt de Raad voor het verband met andere Kerken deze formuleringen, 'militant'.
Van het apostolaat der kerk
1. Als Christus belijdende geloofsgemeenschap gesteld in de wereld om Gods beloften en geboden voor alle mensen en machten te betuigen, vervult de Kerk, in de verwachting van het Koninkrijk Gods haar apostolische opdracht in het bijzonder door haar gesprek met Israël, door het werk der zending, door de verbreiding van het Evangelie en de voortdurende arbeid aan de kerstening van het volksleven in de zin der Reformatie.
2. De Kerk richt zich in het gesprek met Israël tot de synagoge en tot allen, die bij het uitverkoren volk behoren, om hun uit de Heilige Schrift te betuigen, dat Jezus de Christus is.
3. De Kerk richt zich in het werk der zending, in gehoorzaamheid aan het bevel van Christus, onder uitoefening van de dienst der barmhartigheid in de geestelijke en lichamelijke noden, met het Evangelie des Koninkrijks tot de volkeren in de niet-gekerstende wereld; zij vervult de dienst der barmhartigheid in de geestelijke en lichamelijke noden van deze volkeren; zij brengt hen, die zijn gekomen tot geloof en de Heilige Doop hebben ontvangen, bij de bediening van Woord en sacramenten tezamen in gemeenten; zij dient deze gemeenten bij de inrichting en opbouw van een eigen kerkelijk leven, zij arbeidt bij dit alles ook aan de kerstening der samenleving.
4. De kerk richt zich in de verbreiding van het Evangelie tot hen, die daarvan zijn vervreemd, om hen terug te brengen tot de gemeenschap met Christus en Zijn Kerk, blijft in al haar geledingen strijden voor het reformatorisch karakter van staat en volk en wendt zich, in de verwachting van het koninkrijk Gods, in de arbeid der kerstening tot overheid en volk, om het leven naar Gods beloften en geboden te richten.
Op de hierbovenomschreven wijze formuleerde de Hervormde Kerk in 1951, toen de Nieuwe Kerkorde werd ingevoerd, haar roeping tot apostolaat. Het hoge ideaal van 'kerstening van het volksleven in de zin der Reformatie' werd duidelijk verwoord. De kerk bleef strijden voor 'het reformatorisch karakter van staat en volk'. Thans - dertig jaar na invoering van de kerkorde - noemt de Raad voor het verband met andere Kerken deze formuleringen, 'militant'. Ze stonden - aldus de Raad - tegen de achtergrond van de groeiende invloed, die men van de kant van Rome vreesde (nieuw Maria dog; actie voor opheffing van het processieverbod). Omdat nu de verhouding tot te Rooms Katholieke Kerk 'grondig is veranderd', hebben deze formuleringen naar vorm en strekking hun betkenis verloren.
De Raad kwam - in het kader van de verslaggeving van haar werkzaamheden aan de synode - nu met nieuwe formuleringen terzake en wel:
Art. VIII, l, slot, wordt; 'door de verbreiding van het Evangelie en de voortdurende kerstening van het volksleven overeenkomstig Gods beloften en geboden.'
Art. VIII, 4, slot, wordt; 'Blijft in gehoorzaamheid aan het Woord Gods in al haar geledingen, waar mogelijk samen met andere kernen en christelijke gemeenschappen, strijden voor een rechtvaardige ordening van de samenleving en wendt zich, in de verwachting van het Koninkrijk Gods, in de arbeid der kerstening tot overheid en volk, om het leven naar Gods beloften en geboden te richten.'
Reacties in de synode
In de synode kwam nogal wat weerwerk tegen deze aanzetten tot wijziging van de kerkorde. Het weglaten van het woord ‘reformatorisch’ stuitte nogal op verzet.
Ds. J. A. van Boven (Oisterwijk) achtte het juist, dat ten aanzien van de R.K. Kerk het 'triumfalisme' zou verdwijnen in de kerkorde, maar stelde tevens dat duidelijk zou moeten worden dat wij 'horen naar de Schrift met oren, die gevormd zijn door de Reformatie'.
Dr. W. Balke (Den Ham) stelde, dat voor de Hervormde Kerk de oecumene een hartezaak moet zijn, omdat dat oer-reformatorisch is. Reformatorisch zijn betekent geen traditionalisme en ook geen triumfalisme. Het gaat om het reformanda, altijd wéér reformeren. De reformatorische beweging heeft in de zestiende eeuw echter niet het hart van Rome bereikt. De katholiciteit - het zicht op de gehele kerk - is het best bewaard door de Reformatie. Als we nu in de kerkorde het begrip reformatorisch weglaten gaan we de kerkorde dé-confessionaliseren. Als we de belijdenis en de waarheidsvraag op het tweede plan zetten en de ontwikkelingen in de oecumene als zodanig op het eerste plan, dan komen we dicht bij Rome uit. We moeten de consensus (de overeenstemming) zoeken maar de confrontatie inzake het verschil van overtuiging niet schuwen, andere schuiven we op naar een bepaald algemeen religieus kerktype, dat vèr af staat van de Reformatie.
Oud. J. V. d. Brugge (Kampen), die pleitte voor oecumenische contacten ook naar kerken van Gereformeerde signatuur, kritiseerde sterk de kwalificatie 'militant' ten aanzien van art. 8 in de kerkorde door de genoemde Raad. 'We willen het evangelie verstaan in de zin der Reformatie.' Daarom pleitte hij voor handhaving van de formulering in de kerkorde van 'kerstening van het volksleven in de zin der Reformatie'.
Ook ds. G. F. Overgaauw (Eek en Wiel) wilde in artikel 8 blijven bij een formulering, waaruit bleek dat het de Hervormde Kerk ernst is 'het reformatorisch erfgoed' door te geven.
Oud. J. Kuiken (Maassluis sprak van 'een eigen marktfunctie van de Hervormde Kerk in de oecumene' en zei dat de Hervormde kerk daarin een eigen merk heeft, Luther en Calvijn zijn er niet voor niets geweest. Hij vond het niet zinvol de 'militante artikelen' te wijzigen en pleitte voor het behoud van de eigen identiteit van de Hervormde Kerk.
Dr. S. Meyers (Leiden) sprak over verschuivingen in de Ned. Herv. Kerk vanwege de oecumene. Hij achtte het een 'onschuldige voorstelling van zaken' als prof. Geense, voorzitter van de Raad voor het verband met andere kerken, stelde dat we als hervormden met het bedoelde kerkordeartikel de roomskatholieken niet nodeloos moeten irriteren. De formulering inzake 'kerstening van het volksleven in de zin der Reformatie' had in 1951 diepere wortels. In de Tweede Wereldoorlog was de verschrikking der Jodenvervolging aan de dag getreden. Men voelde daarna dat het ging om de binding van kerk en volk aan de Schrift, om zo de neutraliteit van de staat, met alle gevolgen van dien, tegen te gaan.
Ook vandaag - aldus Meyers - gaat het om 'de strijd des geloofs', de strijd ook tegen de zonde. Als we de kerkorde - zoals is voorgesteldgaan dé - confessionaliseren - verliezen we het karakter van deze strijd des geloofs. Als wij schrappen wat op heilige oorlog lijkt komt van de andere kant een heilige oorlog over ons (b.v. van de zijde van de Islam).
Meyers hekelde ook het invoeren van het begrip 'gerechtigheid' in het artikel over het apostolaat, dat begrip is op allerlei wijzen invulbaar: wrekende gerechtigheid (van de rechter), of inzet voor 'de arme Lazarus'. Dit soort begrippen, die op velerlei wijzen te gebruiken zijn, moeten niet in een kerkorde voorkomen, meende hij.
De tekst van wat drs. C. Blenk (Oudewater) zei laten we hier geheel volgen:
Verloochening van uw eigen vaders
Als de kerk in artikel VIII voor de eis gesteld wordt om te 'strijden voor het reformatorisch karakter van staat en volk' - 'is het dan niet of ge hier een zinsnede uit Hoedemakers 'Staat met den Bijbel' voor u hebt...? ' Aldus Haitjema (De nieuwe geschiedenis van Neerlands Kerk der Hervorming, p. 319). Inderdaad, art. VIII over het Apostolaat is het artikel uit de school van Hoedemaker, naar het hart van Haitjema, uit de pen Van Ruler, zijn leerling.
Heel deze theologie is vandaag in geding. Haitjema heeft het zien aankomen in zijn laatste boek, in het laatste hoofdstuk, als hij over de 'verheviging van oecumenische passie' na 1951 spreekt. Hij lanceert dan niet minder dan zes gevaren, m.n. relativering van de onherroepelijke beslissingen die met de Reformatie zijn gevallen. 'Dit betekent ook niet meer of minder dan dat de strijd 'voor het reformatorisch karakter van staat en volk' waarvan onze kerkelijke grondwet (-) spreekt, wordt verlamd', zegt Haitjema in 1964, en hij concludeert p. 324 'Kort gezegd, de geestelijke vaders van de reorganisatiebeweging van de eerste helft der twintigste eeuw, zoals wij die in Gunning, Hoedemaker èn Kraemer gaarne gedenken, worden allen verloochend, als het met het oecumenisch gesprek met Rome, waarvoor ook naar ons besef de tijd rijpte, de kant van een krachteloos maken der reformatorische beslissingen zou opgaan. Terwijl Rome er van haar kant geen ogenblik aan denkt, om de besluiten van het Concilie van Trente tegen het protestantisme op te schorten. Zulk een terugval achter de principiële herordening van het hervormd-kerkelijk leven als vrucht der reorganisatie van 1951 is ons allerminst opgedragen.' Haitjema schreef dit na Vaticanum II! Het beroert me diep dat eminente mannen als prof. Bronkhorst en prof. Geene het zijn, die nu deze 'verloochening' en 'terugval' voorstellen - en dat nu 'Bonders' dit apostolaatsartikel moeten verdedigen!!
Secularisatie
Ik zou me kunnen voorstellen dat wij samen moeite hebben gekregen met de her-kersteningsidealen van na de oorlog! Inderdaad: wat is er over 'van het reformatorisch karakter van staat en volk'? Maar dan zou de nood van de ontkerstening ons drukken! Dan zouden wij de diepte van de cultuurcrisis peilen! Nu is het de oecumenische golfslag die de resten vrijwillig wegspoelt. Ik vind het onthutsend. Willen wij artikel VIII afstemmen op de ontkerstening, dan zou ik voorstellen het zó te doen: 'De Kerk (-) blijft vanuit haar reformatorische belijden worstelen met de gehele ontkerstening van staat en volk'.
(Maar wij moeten wel weten wat wij doen als wij de kerkelijke grondwet gaan wijzigen: daar moet (volgens art. 28) een dubbele synode aan te pas komen! Dat gaat zo maar niet). Dan nog een vraag.
Gelukkig wil de Raad voor het verband met andere kerken na art. VIII nog niet art. X aanpassen. Maar is dat niet inkonsekwent? Ook in dat artikel X over het belijden der kerk valt het woord 'Reformatie'. Waarom mag het daar wèl blijven bestaan? Daar worden met name genoemd: de Heidelbergse catechismus, de Nederlandse geloofsbelijdenis met de Dordtse leerregels. Strijden die belijdenisgeschriften dan niét met de oecumenische ontwikkelingen? ! Ik meen van wel. Of beter: de oecumenische ontwikkelingen strijden met deze reformatorische belijdenissen! Natuurlijk moet het oecumenische gesprek gevoerd worden, ook met de R. K. kerk, zeker na Vaticanum II. Maar hoe? Mag ik dan nogmaals verwijzen naar Van Ruler? Ik denk aan zijn boek 'Reformatorische opmerkingen in de ontmoeting met Rome'. Zou de Raad van Kerken nu wel eens zo'n boek bespreken? Zou de Raad voor het verband met andere kerken zoiets nu niet kunnen stimuleren?
Oecumene en richtingsstrijd
Tenslotte. Door het schrappen van 'Reformatie' en 'reformatorisch' zou de synode de kloof in eigen kerk nog weer meer vergroten. Men zou terwille van de oecumene met andere kerken de richtingstrijd in eigen kerk verhevi gen. Wat allerlei raden uitbroeden krijgt de visitatie weer op te knappen, want die kan (en wil) niet om de Geref. Bond heen. Wat is de synode van de N. H. Kerk méér waard: aanpassing van de kerkorde aan de oecumene met Rome, - waar Rome niet eens om vraagt! - of aanhalen van de band met de Gereformeerde gezindte in eigen kerk? En ik voeg daar aan toe: de band met gescheiden kerken van die signatuur. Het is volgens art. 25 van de kerkorde zelfs de taak van de N. H. Kerk 'zij zoekt en onderhoudt nauwere betrekkingen met Kerken, waarmede zij door bijzondere banden van belijdenis of van geschiedenis verbonden is', d.w.z. nauwer dan de oecumenische arbeid in Nederland en in de wereld!
Ten aanzien van dit 'sympathieke betoog' van drs. Blenk vroeg dr. R. J. Mooi (de nieuwe secretaris-generaal) zich af of ds. Blenk nieuwe richtingsstrijd - bij een hèr-formulering van de kerkorde - niet zocht. Maar - bij interruptie van dr. Meyers - bleek, dat nieuwe richtingsstrijd van deze herformulering het gevolg zou zijn.
Conclusie
Het is duidelijk, dat het hier om een gewichtige zaak gaat. Het ging nog niet om officiële voorstellen tot wijziging van de kerkorde, maar om een eerste aanzet daartoe op voorstel van de Raad voor de verhouding met andere Kerken. Na de synodale discussie lijkt het in feite uitgesloten, dat een voorstel om het woord reformatorisch in het artikel over het apostolaat te schrappen, het haalt of dat er zelfs maar zo'n voorstel komt.
De Hervormd-Gereformeerden hebben in de tijd van de invoering van de nieuwe kerkorde bezwaar gemaakt tegen het feit, dat het artikel over het apostolaat als zodanig voorafging aan het artikel (X) over het belijden. De kerk trekt niet de wereld in om daarna te belijden maar trekt belijdend de wereld in. Er is toen echteruiteraard - geen bezwaar gemaakt tegen de formulering 'kerstening van het volksleven in de zin der Reformatie'. Integendeel! Moeten eventuele wijzigingen in de kerkorde ten deze dienstbaar zijn aan het functioneren van Samen-op-Weg en daar bovenuit aan de brede oecumene, waarin ook Rome betrokken is? Apostolaat naar Rome toé wordt dan bij voorbaat onmogelijk. Wanneer we laten vallen dat het gaat om de doorwerking van de Reformatie in Kerk en Staat dan verliezen we wezenlijke trekken van het kèrk-zijn in de zin der Reformatie. De Vaderlandse Kerk, de Kerk der vaderen zou dan officieel haar wortel prijsgeven.
Hopelijk zullen deze wijzigingen, die overigens nog officieel aan de orde gesteld zullen moeten worden, er dan ook niet komen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 maart 1981
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 maart 1981
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's