De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

12 minuten leestijd

Waarheid en relatie

Het rapport over het Schriftgezag dat op 4 november door de synode van de Geref.-Kerken is aanvaard, en onlangs is gepubliceerd, heeft al heel wat pennen in beweging gebracht. Dat laat zich verstaan, want we raken hier immers het hart van het reformatorisch belijden. Beleed de Reformatie niet het 'De Schrift alleen' tegenover Rome en de dopers? Nu gaat het in dit rapport om de aard van het Schriftgezag, dat wil zeggen, wat is het doel van de Schrift, hoe hebben we de notie van de onfeilbaarheid te verstaan, wat betekent het dat God mensen gebruik heeft? In het rapport speelt het relatiebegrip een grote rol. Daarover schrijft ds. M. P. van Dijk in een themanummer van Credo (jan./febr. '81). Van Dijk omschrijft dit begrip als volgt: de mens is met zijn beleven altijd betrokken bij de waarheid. De openbaring van Gods waarheid is door mensen heen tot ons gekomen. De feiten die de Schrift ons vertelt zijn er nooit zonder de interpretatie.

Feit en interpretatie

Wat zegt nu het rapport over dit onderwerp? Van Dijk geeft de volgende samenvatting en analyse:

"Het feit wordt door het geloof geïnterpreteerd. Het wordt beschreven door mensen, die gelovig terugzagen op wat in het verleden gebeurde of gelovig vooruitzagen op wat in de toekomst nog zou gaan gebeuren. De waarheid is gegeven in de weg van menselijke bemiddeling. Profeten, geschiedschrijvers, apostelen, waren mensen van hun tijd, geen ideële, boven hun tijd uitzwevende figuren, geen engelen. Ze waren in de manier waarop zij de geschiedenis beschreven heel andere mensen dan zij die tegenwoordig geschiedenis beschrijven, ze hadden een heel ander wereldbeeld dan het wereldbeeld dat wij er nu op na houden. Het historisch-kritisch onderzoek van de bijbel wil nagaan wat de historische bemiddeling inhoudt en als het goed is, als deze methode goed wordt toegepast, komen tot een beter verstaan van de boodschap van de Heilige Schrift. Anders gezegd: juist het onderkennen van de subjectieve geloofsfactor kan ons de bedoeling van het gebeuren doen verstaan. We moeten immers spreken van de relatie tussen het objectieve en het subjectieve. Slechts de relatie opent ons oog voor het werkelijke gebeuren. Betekent dit dat wij eerst het tijdgebondene moeten verwijderen om dan tenslotte het Woord van God over te houden? Juist niet (p. 37). Onderscheiden betekent niet van elkaar losmaken. Nogmaals komen deputaten uitvoerig terug op het relatiebegrip als zij op pag. 44 spreken over het verband tussen feit en zingeving, feit en (latere) interpretatie. De inbreng van de auteur heeft werkelijkheidswaarde, historische werkelijkheidswaarde. Maar wat is nu echt gebeurd? Dit zullen de lezers van het rapport zich natuurlijk afvragen. 'De ware toedracht', daar gaat het toch om! Het kan niet ontkend worden dat het rapport de ware toedracht, de historische realiteit, onderscheidt van het gebeuren zoals het door het geloof van 'tijdgebonden' auteurs wordt beschreven. Wel behoudt het element van de ware toedracht zijn betekenis. Een breuk tussen langs wetenschappelijke weg verkregen kennis en geloofskennis wordt afgewezen (p. 45)! Zij willen dus duidelijk niet de weg op van een gebeuren achter het door de Schrift verhaalde gebeuren, een soort heilsgebeuren dat met het werkelijke gebeuren niet zoveel te maken heeft. Zij denken meer, als ik hen goed begrijp, in de richting van het heilsgebeuren (dat zij ook wel het wérkelijke ge­beuren noemen) als de zin van het letterlijk in de Schrift verhaalde gebeuren. Het geloof verstaat de zin van het in de H.S. letterlijk verhaalde gebeuren. De zin is dan (nog eens, als ik het rapport goed versta) het eigenlijke gebeuren, de eigenlijke werkelijkheid.

Misschien dat het de lezers van dit artikel nu enigszins gaat duizelen. Wordt hier niet met woorden en begrippen gegoocheld om niet te zeggen dat er een spel van wordt gemaakt? Laat ik een voorbeeld gebruiken, een voorbeeld dat het rapport zelf naar voren haalt, namelijk de geslachtsregisters zoals wij die bij Mattheüs en Lukas vinden! Nog eens om de bedoeling van de rapporteurs op het spoor te komen en hun tot het uiterste recht te doen. Wij mogen volgens de Catechismus niemands woorden verdraaien, vandaar! De geslachtsregisters! In Mattheüs ontbreken verscheidene geslachten, de evangelist maakt er 42 van, in werkelijkheid waren het er meer. Waarom? Wel, 42 is een symbolisch getal. 42 is driemaal 14, zesmaal 7, 7 is het heilige getal der volheid. Zesmaal 7 wil zeggen... dat de volkomenheid van het werk van God in de voorbereiding van de komst van de Messias wordt aangewezen. Zesmaal volheid, aldus Herman Ridderbos in zijn verklaring. Mattheüs wijst het heilsgebeuren aan, de zin van de geschiedenis van het oude verbond namelijk de voorbereiding van de komst van de Messias. Deze voorbereiding is werkelijk in de geschiedenis geschied, ze is geen fabeltje, geen verdichtsel. Het getal 42 vertelt van een werkelijk gebeuren en doet dit merkwaardig genoeg in de weg van een 'fout'. Door middel van een 'fout' wordt werkelijke historie beschreven. Mattheüs was niet zo onnozel om niet te weten dat hij een 'fout' maakte. Hij volgde eenvoudig de gewoonte van die dagen. Iedereen kon weten dat hij op een bepaalde manier schreef. Zo werden geslachtsregisters in die altijd samengesteld. Geen volksverlakkerij dus. Dat zeggen wij westerlingen misschien. Zie je wel: de bijbel is onbetrouwbaar. Je kan er niet van op aan. Volgens mensen die zo denken moet alles kloppen, anders... Terwijl Mattheüs juist heel betrouwbaar schrijft. Hij ziet in geloof het eigenlijke gebeuren, beter: dat wat echt gebeurd is: heilsgeschiedenis. Ik heb in het voorafgaande de bedoeling van deputaten omschreven in eigen woorden, maar geloof dat ik de plank niet missla. Ik heb wel vragen waarover straks. Het gaat mij nu eerst om een zo goed mogelijke benadering van wat de makers van het rapport voor ogen stond."

We hebben, aldus Van Dijk te maken met de vraag naar de ware toedracht (vgl. b.v. de weergave van de zaligsprekingen die bij Mattheüs en Lucas verschilt), de door de Geest geïnspireerde interpretatie van de Evangelist, en de heilshistorie. Toch heeft Van Dijk ook zijn vragen:

"De eerste vraag heeft betrekking op de wonderen zoals wij die in de bijbel aantreffen. Er is een relatie tussen wat werkelijk gebeurde en het geloof waarmee het wonder wordt verteld. Dit is natuurlijk buiten kijf. Maar als het rapport ongemerkt overstapt van de relatie welke wij in de bijbel zelf vinden tussen de bijbelschrijvers en de gebeurtenissen, de woorden die ze weergeven, naar het geloof waarmee wij thans het wonder benaderen hoe dan? Mogen wij zeggen dat de intensiteit (mate van hevigheid) van de relatie (zoals zij nu in onze tijd bestaat) tussen God en mens bepaalt of wonderen mogelijk zijn? 'Niet ieder wonder staat immers even dicht bij wat wij als centrum van de openbaring zien en dus is er voor ons besef verschil in soortelijk gewicht.' Deputaten stappen hier over naar het geloof nu, in onze tijd. Het bepaalt welke wonderen mogelijk zijn, welke niet. Of heb ik hun bedoeling misverstaan? Het maakt groot verschil of ik het heb over de 'Binnenschriftuurlijke relatie' of over de relade zoals die nu tussen ons geloof en het in de Schrift verhaalde bestaat. Dit geldt ook van de normen die wij in de bijbel vinden. Als wij deze weg inslaan lopen wij gevaar dat wij de verhouding omkeren. Het geloof gaat dan bepalen wat voor ons gezag heeft en wat niet terwijl het nu juist de Schrift is die bepaalt wat wij geloven mogen. In de verhouding tussen Schrift en geloof staat de Schrift voorop en volgt het geloof dat zich naar het verhaalde voegt en er zich op beroept. Deputaten beweren zelf dat de Schrift gezag over ons heeft. Daarom plaatsen wij hier een vraagteken. Temeer omdat hetgeen wij over de wonderen lezen gemakkelijk over andere gegevens kan worden uitgebreid.

Hoever gaat met andere woorden het relatiebegrip? Is het louter 'binnenschriftuurlijk' of wordt het ook 'buitenschriftuurlijk' aangewend. Het laatste mag en moét mits wij de verhouding maar niet omkeren."

Ik meen dat Van Dijk inderdaad een problematiek heeft aangeroerd die het hart van de Gereformeerde Schnftleer raakt. Wie het relationele waarheidsbegrip ook betrekt op de relatie nu tussen ons geloof en het in de Schrift verhaalde, ontkomt er bijna niet aan toch weer te gaan schiften tussen wat nu wel en wat niet gezag heeft, waarbij het eigentijdse denken gemakkelijk kan heersen over de Schrift. Ook de vraag naar het gesloten karakter van de canon is hier in het geding. Het problematische van het rapport is m.i. dat hier geen helderheid over bestaat, waardoor m.i. zowel theologen als Van Dijk en Vlaardingerbroek die onverkort willen vasthouden aan het gezag van de Schrift als zij die door de nieuwe vrijzinnige theologie beïnvloed zijn, met dit rapport aan het werk kunnen. In dat licht laat zich de bezorgdheid die er geuit is verstaan. Men kan wel onderscheiden tussen feit en interpretatie als we maar bedenken dat wij gebonden zijn aan de gezaghebbende, door de Geest geïnspireerde interpretatie in de Schriften. Ook hier heeft Joh. 14 : 26 ons m.i. veel te zeggen.

Bovendien is het m.i. hachelijk om als inzet van een rapport over de aard van het Schriftgezag uit te gaan van een filosofische benadering van de waarheid. Zouden we niet verder komen als we, uitgaan van Joh. 14 : 6 waar Christus Zichzelf openbaart als de Waarheid. En de Schriften zijn het die van Hem getuigen. Nog onlangs heeft ook drs. H. de Jong in een interview in Kerknieuws gewaarschuwd voor een benadering van de Schrift van buitenaf met een filosofisch systeem. Licht wordt dan een norm gehanteerd die we niet in de Schrift zelf aantreffen.

Schriftkritiek en historisch-kritisch onderzoek

Het rapport maakt onderscheid tussen de beide hierboven genoemde grootheden. Kan dat? Is dat juist? Hierover schrijft dr. C. Bezemer in het Hervormd Weekblad van 26 februari het volgende:

"In het rapport wordt onderscheid gemaakt tussen Schriftkritiek en historisch-kritisch onderzoek van de Bijbel. Onder het eerste wordt verstaan: 'een kritische benadering van de Bijbel en zijn inhoud waarbij de mens aan de hand van zelfgekozen maatstaven bepaalt wat Woord van God (en dus geloofwaardig) is en wat niet'. Onder het tweede wordt verstaan: 'een aantal wetenschappelijke methodes... het wetenschappelijke werk, dat op grond van onderzoek en vergelijking van handschriften en oude vertalingen en ook op grond van onderzoek van de tekst zelf probeert zo dicht mogelijk datgene te benaderen wat in de oorspronkelijke handschriften van de bijbelschrijvers gestaan heeft'. Op zichzelf genomen moge dit onderscheid terecht zijn, maar het moet evenzeer duidelijk zijn, dat het één nooit los te maken is van het ander. Hoe komt men tot Schriftkritiek, die in het rapport goed beschouwd wordt afgewezen? Toch niet anders dan juist door het historisch-kritische onderzoek? Dat het laatste altijd noodzakelijk tot Schriftkritiek moet leiden zou ik niet graag willen beweren. Maar dat dit in vele gevallen wel zo is, daaraan behoeft niemand te twijfelen. De Schriftkritiek is nooit opgekomen vanuit de gemeente, maar wel vanuit de theologisch-wetenschappelijke arbeid. Daarom is het in het rapport gemaakte onderscheid tussen kritiek en kritiek slechts ten dele waar. Daarentegen zijn de gevaren, die de Schrift en de prediking bedreigen juist door de historisch-kritische onderzoekingen van de Bijbel levensgroot aanwezig.

Voorbijgaande aan de op zichzelf belangrijke kwestie van de mechanische en organische inspiratie, alsook aan de ethische normen, die de Schrift stelt, tenslotte nog iets over de volksverhalen in de Bijbel (eventueel volkse humor), die in het rapport gesteld worden tegenover de geschiedschrijving. Als voorbeelden worden genoemd: Lot en zijn twee dochters (Gen. 19 : 30-38) en David en Goliath (1 Sam. 17, terwijl in 2 Sam 21 : 19 i.p.v. David een zekere Elhanan wordt genoemd). Nu wekt het woord 'verhaal', wanneer het om de Bijbel gaat, bij mij altijd enige achterdocht op. Dit is nog meer het geval; wanneer men spreekt van 'volksverhalen'. Het rapport zegt: De Bijbel is een geschrift van verhalen'. De vraag is: elke inhoud wil men daarbij geven aan het woord 'verhaal'? Gaat het daarbij - om met Van Dale te spreken - om een gebeurtenis, die geacht wordt te hebben plaats gehad, of om een vertelling, een geschiedenis of een sprookje? Die verschillende mogelijkheden zitten er in. Welk criterium of welke criteria kunnen of mogen worden aangelegd om vast te stellen of we met een werkelijk gebeuren of met volkse humor of iets dergelijks van doen hebben? Wie maakt uit of bepaalde gedeelten in de Bijbel zijn opgenomen 'niet vanwege hun historische betekenis, maar vanwege hun religieuze betekenis?' Als dat inderdaad uitgemaakt kan worden, dan moet daaraan in elk geval het historischkritische onderzoek te pas komen, en dan zijn we in wezen, hoe men het ook wenden of keren wil toch bezig met Schriftkritiek."

Het is, dunkt me, het rapport toe te geven dat termen als historisch onderzoek, kritiek, literair onderzoek enz. vaak op een verwarrende wijze door elkaar gehaald worden. Stellig is de wijze waarop in de Schrift de geschiedenis beschreven wordt, anders dan moderne historici zouden doen. Destijds heeft Oosterhoff daar in een boeiende rede over feit of interpretatie op gewezen. Maar Oosterhoff stelde toen nadrukkelijk voorop dat ook de bijbelse geschiedschrijving waarbij het aankomt op Gods grote daden, beschrijving van feiten is. Het verkondigend element kan niet lo.sgemaakt worden van de feiten. Als men alleen maar bedoelt een onderzoek naar de Schriftinhoud, waarbij men eerbiedig luistert is daar geen bezwaar tegen, maar kan men, gelet op de historie, nu nog zo onbevangen spreken van historisch-kritisch bijbelonderzoek? Is dit vaak niet gedaan vanuit maatstaven die aan de Schrift vreemd waren? Zijn wetenschappelijke methoden waardenvrij? Verbergt zich daar vaak niet een gehele filosofie achter? Kortom, we raken hier aan vele vragen die een persoverzicht te boven gaan. Maar het zijn wel vragen waar ieder die in gereformeerde zin over de Schrift wil blijven spreken en toch de klip van het fundamentalisme wil ontgaan, zich rekenschap van zal moeten geven. Zo bezien vormt het rapport ook een uitdaging.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 maart 1981

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 maart 1981

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's