De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een beproefd prediker (2)

Bekijk het origineel

Een beproefd prediker (2)

Ds. B. van der Wal (1864-1924)

9 minuten leestijd

In verband met het karakter van dit hoofdstuk der beproevingen loop ik nu chronologisch gesproken even wat vooruit.

Het grote verlies

In verband met het karakter van dit hoofdstuk der beproevingen loop ik nu chronologisch gesproken even wat vooruit. In juli 1900 werd mijn vader, zoals reeds gemeld, predikant van de Herv. gemeente van Waddinxveen. Nog geen jaar daarna - in maart 1901 - overleed reeds zijn vrouw. In Utrecht had zij al veel getobd. De tegenslag bij het proponentsexamen deed geen goed. Verhuizing en woninginrichting vroegen veel van haar geringe krachten. In die eerste pastorie heeft zij weinig, gezonde dagen doorgebracht. Met geringe fluctuatie's ging haar gezondheidstoestand langzamerhand achteruit. Zij leed aan de toen zoveel voorkomende longtuberculose.

En dan komt op 24 maart 1901 haar einde. Mijn moeder was toen 32 jaar.

Het is duidelijk welk een zware schaduw dit verlies wierp op het pas, na zoveel inspanning, bereikte, met zoveel liefde aanvaarde, en van de kant van zijn eerste gemeente kennelijk zo gewaardeerde, ambtelijk leven van mijn vader. Mijn moeder was ten volle de grote liefde van zijn jonge, spontane hart geweest. En toen de grote ommekeer in het leven van mijn vader plaats vond, had dezelfde Hand, Die hèm uit de duisternis trok tot Gods wonderbaar licht, ook op haar hart beslag gelegd.

Alleen - terwijl bij mijn vader de grote verandering krachtdadiger en sneller leidde in de diepte der verbrijzeling en daarna naar de hoogte van de blijdschap des geloofs, heeft mijn moeder langer geworsteld met de vraag: is die rijkdom van Gods genade en die volkomen vergeving, dat kindschap Gods en dat eeuwige leven ook voor mij? Het is allemaal zo geweldig groot! En het spreekt allemaal niet vanzelf! Maar - met allerlei schommelingen van 'op' en 'neer' - het intens bezig zijn met deze vragen vormde toch de voortdurende ondergrond en achtergrond van haar leven. Dat maakte ook, dat zij de opofferingen, die aan de moeilijke studieweg verbonden waren, getroost mede droeg. En nu was het grote doel bereikt. Zij heeft het mógen beleven. Maar de krachten óm op deze nieuwe weg mijn vader te vergezellen, ontbraken. In haar hart was echter de zekerheid des geloofs sterk toegenomen. Geleidelijk was zij ook vertrouwd geraakt met de mogelijkheid van een vroegtijdig heengaan. Het ging haar wel aan het hart haar man en de 3 kinderen, die er nog waren (toen resp. 13, 11 en 2 jaar oud) achter te laten. Zij heeft daarover met God geworsteld, ons in Zijn handen overgegeven en tenslotte met grote zekerheid gezegd: God zal voor de kinderen zorgen. En Hij hééft het gedaan!

Haar heengaan op zondag 24 maart 1901, nog geen jaar na de intrede, was volbewust en zeer ruim: vrede, eeuwige Sabbat! Voor dat ogenblik wierp deze blik op de geopende deur ook voor mijn vader een vloed van licht over de donkerte van de dood. Maar de indruk van dat geweldige moment, is niet constant, al blijft zij levenslang. Maar de ledigheid is er dag aan dag. Het gemis van dit hart, dat zo warm klopte voor hem en zijn werk, overweldigt hem. Ds. C. Bouthoorn leidt de begrafenis op 28 maart. Bij het graf is gezongen: Psalm 68 : 2 en Psalm 84 : 3.

Nogmaals rouw

'God zou voor de kinderen zorgen' had zij die heenging, gezegd. Maar dat daarbij zou behoren, dat één daarvan ook nog in de eerste gemeente zou worden weggenomen, had niemand daaruit begrepen. En toch: 20 juni 1904 overleed het enige meisje, dat overgebleven was, het lievelingetje van haaf vader. Het was dezelfde kwaal als die van haar moeder, die al jaren dit jonge leven had ondermijnd, zodat school-en rustperioden elkander afwisselden; de laatste dan thuis en dan weer elders bij familie, vrienden of aan zee. Haar karakter: vrolijk en lief; en haar geloof: kinderlijk en oprecht, maakten dat mijn vader aan dit kind wel bijzonder verbonden was.

Op de rouwkaart staat ditmaal een verwijzing naar Marcus 10 : 14b: Laat de kinderen tot Mij komen en verhindert ze niet; want der zulken is het Koninkrijk Gods.

Dit sterven was voor mijn vader een bijzonder smartelijk gemis. Al jaren lang was hij, blijkens bewaarde correspondentie, bezorgd geweest. Reeds in 1902 lees ik: 'Als ze gelukkig sterven mocht in den lieven Heere en Heiland, ach, ze bleef voor vele smarten en lijden hier op aarde bewaard. Maar toch! o, ik kan van dat lieve kind niet af. Ze is vaak zo treffend eenvoudig en aantrekkelijk.' Telkens herkent hij ook karakter en levenshouding van zijn overleden vrouw in dit kind. Het is weer ds. Bouthoorn, die ook deze begrafenis leidt. Ik lees, dat jongelingen uit de gemeente haar gedragen hebben, de belangstelling groot was en bij het graf Psalm 68 : 10 gezongen is.

Conflicten

De onberouwelijke keuze leidt tot verwijdering van degenen, met wie men tevoren verbonden was in een levensbeschouwing en levenswijze, die uit een andere wortel stamde. Zo verging het ook mijn vader, toen hij de grote verandering in zijn leven onderging. Zijn vrienden begrepen niet, dat het sterven van een leerling en het uitbreken van een brandje, dat tenslotte toch nog goed afliep, zulk een ingrijpende uitwerking op het hart van mijn vader konden hebben en ook zijn hele levenspatroon zo radicaal konden veranderen.

Er is nog in mijn bezit een brief van een arts, die tot de vriendenkring van mijn vader behoorde, waarin deze aan hem schrijft, dat hij toch altijd iemand geweest is van een nuchtere, heldere kijk op het leven en van een onbesproken gedrag. Als hij eens wat rustiger weer over alle dingen nadacht, zou hij deze overdreven gevoelens wel weer kwijt raken en tot zijn vroegere vriendenkring terugkeren.

Het zal mijn vader inderdaad wel moeite gekost hebben de oude banden te verbreken. Maar de Schrift leert ons als het om Christus wil moet, scheidslijnen te trekken, zelfs al zou het eigen vlees en bloed raken.

Gymnasium en universiteit

Van onwelwillende behandeling op het gymnasium in Gouda, dat toch een neutrale school was, heb ik mijn vader weinig horen vertellen. Ook in zijn brieven is er weinig van te merken. Alleen stond hij afwijzend tegen de tendens alles wat er ook aan minder edels opkomt uit het hart van de mens in de literatuur te tekenen, al was het ook met nog zulke rake trekken. Mijn vader vond het voldoende modder modder te noemen, zonder in de kwalijk riekende substantie te gaan roeren.

Overigens heb ik de indruk, dat hij; als oudere leerling, met deze uitgesproken roeping, die hij ook bv. in zijn 'opstellen' (ik heb er nog) niet verborg, eer gerespecteerd dan miskend werd.

In Utrecht komen de tegenstellingen scherper uit. Als je dichter bij elkaar komt, heb je gauwer wrijvingen.

In een brief van oktober 1896 lees ik een ontboezeming van zijn teleurstelling over de manier, waarop prof. Baljon de brief aan de Galaten gaat behandelen. Mijn vader heeft gehoopt, dat hij daar iets zou horen in de geest van Luther's commentaar op deze brief. Maar inplaats van iets te horen van het radicale 'sola fide', wordt hij keer op keer gezet voor allerlei 'wetenschappelijke' kwesties, waarmee hij in de gemeente weinig of niets zal kunnen beginnen. Daarheen is hij op weg! En hij heeft haast! Teveel haast om.lang zich bezig te houden met de betrekkelijke waarde of onwaarde van allerlei inleidingsvragen, tekstcritische en exegetische details. Het is hem een rijstebreiberg, waar hij zo snel mogelijk doorheen moet.

Nu, hij is er ook niet langs heen gegaan. Hij heeft altijd bewaard allerlei college-dictaten o.a. ook van Baljon. Ze zijn keurig en nauwkeurig.

Maar de godgeleerdheid miste vaak een speurbare betrekking tot de levende God en miste daardoor ook enig levensverband met de wachtende arbeid in de gemeente.

Graag had mijn vader meer college in de psychologie gezien. Hij zou straks immers de herder van mensen moeten zijn, wier doen en laten met heel hun levenshouding tegenover God en mensen bepaald wordt door hetgeen er in dat geheimzinnige labyrinth, dat mensenziel heet, huist. Hij bedoelde dus een college in pastorale psychologie, maar dan wel om dat terrein te betreden met de lamp van het Woord.

Dat betekent niet, dat de wetenschap als zodanig mijn vader onverschillig liet. Hij heeft zijn zoons nooit de indruk gegeven, dat zij de studie maar zo spoedig mogelijk als een soort noodzakelijk kwaad achter zich moesten laten. Neen, hij stelde zijn beurs altijd royaal ter beschikking in verband met studieduur en studiemateriaal. Het is zeker niet aan hem te wijten, dat zijn zoons hun studie niet hebben voortgezet. De veranderingen, die waren opgetreden in de bezetting van de Utrechtse leerstoelen zullen daartoe ook hebben medegewerkt. Hij bleef in de pastorie belangstelling houden voor de theologische leesportefeuille van de ring. Ook terreinen buiten de theologie hadden zijn belangstelling. Ik herinner me in de laatste tijd van zijn leven nog zijn belangstelling voor de sterrenkunde, waarbij een goede sterrenkaart hem het oog naar boven deed richten. Ook bleef muziek de liefde van zijn hart houden. Hij gaf beide zoons een piano op hun kamer in Utrecht, toen zij student werden.

Maar bij alle ruimte van blik en van hart bleef hij het zoeken van de bewuste gemeenschap met God door de verzoening, die in Christus Jezus is, voorop stellen. Daarbij dacht hij in het bijzonder ook aan het werk van den Heiligen Geest in de harten. Hij speurde er naar bij zijn omgang met medestudenten. Hij verblijdt zich als hij in vertrouwelijke gesprekken met sommigen daar iets van ontdekt. Maar in zovele gevallen mist hij dit element bij de aanstaande pastores. Hij schrijft in een brief aan zijn schoonouders: 'als ik denk aan zovele jongelui, die daar zitten zonder enige ervaring, dan denk ik: 't Zal Gods grote ontferming wezen, als er onder zulke omstandigheden van ons nog iets terecht komt. Ik heb me echter tot taak gesteld om veel te praten over de enige weg tot behoudenis en hier en daar mocht ik onder de jongelui een verlangen vernemen om zo meer te horen spreken.'

Toch viel dit leggen van het accent op het leven des geloofs niet, altijd in goede aarde. Toen hij lid wilde worden van de theologenvereniging Excelsior, werd hij daarom bijna geweerd. Er was een beduidend aantal tegenstemmers. Men vond hem te 'zwaar'. Hij had het alleen te danken aan een aantal andere leden, die dreigden Excelsior te verlaten, als mijn vader geweerd werd, dat hij toch werd aangenomen.

Wat de professoren betreft, had hij, naar ik meen, nog de meeste affiniteit met prof. Lamers. Met hem had hij ook overleg gepleegd omtrent het, vlug na zijn kerkelijk examen, zich, laten examineren door een provinciaal kerkbestuur. Naar het oordeel van prof. Lamers was mijn vader er klaar voor. Op de vraag: ook voor Den Haag? was het antwoord: ook voor Den Haag. '

Het was een bittere ervaring in Den Haag van de aanstaande collega's een behandeling te ontvangen, waarin bepaalde afkeer van zijn geestelijke instelling bleek.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 maart 1981

De Waarheidsvriend | 18 Pagina's

Een beproefd prediker (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 maart 1981

De Waarheidsvriend | 18 Pagina's