De aard van het Schriftgezag (3)
Rapport Gereformeerde Kerken
Op 18 febr. ontvingen wij de officiële uitgave van het Rapport over De aard van het geschriftgezag onder de titel God met ons, ... over de aard van het Schriftgezag
God met ons
Op 18 febr. ontvingen wij de officiële uitgave van het Rapport over De aard van het geschriftgezag onder de titel God met ons, ... over de aard van het Schriftgezag (Kerkinformatie, dubbel speciaal nummer 113). Na zorgvuldige vergelijking met het onofficieel uitgegeven rapport, is mij gebleken, dat er enkele wijzigingen zijn aangebracht in de woordvorm. Vooral de moeilijk verstaanbare uitdrukkingen zijn vervangen door een eenvoudiger woordkeus. De meest ingrijpende verandering is, dat de inleiding, (Ten Geleide), die in het synoderapport te vinden is, in het officiële geschrift sterk is gewijzigd. Zo komt het gedeelte over ds. D. H. Borgers niet meer daarin voor, wat de introductie van het geheel ten goede komt. Ook is er nu meer duidelijkheid inde betekenis van de namen die onder de inleiding van het synoderapport stonden. In het officiële rapport zijn die vervangen door de namen van het Moderamen van de Synode. Wel worden de namen van de opstellers in de inleiding zelf nog genoemd, maar de klemtoon valt nu op de verschillende deputaten. Zo blijkt, dat de hoofdstukken door verschillende deputaten werden opgesteld. En dan wordt nog erbij vermeld, dat ook al wordt de strekking van het rapport als geheel door het gehele deputaatschap onderschreven, over bepaalde onderdelen verschil van opvatting is blijven bestaan.
Werkelijke eenstemmigheid?
Het laatste brengt toch weer een bepaalde onduidelijkheid in het geheel. Het wordt nu een raden naar wie met wat instemt of niet instemt. Er komen gedeelten in het rapport voor, waarbij ik me heb afgevraagd: hoe kan dr. H. B. Weijland of dr. J. Vlaardingerbroek dat nu hebben onderschreven? Maar uit de inleiding begrijp ik nu, dat het dan mogelijk is, dat ik als antwoord krijg: ten opzichte van dit onderdeel zijn zij met degene, die dit geschreven heeft, van opvatting blijven verschillen. Als dit laatste de bedoeling is van de bewuste zinsnede uit de inleiding, dan maak ik daaruit op, dat de eenstemmigheid toch niet zo groot geweest is. En vooral als een zelfde eenstemmigheid ook er achter gezeten heeft, toen in de synode over dit rapport gestemd is. Als men voorstemt, terwijl men toch over bepaalde onderdelen van opvatting verschilt, bestaat er toch niet een werkelijkse eenstemmigheid.
Of het moet zijn, dat men die 'bepaalde onderdelen' beschouwt als zaken van (volstrekt) ondergeschikt belang, terwijl dan met 'de strekking' van het rapport zijn wezenlijke inhoud wordt bedoeld. Maar dan blijft de vraag nog open, welke onderdelen dit dan zijn. Als ik denk aan het eerste hoofdstuk over het relationele waarheidsbegrip: is dat een onderdeel, of behoort dat tot de strekking van het rapport? Naar mijn inzicht is dat bepaald geen onderdeel, maar behoort dit tot de grondslag van de Schriftopvatting, die in dit rapport wordt gepresenteerd. Maar tegelijk denk ik dan: hoe kan het hele deputaatsschap dit hebben onderschreven, daar de kern van de nieuwe theologie hierin is geïntegreerd? Dit laatste hoop ik hierna uitvoerig aan te tonen.
Zo blijft dus de onduidelijkheid bestaan. Doorslaggevend is echter, dat nu de namen van het Moderamen van de Synode eronder staan, waarmee dit geschrift kerkelijk is geijkt. We mogen het rapport dus zien als een officieel document van de Gereformeerde Kerken, waarin zij haar schriftopvatting uiteenzet en daarin haar Schriftgeloof belijdt. Hoewel wij tegelijk nota ervan nemen, dat de Synode hier slechts 'een handreiking' (blz. 4) wil geven. Ik versta hieruit, dat men dit rapport zeker niet het gewicht van een belijdenis of een belijdend getuigenis wil toekennen, maar het beschouwt als een hulp vooral voor hen, die met het lezen en verstaan van de Bijbel moeite hebben. Dit laatste geeft ons intussen de vrijmoedigheid om de vraag te stellen, of deze hulp inderdaad geboden wordt. Tegelijk menen wij, dat wij toch, gezien de wijze van aandiening van dit rapport, mogen aannemen, dat hierin een aanzienlijk stuk huidig belijden van de Gereformeerde Kerken ligt opgesloten. Althans willen wij het voorlopig daarop houden, totdat het tegendeel blijkt. Maar nogmaals, het zijn (slechts) 'overwegingen'. Zij zijn dus discutabel. Met het oog op discussie worden zij zelfs aan de gemeente voorgelegd.
Dit laatste brengt mij nog weer tot een andere mogelijkheid om de algemene instemming ter Synode te verklaren. Is men met algehele instemming met dit rapport accoord gegaan, niet omdat men algemeen met de inhoud, of de strekking eens was, maar omdat men algemeen het goed en nuttig vond, dat dit rapport als discussie-stuk in de gemeente zou gaan functioneren? Als dit laatste zo is, dan krijgt de aanvaarding van dit rapport in de synode leen nog weer geringere betekenis. Maar ook hier blijft de zaak onduidelijk.
Overzicht van de inhoud
We gaan ons nu met de inhoud van het geschrift zelf bezighouden, en willen dan eerst de aandacht richten op de structuur ervan. Na het boven besproken Ten geleide van het Moderamen van de Synode volgt een Inleiding, die een overzicht geeft van de inhoud van het geschrift met daarbij een argumentatie en motivatie, waarom de indeling is uitgevallen zoals zij is uitgevallen. Daarna volgen de eigenlijke hoofdstukken.
Hoofdstuk I baant a.h.w. de toegang tot de vraagstelling van het rapport door informatie van en inzicht te geven in het waarheidsbegrip, dat bij de huidige lezer van de Bijbel verondersteld wordt en dat tegelijk ook met de Schrift zelf te maken blijkt te hebben. Het hoofdstuk heet dan ook: Veranderingen in het waarheidsbegrip. Het wordt in de Inleiding aangekondigd als een filosofische benadering.
Hoofdstuk II geeft in vogelvlucht aan de geschiedenis van het Historische kritisch onderzoek van de Bijbel. Dit hoofdstuk wil in de eerste plaats ook informatie geven, maar deze informatie wordt wel gegeven vanuit een eigen visie erop, die de informatie zelf in niet geringe mate stempelt.
Hoofdstuk III gaat na, hoe De Schriftbeschouwing in de geschiedenis van de Gereformeerde kerken zelf is geweest. Inderdaad kan daar het een en ander van worden verteld. Zij is zeer verhelderend, als het gaat om de achtergrond te kennen van het nu verschenen geschrift.
Hoofdstuk IV gaat dan (pas) in op de eigenlijke vraagstelling: De Aard van het Schriftgezag. Dit hoofdstuk vormt de hoofdmoot en is daarom weer onderverdeeld in een vijftal paragrafen:1. Inleiding, 2. De fundering van het Schriftgezag, 3. De historische betrouwbaarheid van de Bijbel, 4. De Bijbel als norm voor het leven, 5. Hoe vrij is de theologie?
Daarna volgt Hoofdstuk V, dat een meer pastorale gerichtheid heeft, en dat vooral appelleert op de noodzaak om nu langs de uitgestippelde weg samen verder te gaam, opdat de onvruchtbare tegenstellingen binnen de kerk en de gemeenten worden verzoend tot een vruchtbaar samen optrekken ondanks en juist ook dank zij de bestaande verschillen wat betreft de onderdelen.
De Inleiding
We willen onze bespreking van het geschrift nu inzetten bij de boven weergegeven indeling. Omdat daarvan uitdrukkelijk rekenschap wordt gegeven in de inleiding, gaan wij ons nu eerst op deze inleiding richten. Hier wordt aangegeven, waarom het eerste hoofdstuk over Veranderingen in het waarheidsbegrip in dit geschrift voorkomt en waarom het zelfs aan het begin staat. Volgens de Inleiding kon men daar niet omheen. Dit geschrift moest daarmee beginnen. Men erkent wel, dat het 'een tamelijk ingewikkeld hoofdstuk' is, en dat het probleem, dat erin behandeld wordt 'een moeilijk probleem van min of meer filosofische (wijsgerige) aard is'. M.a.w. men heeft gemeend, dat men met de filosofie moest beginnen. Het blijkt dan ook, dat het eerste hoofdstuk sterk wijsgerig is bepaald. Ik leid dat af uit het feit, dat hier over 'de waarheid' gesproken wordt in een algemeen anthropologisch (menselijk) kader. Terwijl datzelfde ook gebeurt als het over de mens gaat, en zelfs over God gaat. De naam God komt in dit eerste hoofdstuk maar zelden voor. Wel komen wij uitdrukkingen tegen als Stem, goddelijke Stem, Macht, Overmacht, dimensie van goddelijke Aanwezigheid, Tegenover. We kunnen er wel uit bevroeden, dat hier telkens God mee bedoeld wordt, maar de aanduiding is zo algemeen, zo vaag, en zó van de mens uit geformuleerd, dat we ons wel hebben afgevraagd, of hier toch wel gesproken wordt over de God van de Bijbel, de God van Abraham, Izaak en Jacob, de God en Vader van onze Heere Jezus Christus. Het geschrift zelf heeft de titel meegekregen: God met ons. Dat doet ons denken aan de naam Immanuël, Gods Zoon, onze Heere Jezus Christus. Opmerkelijk is, dat deze bijbelse naam in dit eerste hoofdstuk vrijwel niet voorkomt. Kennelijk is de toon daarvoor te wijsgerig, d.w.z. te zeer bepaald door wat van de mens uit denkbaar en zegbaar is.
Dit laatste krijgt nog een duidelijker accent, wanneer we nagaan, waarom met deze wijsgerige inzet moest worden begonnen. Dit wordt namelijk verklaard door het feit, dat men eerst heeft willen zoeken naar een antwoord op de vraag hoe het komt dat de Bijbel zo verschillend gelezen wordt en zo verschillend 'overkomt'. Blijkbaar heeft men dit beschouwd als 'een vraag vooraf', vóórdat men aan de Schrift zelf toekomt en de Schrift zelf aan het woord laat. Alsof de Schrift zelf niet op deze vraag een antwoord geeft. Men meent kennelijk, dat dit echter een wijsgerige vraag is, die dan ook op een wijsgerige wijze wordt behandeld.
Een wijsgerig 'opstapje'
Voordat wij nu op de inhoudelijke kant hiervan ingaan, wil ik eerst wijzen op het structurele aspect van deze benadering. Deze manier van behandeling doet ons sterk denken aan de vroegere scholastieke Schriftleer. Men wilde toen bewijzen, dat de Bijbel Gods Woord is. En men deed dat dan mede met behulp van wijsgerige en algemeen menselijke argumenten. De bedoeling was, om het Schriftgezag op deze wijze voor de mens alszodanig aanvaardbaar en inzichtelijk te maken. Nu dachten wij, dat het in de christelijke gemeente en zeker in een schriftgebonden theologie een algemeen aanvaard inzicht was geworden, dat de Schrift op zo'n scholastieke manier niet meer aanvaardbaar gemaakt kan en hoeft te worden. Maar nu blijkt, dat in dit geschrift deze weg opnieuw wordt bewandeld. Natuurlijk met heel andere argumenten dan vroeger-, maar wel met argumenten van dezelfde herkomst en hetzelfde karakter: namelijk filosofische, algemeen menselijke argumenten. En dat ook nu weer met dezelfde bedoeling: om op het spoor te komen, hoe de Bijbel 'overkomt' en ook om op het spoor te komen, hoe de Bijbel zo goed mogelijk en door zoveel mogelijk mensen als Woord van God erkend en ontvangen kan worden. Ook nu roept men de filosofie te hulp om hand-en spandiensten te verlenen. En zo is men in feite weer beland bij de scholastiek, zij het in eep nieuw gewaad.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 maart 1981
De Waarheidsvriend | 18 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 maart 1981
De Waarheidsvriend | 18 Pagina's