De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Impressies van synodezitting

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Impressies van synodezitting

De raad aan de school

12 minuten leestijd

Door de Raad voor zaken van Kerk en School is een gespreksnota opgesteld die verantwoording aflegt van de grondgedachten waardoor de Raad bij zijn begeleiding van het onderwijs namens de Hervormde Kerk geleid wordt.

De Raad voor de zaken van Kerk en School was op de najaarsvergadering vorig jaar van de synode om het beleid van de Raad toe te lichten. Er bleek toen zoveel kritiek te zijn op het beleid van de raad, dat het onmogelijk was binnen de geagendeerde tijd één en ander volledig te bespreken. Besloten werd toen om op de voorjaarssynode van dit jaar het beleid van de raad uitvoerig aan de orde te stellen. Op vrijdagavond 6 maart jl. vond een emotionele confrontatie tussen de Raad en de synode plaats. Zeer uitvoerig heeft dr. S. Meyers (Leiden) het beleid geanalyseerd en gekritiseerd. Van zijn betoog, dat te lang is om het geheel te plaatsen, nemen we het grootste deel hierbij op. Ds. P. Vermaat (Veenendaal), die voor het eerst als afgevaardigde van de classis Doorn de synodevergadering bijwoonde, geeft van het verloop van de zitting een korte impressie.

De Redactie


De Raad aan de School

Goede Raad is duur. U kent het spreekwoord. Maar soms kun je er erg om verlegen zijn. Om goede Raad. Een goede Raad.

En dat zijn we. Goede Raad voor de school. Dat is hard nodig. Want de christelijke school zit in een crisis. Zoals zoveel.

Koers en Evangelische Omroep besteedden er veel aandacht aan. En dat is nodig. Er worden vele vragen gesteld. Wat betekent de 'C' nog op de school? Kan iemand, die CPN stemt leraar zijn op een christelijke school?

Mogen in besturen en oudercorrimissies ook nietkerkelijke mensen zitting nemen? Kun je van sollicitanten nog vragen om de drie formulieren te ondertekenen? Trouwens, wat houdt dat eigenlijk in. Hoe moet het christelijk geloof gestalte krijgen aan het begin en aan het einde van de schooldag? En bij alles wat daartussen ligt!

Vragen genoeg. En ook al is goede Raad soms duur, we moeten het er graag voor over hebben.

Onze kerk heeft een Raad. De Raad voor kerk en school. Zij boog zich over deze crisis in.het onderwijs. Vooral in verband met het christelijk onderwijs.

En zij gaf Raad. Op de voorjaarssynode-vergadering. Een Raad van de Raad aan de School. Was het goede Raad? Ik vond van niet. En velen met mij.

Op een eerdere synodevergadering waren vragen gesteld aan deze Raad. Naar aanleiding van haar rapport 'de gegeven broeder' over de CPN-leraar van de christelijke Mavo in Katwijk, die van zijn bestuur geen vaste aanstelling kreeg.

Dat vond de Raad onjuist.

Zij argumenteerde dat met te zeggen: op de christelijke school gaat het niet alleen om het getuigenis, maar ook om de dialoog.

Een en ander werd uitgewerkt in een gespreksnota. Wel, het leverde ter synode heel wat gespreksstof op.

Mevr. Mulder (uit de classis Hoorn) vond het pleiten van de Raad voor een 'Ontmoetingsschool' geen goede raad van de Raad. Zij stelde duidelijk, dat de christelijke school, vooral in ónze tijd haar identiteit niet mag verliezen.

Ds. V. Tricht (Cl. Hilversum) vond dat onze synode kort geleden stoere dingen had gezegd over de kernbewapening, en in verband daarmee de Naam van Christus had genoemd. Dat moet onze kerk dan óók doen met het oog op de school. En ook hij vond de inhoud van de nota teleurstellend.

Ds. Meijers (cl. Leiden) hield een zeer indringend en grondig, betoog tégen de nota. Omdat ik hoop, dat wat hij gezegd heeft, uitgebreider vermeld gaat worden, volsta ik met zijn grote teleurstelling te verwoorden: 'de exclusiviteit van het christelijk geloof wordt in deze nota ontkend.'

De motie van ds. Meyers werd later met 17 vóór en 28 tegen verworpen. Opmerkelijk was, dat op de inhoud van wat ds. Meijers heeft gezegd eigenlijk nauwelijks is ingegaan. Misschien komt dat nog? Ds. M. v. Campen (cl. Bommel) toonde aan, 'dat de nota óók in tegenspraak is met Ord. 5 art. 4 van de kerkorde, waar juist staat 'dat de kerk in haar zorg voor de zaken van Kerk en school (werkt aan de kerstening van het onderwijs.'

Oud. v. d. Brugge (cl. Kampen) miste in de nota de bijbelse visie op het kind, op de volwassene, op de samenleving en óók op het onderwijs.

Ds. Kooistra (cl. Leeuwarden) herinnerde aan de theocratische visie van de kerkorde.

Ook ds. Balke (cl. Zwolle) uitte grote zorg over de teneur en de tendens van de nota.

Ds. Slenk (cl. Gouda) vroeg of het niet duidelijker was geweest, als de Raad in plaats van telkens te spreken over 'de andere situatie' gewoon openlijk had gesproken over 'de andere leer.'

Uit de stemming over de motie van ds. Meijers bleek hoe groot het ongenoegen was over dit werk van de Raad.

En dat was eigenlijk bedroevend, ook voor de leden van de Raad.

Vele uren van studie en overleg zullen de leden van de Raad, veelal kosteloos, aan deze nota hebben besteed.

En als je dan zó'n grondige kritiek te horen krijgt, dan lijkt mij dat ook voor hen bedroevend.

Of zouden ze dit tevoren hebben geweten? Uit de stemming bleek, dat de breedte van onze kerk niet in deze Raad is terug te vinden. Want er was óók geen minderheidsnota. Dat had ik nog willen vragen.

Hóe wordt zo'n Raad samengesteld? Maar, het was voor mij de eerste keer. Sommige vragen worden misschien automatisch beantwoord als je vaker 'ter synode gaat.' Het was de voorjaarssynode.

Maar het was koud! Op weg naar huis vroeg ik me af 'hoe komt de Geest in de Raderen', en 'hoe wordt het warm in en vanuit de Kerk? '

In Mattheus 16 vraagt Jezus eerst aan Zijn discipelen 'wie zeggen de mensen, dat Ik ben.' Blijkbaar moeten we dat weten, hoe anderen, ook buiten de Kerk over Jezus oordelen.

Daarna stelde Jezus een tweede vraag. 'Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben.' De Raad bleef, mijns inziens, bij de eerste vraag steken.

Dan is het geen goede Raad. Want alleen een positief antwoord op de tweede vraag geeft hoop voor de-kleine en de grote gemeente !

P. Vermaat, v.d.m.

Dialogische levensstijl?

Door de Raad voor zaken van Kerk en School is een gespreksnota opgesteld die verantwoording aflegt van de grondgedachten waardoor de Raad bij zijn begeleiding van het onderwijs namens de Hervormde Kerk geleid wordt. Dit rapport gaf aanleiding tot een uitvoerige bespreking ter Synode op 6 maart jl., en werd tenslotte met ruime meerderheid aanvaard.

Deze gespreksnota is o.i. onthullend, en wel in deze zin dat hij glasduidelijk maakt welke wissels het zijn die de kerk in haar beleid is overgegaan en nog overgaat. Onthullend ook vanwege de vanzelfsprekendheid waarmee wordt aangenomen en gesuggereerd dat ieder die in de praktijk van het onderwijs staat, met inbegrip van de Kerk in haar verantwoordelijkheid voor het onderwijs van haar kinderen, niet anders kan doen dan de Raad in zijn gedachtengang volgen, wil hij de aansluiting aan de werkelijkheid niet missen.

Wat hier nu volgt is één doorlopend protest tegen geest en inhoud van deze nota. Het is niet een protest, dat met vreugde wordt gedaan. Wij moeten ervan doordrongen zijn dat het in het onderwijs de werkers in het veld zijn die het maken moeten, en dat dit in dubbele mate voor het christelijk onderwijs geldt, omdat zij het zijn die het meest direkt geconfronteerd worden met de ontkerstenings-en ontbindingsverschijnselen in onze maatschappij. (.., )

1. De school die door de Raad wordt voorgestaan is inhoudelijk niets anders dan een kleine maatschappij.

Helder wordt ons door de nota de cultuursituatie getekend waarin wij, ook met ons christelijk onderwijs, terechtgekomen zijn. Onze cultuur kenmerkt zich vooral door pluriformiteit (veelvormigheid); er zijn niet slechts politiek-maatschappelijke tegenstellingen gegroeid die vandaag duidelijker dan ooit aan het daglicht komen, zowel buiten als binnen de scholen, maar ook religieuze: niet alleen diegenen die geen band met het christendom meer ervaren melden zich bij het onderwijs aan, maar ook Islamieten, die prijs stellen op onderricht vanuit de grondgedachte van de éne God; en iedere religieuze groepering brengt tevens zijn eigen zede mee. We moeten de nota dan; ook groot gelijk geven wanneer zij stelt dat het bewerken van wederzijdse ontmoeting niet alleen noodzaak is in deze tijd, maar zelfs opdracht. Christenen zijn mensen die, wanneer dat gevraagd wordt, bereid zijn rekenschap af te leggen van wat hén beweegt, en die geloven dat het geloof daar tegen kan, omdat het in het geloof om de Gód van het geloof gaat. Anders wordt het echter wanneer de verkenning van de situatie uit gaat lopen in een pleidooi voor een 'paedagogie van de ontmoeting.' (...)

Zo wordt vanuit de veelvormigheid van de maatschappij en de verantwoordingsplicht, die deze voor christenen meebrengt besloten tot net zo'n school als de maatschappij is. Binnen die school is dan de opdracht van de onderwijsgevende precies dezelfde als die van ieder christen in die maatschappij: verantwoording afleggen.

Het onderwijsgeven vanuit een christelijke levensvisie wordt daardoor danig beperkt: inplaats van de opdracht om op een, de verantwoording niet schurende, wijze het Woord en de daden Gods door te geven treedt een soort scheidsrechterfunktie van de onderwijsgevende. De docent moet erop toezien dat het rekenschap afleggen, de dialoog, fair verloopt, en dat er geen meningen worden opgedrongen omdat dit een werkelijke ontmoeting in de weg staat, en hij moet dit doen in het besef dat hij daarbij zelf nooit neutraal kan zijn, niet zo zeer omdat hij christen is, maar omdat het aan geen mens gegeven is neutraal te zijn.

De wissel die hier is overgegaan is deze dat vanuit de ervaring, dat de maatschappij in grote mate pluriform is geworden, beslpten wordt tot de opdrachtaan de christelijke school om óók pluriform te zijn, zodat in het onderwijs het begrip dialoog centraal komt te staan.

Nu menen wij dat wie de noodzaak van de dialoog ontkent niet alleen zijn tijd niet verstaat, maar ook het gebod van God miskent: de eigen opdracht waarvoor het christenleven in onze tijd zich ziet gesteld. Toch doet dit niets af aan ons oordeel dat hier de waarheid over het onderwijs uit de werkelijkheid wordt afgelezen. De opdracht om in pluriformiteit samen te leven levert een norm op en deze norm blijkt op gelijke wijze te gelden in de maatschappij als in de school. De naam van die norm is: dialoog.

Tegen deze gelijkstelling van school en maatschappij is het nu dat in eerste instantie ons verzet gericht is. Daarbij bieden we dan geen verzet tegen iets wat we de Raad in de mond gelegd hebben, maar tegen iets wat door de Raad herkend werd ook ter synode, als haareigen grondgedachte (...)

De gelijkstelling van maatschappij en school en de daarachter liggende vermaatschappelijking van het mensbeeld ervaren we als een verarming van en daarom als een bedreiging voor het onderwijs. De verantwoordingsplicht tegenover de Heere God wordt verhorizontaliseerd en de weg van het traderen, het vertellen en met gezag doorgeven van Gods grote daden, van de inhoud van het geloof, wordt geblokkeerd.

2. De maatschappij zoals de Raad deze ziet funktioneert voor haar als openbaring

De Raad wijst op twee begrippen die o.i. op zichzelf ook in het onderwijs zinvol en hanteerbaar zijn, nl. op de begrippen dialoog en getuigenis. Terecht signaleert de Raad dat deze begrippen voor misverstand openliggen. Het begrip dialoog, gesprek, kan.immers licht ontaarden. Daarom moet het afgegrensd worden tegen het misverstand dat de Raad de bedoeling zou hebben gesprekken binnen de school op gang te brengen die niets anders doen dan alles betrekkelijk maken, en waarin geen waarheid zou gelden. Eenzelfde gevaar bedreigt ook het begrip getuigenis: zo licht komt het over als iets wat van buitenaf wordt opgelegd, als indoctrinatie. Ook dit is o.i. terecht: het onderwijs vanuit de bijbel dringt niets óp maar dringt aan; christenen bepleiten geen stelsel, maar ze doen een inhoudelijk gevuld goed woord voor de levende God. De waarheidselementen van beide begrippen vat de Raad dan samen in een nieuwe term 'dialogische levensstijl.'

Wij achten dit een misleidende term. Ook wanneer we er de ogen voor open willen houden dat het de bedoeling van de Raad is in deze term het gezaghebbende karakter van het getuigenis mede te verwerken, worden onze bezwaren niet minder. In feite spreekt deze term uit, dat de levensstijl van de christen, en daarom ook die van dé onderwijsgevende, geheel bepaald dient te worden door het gesprek. Dat we met deze kritische kanttekening niet aan het vitten zijn, wordt bevestigd, wanneer we lezen dat een echte dialoog altijd 'de aanvaarding van de ander en van diens overtuiging' vergt. We moeten wel concluderen dat hier kennelijk sprake is van een dialoog tussen in wezen gelijkwaardigen, of het nu onderwijsgevenden of kinderen, christenen of moslems, christelijke of nietchristelijke kinderen zijn.

De taak die in dit proces van wederzijdse aanvaarding voor de docent overblijft is die van een soort scheidsrechter, van iemand die met zijn kritische aanweziglieid de processen begeleidt in de wetenschap dat passieve of neutrale tolerantie hem ontzegd is.

Hier doet o.i. de Raad een tweede stap op de ingeslagen weg. In de plaats van de inhoud van het christelijk geloof, van datgene wat door te geven valt, van het gezaghebbende, zo men wil van de norm, treedt iets anders: het respect voor de ander, niet als een houding die ons past - daarvoor valt te pleiten - , maar als een basis-waarde voor het christelijk onderwijs. Op die grondwaarde bouwt men dan de procesvorming binnen de school, en van die procesvoering hoopt men dat, dankzij de kritische aanwezigheid van de onderwijsgevende, het evangelie er uit komt. Hier worden o.i. op een verwarrende wijze de doelstelling van het christelijk onderwijs en de weg waarlangs men deze heden moet zoeken te bereiken door elkaar gehaald, met als gevolg dat de doelstelling in beginsel af­ hankelijk wordt gemaakt van de opstelling die een christen in een pluriforme maatschappij past.. Op onthullende wijze worden doelstelling en of stelling in elkaar gevlochten, met als gevolg dat de in deze tijd gevraagde opstelling tot een norm wordt in zichzelf (...)

Tegenover deze uit de situatie afgelezen doelstelling van het onderwijs blijven we een andere stellen, nl. dat het de bedoeling van het onderwijs moet zijn om jonge mensen toe te rusten tot een verantwoordelijke levenshouding vóór het Aangezicht Gods. Dat is heel wat anders dan wat de Raad de 'paedagogie van de ontmoeting' noemt, ook al weet ieder die het onderwijs kent hoe centraal de ontmoeting in het werk van de toerusting staat.

(wordt vervolgd)

dr. S. Meijers

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 maart 1981

De Waarheidsvriend | 18 Pagina's

Impressies van synodezitting

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 maart 1981

De Waarheidsvriend | 18 Pagina's