Waar is God?
'Mensen keren de kerk de rug toe'
Dezer dagen was ik te gast op een niet-christelijke scholengemeenschap, om in het het kader van lessen maatschappijleer voor hogere klassen iets te zeggen over politiek.
Dezer dagen was ik te gast op een niet-christelijke scholengemeenschap, om in het het kader van lessen maatschappijleer voor hogere klassen iets te zeggen over politiek.
Op de betreffende school was een enquête gehouden onder de leerlingen over het geloof in God. Slechts weinigen 'geloofden in God'. Maar er waren er ook maar enkelen, die atheïstisch waren, die helemaal niet geloofden in het bestaan van God. De meesten geloofden wel, dat er zoiets als 'een God' bestond. Dat is altijd weer merkwaardig. Wanneer mensen nadenken over het leven, over de herkomst van ons mensen, over het reilen en zeilen van deze wereld, dan breekt toch altijd weer een vaag besef door, dat het er allemaal niet zómaar gekomen is of zijn kan. Jaren geleden ontving ik een brief van een Duitse bioloog. Hij schreef mij, dat hij zijn hele leven atheïstisch was geweest maar tot de slotsom gekomen was, bij zijn bestudering van wat in de natuur voorhanden was, dat achter zo'n groots bouwwerk wel een grote Architekt moest staan. Het wetenschappelijk doorvorsen van Gods Schepping bracht hem tot de erkenning van het bestaan van God.
Zó bewust beleven de mensen het in de regel niet. Maar in de Romeinenbrief staat het duidelijk beschreven: 'Aangezien hetgeen van God kenbaar is, in hen openbaar is; want God heeft het hun geopenbaard. Want Zijn onzienlijke dingen worden, van de schepping der wereld aan, uit de schepselen verstaan en doorzien, beide Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn' (Rom. 1 : 19, 20).
Hoe nabij is God?
De vraag is echter hoe nabij God is in het menselijke leven. Hij is degene die in het hoge en verhevene woont. Hij bewoont een ontoegankelijk licht. Dat is een gegeven; dat het Woord zelf ons aanreikt. Maar evenzeer is waar wat de Schrift zelf zegt over het woord, het gebod dat ónder ons is: Het is niet verborgen, het is niet ver. Het is niet in de hemel om te zeggen: 'Wie zal voor ons ten hemel varen, dat hij het voor ons hale... Want dit woord is zeer nabij u, in uw mond en in uw hart, om dat te doen' (Deut. 30 : 12. 13).
God is ons in Zijn Woord zeer nabij gekomen. Hij is ons in het vleesgeworden Woord met name zeer nabij gekomen. God kon ons niet nader komen dan in de zending van Zijn Zoon. En toch, mensen ervaren die nabijheid vaak niet. De wereld ervaart die nabijheid niet, omdat Christus niet in de natuur, los van het Woord te ontdekken valt. Het Woord zelf moet eraan te pas komen.
Maar ook mensen in de gemeenten ontwaren die nabijheid vaak niet, omdat ze de ervaring van het Godsbestaan, de bevinding van het feit dat God ons in Christus is verschenen op deze aarde, missen.
Mensen, die nóóit de aanraking van de Geest hadden, hebben ook nooit werkelijk ervaren dat God ons nabij is. Velen van hen keerden de kerk de rug toe.
Adieu
Er is een boekje verschenen onder de titel Adieu, met als ondertitel 'mensen keren de kerk de rug toe.'. 'Velen hebben de kerk de rug toegekeerd, omdat zij niet konden geloven in de God die de kerk leerde of het niet eens waren met de houding van de kerk, die dikwijls alleen maar de gevestigde machten steunde', zo zegt het voorwoord. Ik citeer verder uit het voorwoord:
'Ons land is allang niet meer als een christelijke natie te beschouwen. (...)
Er zijn mensen die nog nooit een stap binnen de kerk gezet hebben, omdat hun ouders al geen lid van de kerk waren. Zij zijn niet gewend om naar de kerk te gaan, hebben ook geen uitgesproken bezwaren tegen het instituut kerk. Soms luisteren ze nog wel naar godsdienstige uitzendingen van radio en tv. Er zijn ook mensen die zeer bewust hun lidmaatschap opgezegd hebben vanwege de houding van de kerk in allerlei kwesties. Voor hen heeft de kerk haar geloofwaardigheid verloren. Dat hoeft niet te betekenen dat het evangelie voor hen aan geloofwaardigheid heeft ingeboet. On-kerkelijkheid ontstaat ook waar mensen vanwege de onaantrekkelijkheid van de kerk niet vóór de kerk willen kiezen. Ook zijn er mensen die vervreemd zijn van de boodschap van de kerk, omdat zij moeite hebben met de taal waarin de kerken hun geloofsinhoud uitdrukken. Er zijn er ook die niet in een God kunnen geloven.
Tenslotte zijn er nog mensen die, hoewel ze toch lid van de kerk willen blijven, dikwijls ook ernstige kritiek op het doen en laten van de kerk uitoefenen.
In het boekje volgen dan vele voorbeelden van waaróm mensen de kerk verlieten. Oorzaken zijn: kerkscheuringen (met alle spanningen in gezin en familie vandien), wetenschappelijke vorming (en dus verlies van de eenvoud van het geloof van thuis), te strenge opvoeding, de vraag "waar was God" (in Auschwitz b.v.). kritiek op kerkelijke activiteiten, toestanden en mensen, foutieve positiekeuze van de kerk(en) in ethische en maatschappelijk-politieke vragen, tegenstellingen tussen leer en leven in het gezin of in de gemeente in het algemeen, de drang om vrij mens te zijn, zonder bindingen van boven af.
Wie het boekje leest - en dat is aanbevolen, juist ook vanwege de openheid, waarmee de motieven van kerkverlaters worden verwoord - komt onder de indruk van wat mensen beweegt om met de kerk te breken. Maar dit komt vooral ook onder de indruk van het feit, dat mensen kennelijk in de kerk God niet hebben gevonden voor hun persoonlijke leven. Ze hebben de levende ontmoeting door de Geest met Christus, die ons zozeer nabij gekomen is dat Hij in ons menselijke vlees is ingedaald, niet ervaren.
De ex-gereformeerde dichter Jaques Hamelink, die 'nee' gezegd heeft tegen het geloof, waarin hij is opgevoed, zegt het zo:
'Bij mijn weten heb ik maar één keer gebeden. Ik zal toen ongeveer tien jaar geweest zijn. Op een keer toen ik 's avonds thuis kwam, waren mijn ouders er niet. Ik ging ze zoeken, en toen ze onvindbaar bleken raakte ik in paniek. Maar terwijl ik bad dacht ik al: 'het helpt niet, het helpt niet. Dat luistert niet, want dat is er niet'.
Niet lang daarna haatte ik milieu en geloof gelijkelijk en als de pest. Op mijn achttiende jaar weigerde ik verder nog naar de kerk te gaan.'
Ervaring
We kunnen kennelijk in de kerk zitten, de verkondiging van Gods nabijheid in Christus aanhoren, en toch: God is er niet! Het komt niet óver ons maar het gaat over ons. Het komt er toch op aan, dat God in ons bestaan werkelijk binnenkomt, dat wij hem kennen (dat is: bekennen) en zo ook bevinden.
Ook in het leven van het geloof kan er weliswaar de klacht zijn: waarom staat Gij van verre? Ook dan kan er de schreeuw zijn 'Och dat Gij de hemelen scheurdet en nederkwaamt'. De Psalmen zijn vol van de klacht, dat de Godservaring wordt gemist. Maar die klacht is er wèl steeds vanuit de werkelijkheid van de eenmaal ervaren ontmoeting.
Prof. dr. K. H. Miskotte schrijft in zijn boek 'Kennis en Bevinding' over 'geloof bij de Gratie Gods', dit naar aanleiding van Lukas 22 : 31. 32, waarin het gaat over de satan, die zeer begeerd heeft Simon (Petrus) te ziften als de tarwe en over het gebed van Jezus, dat zijn geloof niet zou ophouden. Miskotte zegt dan:
'Maar... niet voor niets heb ik toch God ontmoet. ...' het kan toch geen waan geweest zijn.
Zo dacht Petrus ook: hij had in Christus' naam de duivelen uitgeworpen en met Hem gewandeld op de hoogsten der aarde, hij had de Messias gezien, hoe door Zijn armoede heen de schoonheid der hemelen straalde op de berg der verheerlijking, hij had het goede woord Gods gesmaakt en de krachten der toekomende eeuw. O... deze schat der ervaringen, deze rijkdom der kennis... als dit zelfs ook vergaan kon, werd immers alles zinneloos. Merken we nu, dat óók in de gelovige zo iets kan zijn als wat we tevoren noemden: de saamsmelting van zelfbewustheid en radeloosheid?
Wij kunnen het niet uitdenken, hier is een engpas, een ijlte waarin wij duizelen, waarin we ons slechts staande kunnen houden, voor een ogenblik, door te vragen: maar... (zoals Petrus stellig had willen vragen) maar, dat méént Gij niet, o Heere Jezus, zèg dan toch, dat het niet waar is...'
Wie God ontmoet heeft kan Hem niet meer missen, juist als hij Hem mist. Het Godsgemis drijft tot de schreeuw om God. Dat is het verschil tussen de levende klacht van hen, die Hem ooit hebben ontmoet. Hem hebben ervaren in het gewaad van Zijn Woord door de werking van de Geest èn hen, die kerkverlaters zijn omdat ze God nooit hebben ervaren in de realiteit van hun zondige bestaan, als de God des levens.
Iemand heeft eens gezegd, dat kerkbanken van vandaag de onkerkelijken van morgen bevatten. Wie echter werkelijk de ontmoeting ervaren heeft, wie ervaren heeft dat God God is, zal het buiten Zijn Woord, zoals het ook in de verkondiging tot ons komt, niet kunnen stellen. Daarom is een boekje getiteld 'Adieu', afscheid van God, héél betrekkelijk. Het is een sociologische benadering van 'geloof' wat géén geloof is en was. Al neemt dit niet weg dat we ernstig luisteren moeten naar wat kerkverlaters beweegt tot hun stap om te breken met de kerk, en daarin met de verkondiging van de ene Naam tot behoud gegeven. In die verkondiging zal intussen het element van de werkelijke ontmoeting met God, van de verborgen omgang met Hem een centrale zenuw moeten zijn, wil de prediking het hart van mensen bereiken.
N.a.v. Adieu, mensen keren de kerk de rug toe; uitgave Jongbloed, Leeuwarden, ƒ 12, 50.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 maart 1981
De Waarheidsvriend | 18 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 maart 1981
De Waarheidsvriend | 18 Pagina's