Dialogische levensstijl? (vervolg)
Blz. 5 van de nota stelt niet alleen dat de christelijke school, dat is de school zoals de Raad deze begeert te bevorderen, ontmoetingsschool moet zijn, maar tevens dat de christelijke school de ontmoetingsschool bij uitstek is.
De Raad voor de zaleen van Kerk en School was op de najaarsvergadering vorig jaar van de synode om het beleid van de Raad toe te lichten. Er bleek toen zoveel kritiek te zijn ' op het beleid van de raad, dat hefonmogelijk was binnen de geagendeerde tijd één en ander volledig te bespreken. Besloten werd toen om op de voorjaarssynode van dit jaar het beleid van de raad uitvoerig aan de orde te stellen. Op vrijdagavond 6 maart jl. vond een emotionele confrontatie tussen de Raad en de synode plaats. Zeer uitvoerig heeft dr. S. Meyers (Leiden) het beleid geanalyseerd en gekritiseerd. Van zijn betoog gaven we vorige week het eerste gedeelte door. Thans plaatsen we (enigszins bekort) het tweede deel.
Redactie
3. Het kind op deze school funktioneert als een kleine volwassene
Blz. 5 van de nota stelt niet alleen dat de christelijke school, dat is de school zoals de Raad deze begeert te bevorderen, ontmoetingsschool moet zijn, maar tevens dat de christelijke school de ontmoetingsschool bij uitstek is. In de ontmoeting ligt het christelijke en omgekeerd. Op grond daarvan bepleit de Raad een ontdekkingstocht van het christelijk onderwijs waarop het kind wordt meegenomen. Per definitie is daarom de christelijke school 'open'. Hier wordt dus meer gezegd dan dat het christelijke in de weg van ontmoeting dient open te gaan: het christelijke wordt met die ontmoeting gelijkgesteld. Als gevolg daarvan dient dit de fundamentele les te zijn die het kind moet leren: ontmoeting in openheid.
Ons eerste bezwaar is hier al dat de begrippen 'openheid' en 'geslotenheid' tegen elkaar worden uitgespeeld, het eerste ten koste van het laatste. Bij het maken van deze tegenstelling valt er iets tussenuit, nl. de geborgenheid. Dat is ook niet te verwonderen wanneer we ons herinneren dat eerder het gezag van Godswege naar de achtergrond werd verwezen. Gezag en geborgenheid hebben alles met elkaar te maken. Dat er gezag van Godswege is, is een dienst van God aan de mensen, een gave. Het gezag is er niet alleen om je ernaar te richten, het is ook iets om op te leunen. De Here is ook de Grote Iemand Die voor ons uitkijkt, opdat we niet verloren zouden lopen. Wie aan mensen, en zeker aan kinderen, dit gezag onthoudt ontneemt hun een recht: wij zijn aan elkaar, zeker aan onze jongeren, dit gezag schuldig, zoals Paulus zich een schuldenaar wist aan Jood en heiden vanwege het aan hem toevertrouwde apostolische gezag. Door het overslaan van het begrip 'geborgenheid' moffelt men weg wat in Psalm 78 staat over het langs de weg van de geslachten nauwkeurig doorgeven van de daden Gods, omdat deze beslag willen leggen op ons leven, iets wat in iedere Joodse paasviering uitdrukkelijk gestalte ontving. Dit eerste bezwaar leidt zo het tweede in: zakelijk wordt het kind hier behandeld als een kleine volwassene, en heeft het opgehouden een eigen projekt, ontwerp, van de Here God te zijn, een bijzondere opdracht aan ouderen. Het kind is o.i. geen kleine volwassene, maar een kind, en dient als kind door ouderen serieus genomen te worden, en in de bijbel gelden daar regels voor.
Zo zijn we dan via de omweg van de dialoog terechtgekomen bij het liberalisme. Wie oude foto's beziet van ouders of grootouders uit hun kindertijd wordt getroffen door ditzelfde beeld van het kind als de kleine volwassene. De kleding verraadt hoezeer grootzijn het ideaal is dat aan het kind wordt opgedrongen: de kwikjes en strikjes, de laarsjes en het hoedje, verraden het; hier staat een burgertje-in-de-dop voor ons aangezicht. Sindsdien is het ideaal van de burgerlijkheid voorbij gegaan. Maar heden, in de tijd van communicatie en dialoog, geschiedt opnieuw hetzelfde als vroeger: het kind wordt door de Raad als een kleine volwassene voorgesteld en behandeld, doordat het door de onderwijsgevenden wordt opgezadeld met de volle verantwoordingsplicht van het mondig leven voor Gods aangezicht. Daarom mocht op de synode ook niemand iets over het kind als kind zeggen, en zeker niet dat het 'nog maar' een kind was. Het kind diende eerder als ideaalbeeld, als model voor de volwassenen. Het was immers nog niet gefrustreerd; het nam de mensen en de dingen zoals ze waren; het ging ons vóór op de weg van de dialoog.
O.i. keert hier met het liberalisme de tijd van de romantiek terug. Het leren mét het kind - zij het dan dat de les van de ouderen een andere is dan die van het kind - is geworden tot het leren van het kind, met de onderwijsgevende als eerbiedig scheidsrechter in de buurt.
Wij vragen: heeft de openbare school - de ontmoetingsschool zoals deze door minister Pais geïntroduceerd is - er nu echt om gevraagd om op deze wijze 'gedoopt' te worden? Momenteel kan men uit liberale hoek horen dat het christelijk onderwijs toch vooral christelijk moet blijven. Wij begrijpen wel dat aan dit pleidooi ook iets is wat niet deugt: men wil het onderwijs-met-de-bijbel terugdringen binnen de verzuiling, er een ghetto van maken voor een bepaalde - christelijke - bevolkingsgroep zodat de werfkracht er uit is. Toch zien op dit punt de liberalen blijkbaar scherper wat er aan de hand is dan onze Synode. Daarom houd ik het ervoor dat deze nota achterhaald was op het moment dat hij werd geschreven. Hij is ouderwets en repeteert het verleden in een nieuw jasje.
Nadat ds. Meyer nog uitvoerig gesproken had over het feit dat de buitenwereld in de nota als 'het materiaal van de zelfontplooiing' funktioneert, besloot hij als volgt:
'Het moeilijke bij discussies als die tussen de Raad en ons is dit, dat zo spoedig vertekening optreedt in het beeld dat we van elkaar hebben. Wie, als wij, pleit voor het vasthouden aan de rijke en brede doelstelling van het onderwijs-met-de-bijbel wekt gemakkelijk de indruk een dogmatist te zijn, die zijn tijd niet begrijpt en niet tegemoet wil komen. Wie inzet bij de situatie en deze maatgevend maakt heeft daarentegen het voordeel dat hij in eerste instantie overkomt als degene die zijn tijd verstaat en van het werkelijke leven met zijn problemen wéét heeft.
Beide tekeningen doen onrecht. Wij hopen in het bovenstaande duidelijk te hebben gemaakt dat men vanuit het vasthouden aan de doelstelling van het onderwijs wel degelijk de verantwoordingsplicht als een centraal gegeven in het onderwijsproces kan accepteren, zij het dan niet als een opdracht die ontleend wordt aan de situatie, maar als één die ontleend wordt aan de opdracht Gods in de situatie, een opdracht die vervuld moet worden vanuit de 'wetenschap dat er bij de overdracht van het evangelie heel wat meer aan de hand is dan alleen verantwoording afleggen en dialoog. Anderzijds moge het situationisme dan van zijn kant de schijn van openheid mee hebben, maar wanneer men correctie wil aanbrengen en iets aandragen uit de eigen leefwereld, vanuit de overtuiging dat het uit de Schrift stamt, dan blijkt hoe dogmatisch het situationisme is: het heeft uitsluitend oog voor het eigen gelijk, en alles daarnaast of daar bovenuit ervaart men als bedreigend. Dit bevestigt dan weer wat wij in onze vierde stelling betoogden.
Wij signaleren deze dingen niet zonder bewogenheid. Deze gelden niet alleen de scheiding der geesten die zich ook in de kerk voltrekt, maar ook de werkers in de scholen zelf, met name hen die vaak het gevoel hebben aan het eigenlijke dat zij in de scholen te doen hebben niet toe te kunnen komen vanwege de allesbeheersende verantwoordingsplicht, die hen op hun laatste linie terugwerpt. De door ons besproken nota sust in feite hun geweten: ze hóeven geen kwaad geweten te hebben, niet meer te lijden aan hun onmacht. Er heeft toch dialoog plaatsgevonden? Inplaats van dit gesuste geweten bepleit ik het getrooste geweten dat iemand hebben mag die gedaan heeft wat hij kon, ook al weet hij dat het onder de maat was en dat de situatie hem daartoe dwong, om hem te verwijzen naar de vergeving der zonden, waarin alles besloten ligt.'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 maart 1981
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 maart 1981
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's