Uit de pers
Jezus en het Jodendom
Aan de VU is benoemd tot hoogleraar in de Judaïstiek, het onderwijs in en bestuderen van het Jodendom, de Kamper nieuwtestamenticus, dr. C. J. den Heyer. VU Magazine (maart 1981) had een gesprek met hem. In dat gesprek kwam uiteraard onder andere ter sprake de relatie tussen joden en christenen, de betekenis van het Oude Testament. Den Heyer wees er op hoe christenen soms vreemd aankijken tegen het Oude Testament, terwijl anderzijds in het Calvinisme, op voetspoor van Calvijn, het Oude Testament hoog gewaardeerd wordt. Toch zijn er verschillen tussen joden en christenen inzake de uitleg. Dat heeft te maken met de visie op Jezus.
Toch merk je dat in het gesprek met joden het Oude Testament heel anders gaat klinken. Wij bekijken het vaak met een westerse bril en vragen dan of de verhalen wel 'echt gebeurd' en historisch zijn bij voorbeeld. Wij gaan het te lijf met allerlei kritische onderzoekmethoden, maar dat is niet de manier waarop de joden er zelf tegenaan kijken.
O ja, wij christenen hebben wel eens moeite met het Oude Testament.
En toch is het goed je te realiseren dat het liefdesgebod van Jezus een citaat is uit het het Oude Testament, Levitikus 19.
Dus de gedachte dat het 'nieuwe' van Jezus 'em in het liefdesgebod zit, is niet juist.
Wat is dan het nieuwe van Jezus?
'Wij hebben veel te gemakkelijk 'liefde' gezegd. Of 'genade'. Terwijl het hele Oude Testament vol staat met verhalen van een genadige God. Zelfs de Wet is genadig, want het zijn regels waarmee mensen uit de voeten kunnen.
Het unieke van Jezus zit 'em dan ook, denk ik, in zijn persoon en optreden. Hij riep sterker dan ooit op tot bekering omdat het Koninkrijk Gods nabij was in zijn visie. Dat is het centrum van zijn boodschap, een oude profetische boodschap die opnieuw aktueel werd. Jezus kwam niet om de Tora of de wet af te schaffen, zoals wel eens gedacht wordt, maar om die te vervullen, tot volheid te brengen en opnieuw te onderwijzen.'
Was Jezus dan een joodse profeet? Moeten we ons in dat geval dan niet gewoon weer een joodse sekte noemen in plaats van christenen?
'Uiteindelijk gaat het om de opstanding. Jezus beeldde zijn sterke verwachting van het Koninkrijk Gods uit in het genezen van zieken, het uitdrijven van boze geesten, het bevrijding verkondigen aan gevangenen en het verheffen van armen. En dan lijkt zijn weg ineens dood te lopen. Dat is het lot van mensen die het goede willen en strijden voor recht en gerechtigheid.
Hun wegen lopen dood, ze worden gemarteld en om het leven gebracht. Ook Jezus wordt gekruisigd. Maar uitgerekend deze weg wordt door God in de opstanding aangewezen als niet-doodlopend. Dat geeft mij moed, dat geeft mij zekerheid als ik naar de toekomst kijk: deze weg, dé weg, loopt niet dood.
Het is moeilijk om over het 'unieke' van Jezus te praten. Het zit 'em denk ik in het aanwijzen en ontsluiten van die weg.'
Een moeilijk onderwerp, stellen we vast. 'De ene keer lukt het dan ook beter om het goed onder woorden te brengen dan de andere keer' laat Den Heyer zich ontvallen. 'Ik probeer het zonder grote woorden te zeggen. De dogmatiek heeft allerlei grote woorden gebruikt, maar ik zeg het liever in gewone woorden.'
Hij denkt bij 'grote woorden' bijvoorbeeld aan termen als 'Zoon van God', een moeilijk begrip dat hij liever omschrijft als de uitdrukking van wat mensen in Jezus ervaren hebben. 'Jezus geeft zich zelf geen namen in de evangeliën, de mensen geven namen en zeggen dan 'Zoon van God'. Dat is op zich nog geen unieke naam. Mensen die in opdracht van God leven en werken, worden in het Oude Testament ook met deze naam aangeduid.'
Een gesprek waarin vele onderwerpen de revue passeren, is geen systematische uiteenzetting over een bepaald onderwerp. Het is dus riskant iemand op interviewuitspraken helemaal vast te pinnen. Toch geeft een gesprek wel iets weer van de richting van iemands denken. In dit geval van het denken van dr. Den Heyer over Jezus. En dan roepen zijn uitlatingen toch geweldige vragen op.
Is het unieke van Jezus niet de Messianiteit van Jezus? Ik denk aan de pericoop die in deze weken in de kerken nog wel eens gelezen zal worden over het verhoor voor het Sanhedrin (Marcus 14 : 53-62). Staat tussen Paulus en de Joden niet de prediking van een gekruisigde Christus, gestorven om onze zonden, opgewekt om onze rechtvaardiging? Bij Den Heyer wordt, althans in dit gesprek, alles toch wel erg in het menselijk vlak getrokken, de martelaar die sterft voor een goede zaak, maar wiens weg niet doodloopt. Kan men het zwijgen hierover afdoen met 'de grote woorden' van de dogmatiek? Is dit eerlijk ook tegenover Joden? Is wat Den Heyer zegt over de naam Zoon Gods inderdaad het getuigenis van evangelisten en apostelen? Kan men de zelfopenbaring van Jezus op deze wijze in de nevels van menselijke ervaring laten opgaan? Wat moet ik dan aan met Mattheüs 11 : 27 vv., met Jezus getuigenis voor Kajafas, met de woorden van het vierde Evangelie over Christus' relatie tot de Vader?
Den Heyer is een van de medewerkers van het rapport over het Schriftgezag. Je vraagt je toch af: Is er verband tussen de teneur van dit rapport en de uitspraken in dit interview? Stellig is bestudering en beoefening van de Judaïstiek een belangrijke zaak. Maar van een universiteit die een christelijke universiteit wil zijn, mogen we bij alle wetenschappelijk invoelingsvermogen en objectiviteit toch duidelijkheid verwachten, zeker als je op deze leerstoel geen Jood, maar een christen benoemt. Dan kun je het nog zo gewoon willen zeggen, maar we hebben m.i. niet het recht om het anders te zeggen dan de Schrift het ons voorzegt, juist terwille van een eerlijk gesprek met Israël.
***
De kleine gemeente
In het blad 'De Wekker' zijn een aantal artikelen verschenen van de hand vanprof. dr. W. v. 't Spijker over de kleine gemeente als mogelijkheid tot aktivering van de huidige gemeente en hergroepering van de gelovigen die nu vaak verdeeld zijn over verschillende kerken! Voorts zou een kleine groep meer werfkracht bezitten naar buiten. Het plan is niet nieuw. In de geschiedenis van de kerk is het voor en tegen op allerlei wijze aan de orde geweest:
Nu komt het er op aan, orn de bezwaren die in de loop van de kerkgeschiedenis zijn ingebracht tegen de idee van de kleine kerk, nog eens weer voor ons te hebben. Een groot bezwaar was altijd de groepsvorming. In de kerk, als het Lichaam van Christus gaat het niet om de groep, om de kleine kring van eensgevoelende mensen, maar in de kerk gaat het om' het wonder van de kracht van het bloed van de Heere Jezus Christus. Wanneer men dit bezwaar overweegt, dat van de groepsvorming, moet ons wel heel duidelijk zijn dat we daarmee raken aan een van de grootste bedreigingen van de kerk des Heeren. Een tweede bezwaar, dat met het eerste samenhangt is, dat binnen het groepsmatige denken geen ruimte blijft voor een gezond kerkelijk besef. Ik bedoel op dit ogenblik niet te spreken over het besef, waarin men zich rekenschap geeft van een eigen persoonlijke kerkelijke keuze. Van hoe groot belang dit ook is, daarover hebben we het nu niet. Met kerkelijk besef bedoel ik, dat een gelovige de kerk voluit zal blijven zien als een middel dat God gebruikt om Zijn kinderen onder de band van het Woord en van het verbond te brengen. De prediking, van het Woord en de bediening van de sacramenten, in één woord, de middelen der genade worden zo heel gemakkelijk veronachtzaamd en daarmee stellen wij onszelf buiten de weg, die de Heere in zijn genade heeft gekozen om de Zijnen tot het heil te brengen. Onder gezond kerkelijk besef verstaan we derhalve hier niets anders dan het erkennen van déze weg van de Heere. De geschiedenis toont aan, dat overal waar het gezelschap, de groep of het conventikel aan invloed wint, tegelijkertijd doop en avondmaal en ook de bediening van het Woord, de bediening van de sleutelmacht van de kerk aan betekenis inboeten. Terecht heeft men derhalve in het verleden op dit punt tegen het vormen van kleine groepen bezwaar ingebracht. Op den duur vervreemden zij de mensen van de kerk. Elk geestelijk reveil vloeit daarom in de geschiedenis altijd weer weg, tenzij het leidt tot reformatie van de kerk.
Toch kunnen we de zaak hiermee niet afdoen. Eerlijk zelfonderzoek is binnen de kerken geboden. De vragen vanuit vrije groepen kunnen we niet negeren. Beleven we nog wat we belijden? Is er vaak niet veel verschraling? Wanneer de prediking van de verzoening niet meer gelovig verstaan en beleefd wordt, taant ook de gemeenschap der heiligen. Want de vergeving vormt het hart van die gemeenschap.
Van 't Spijker wil het appel dat er van de roep om de kleine gemeente uit gaat honoreren, maar de zaak in het centrum aanvatten. Centrum van de gemeente is de bediening van de verzoening door Woord en sacrament. Ambtsdragers hebben de roeping de gemeente te aktiveren.
Misschien is één van de winstpunten, die de vraag om de kleine kerk ons oplevert wel deze, dat we, meer dan voorheen, weer oog hebben gekregen voor de gemeente als gemeenschap der heiligen. Het laat zich niet ontkennen, dat het verenigingsleven dat in vele gemeenten bloeide, op een bepaalde manier een uitdrukking was van onderlinge verbondenheid. En in vele gemeenten is dit nog het geval. Maar het laat zich evenzeer niet ontkennen, dat déze vorm van gemeenschapsoefening in vele opzichten historisch bepaald was: het is een verschijnsel uit de vorige eeuw vooral, waarin allerlei verenigingen werden opgericht. Vandaag verdwijnt deze figuur in heel het maatschappelijk en ook in grote delen van het kerkelijke leven. Men mag het betreuren, maar het is niet anders. Maar de kerk heeft het eeuwen lang zonder verenigingen gedaan. En nu dit hulpmiddel van onderling contact wegvalt, zal in een andere en misschien in een meer kerkelijke vorm uitdrukking moeten worden gegeven aan de gemeenschap der heiligen. En wat is dan natuurlijker en meer in overeenstemming met een levend kerkelijk besef, dan dat de leden der gemeente in een bepaalde wijk bijvoorbeeld onder leiding van de wijkouderling op vaste tijden bijeenkomt. Niet om daar de functies van de kerk in bediening van Woord en sacrament over te nemen , maar om daar op kleinere schaal met elkaar te zoeken naar het concrete verstaan van het wonder van de genade voor eigen leven als een gave en als een opgave. Natuurlijk kan echte saamhorigheid alleen daar zijn waar men samen ook hoort naar de Schriften. Hier zou ook het onderlinge broederlijke opzicht in alle liefde geoefend kunnen worden. Men kan elkaar helpen om getrouw te zijn in de dienst van de Heere en men kan proberen om broeders of zusters die dreigen te vervreemden van de gemeente in zulk een kring misschien eerder opvangen. En in feite is het dan niet een meer gemakkelijker stap naar de zondagse kerkdienst: het is een uitvloeisel van wat er op zondag gebeurt, waar heel de gemeente bijeenkomt. Daar wordt de eenheid zichtbaar in het Woord dat bediend wordt en in de sacramenten die gebruikt worden. Daarom kan in zulk een kleine kerk van avondmaalsbediening ook geen sprake zijn. Het avondmaal is uitdrukking van de eenheid van heel de gemeente en niet de accentuering van een mogelijk intiemere eenheid in een kleinere groep. Vanuit de gereformeerde ambtsgedachte en vanuit de betekenis van het sacrament behoort zulks in de vergadering waar al het volk bijeen komt.
Maar zo gezien zouden deze bijeenkomsten gestimuleerd door en onder leiding van de kerkeraad een middel kunnen zijn om de gemeenschap der heiligen te bevorderen, en de gemeente werkelijk op te bouwen. Zou onze tijd er niet om vragen? Steeds duidelijker wordt, dat wij alleen binnen de bescherming van God gemeente staande kunnen blijven in onze tijd. Er vallen zo vele beschermingen die wij in de wetgeving van een tot nu toe niet onchristelijke overheid gehad hebben weg. Misschien hebben wij onbewust in het verleden daar ook wel eens te veel tegen aan geleund. De wereld wordt onheiliger en zij moet het ook worden naar de Schriften. De gemeente moet anders zijn en anders blijven. En wereldgelijkvormigheid schuilt niet in uiterlijke dingen. Het is het leven naar het schema en denken van de wereld. Laat de gemeente zich daarom wapenen nu het nog tijd is. Of de kleine kerk zo ook een middel is om de kerkelijke verdeeldheid tegen te gaan? Ik meen van ja. Maar dan niet op een directe wijze, waarbij de kleine kerk komt in de plaats van de grote. Op die manier gedacht kan een huisgemeente alleen de verdeeldheid en de verwarring nog doen toenemen. Maar wel op een indirecte wijze kan een op deze manier zich openbarende levende kerk een middel zijn, waardoor duidelijk wordt, dat de kerkelijke verdeeldheid op zichzelf, vanuit welke gezichtshoek ook bezien, zonde is voor God, niet te verdedigen vanuit het Nieuwe Testament, nóch met een beroep op de confessie, nóch met een verwijzing naar de Afscheiding. Ik bedoel de verbrokenheid van allen die in oprechtheid in deze landen begeren te leven naar Gods Woord en naar de gereformeerde belijdenis. Hoe frustrerend en verlammend déze verbrokenheid naar alle kanten werkt laat zich nauwelijks beschrijven. Daarop kan het vormen van een kleine kerk slechts zijdelings genezend inwerken. Voor het herstel van wat hier verkeerd is is meer nodig, en toch ook, weer hetzelfde: nl. het leren leven uit het wonder van de vergeving, die geneest, die 'al uw krankheden geneest'.
Het zijn belangrijke gezichtspunten die hier aan de orde komen, zowel theologisch als praktisch. Het is goed dat vanuit het hart van het gereformeerde belijden over deze zaken gesproken en geschreven wordt. Juist in het gesprek met hen die uit de groepen afkomstig zijn en toch met ons willen buigen voor de Schrift kan een reformatorische visie op de gemeente een positieve bijdrage betekenen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 maart 1981
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 maart 1981
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's