De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Aard van het Schriftgezag (6)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Aard van het Schriftgezag (6)

Rapport Gereformeerde Kerken

8 minuten leestijd

Op blz. 14 bovenaan wordt gezegd, dat de waarheid meer is dan een buiten de mens aanwezig gegeven en ook meer is dan een alleen binnen die mens aanwezige waarheid.

Waarheid door wisselwerking

Wanneer het rapport tussen de klippen van een objcctivistisch en een subjectivistisch waarheidsbegrip een begaanbare weg meent te ontdekken in het z: g. relationele waarheidsbegrip, is het zaak zo nauwkeurig en zorgvuldig mogelijk deze weg te onderzoeken. Ik voel aan, dat we hier gevaar lopen om wat het rapport bedoelt te zeggen niet juist te verstaan en dus geen recht te doen. Omdat wij dit beslist niet willen, proberen wij zo nauwgezet mogelijk de diverse uitspraken hierover te onderzoeken en te wegen. Dat te meer, omdat wij van mening zijn, dat juist op dit punt de overtuigingen op fundamentele gaan, wijze uiteen gaan.

Op blz. 14 bovenaan wordt gezegd, dat de waarheid meer is dan een buiten de mens aanwezig gegeven en ook meer is dan een alleen binnen die mens aanwezige waarheid. In het relationeel verstaan van de waarheid gaat het 'steeds om de betrokkenheid van de mens bij iets anders en om de overtuigingskracht van iets anders... die pas in de mens tot stand komt en zichtbaar wordt'. En direct daarna wordt dan gesproken van een 'wisselwerking', waardoor beide zich eigenlijk pas goed gaan aftekenen.

Nog weer even verder wordt de waarheid omschreven als 'betrokkenheid, relatie, zodat pas in de betrekking tot mensentaal een menselijke cultuur iets van het overweldigende zichtbaar kan en moet worden'. Toegepast op de waarheid Gods, is de openbaring van deze waarheid 'er pas als mensentongen in beweging komen'.

Als wij deze uitspraken nu op ons in laten werken, dan worden wij vooral getroffen door het woord 'wisselwerking'. Al wat hier gezegd wordt, vindt daarin zijn kernachtige typering. De waarheid ontstaat uit een wisselwerking van object en subject. Toegespitst op het christelijk geloof: de waarheid ontstaat uit een wisselwerking van God en mens.

De Bijbelse waarheid over de mens

De vraag, die hierbij moet worden gesteld, is, of dit waarheidsbegrip in overeenstemming is met wat de Schrift hierover zegt. In dit verband zou ik de volgende opmerkingen willen maken.

In de eerste plaats wordt in de Schrift nooit over de mens in het algemeen gesproken, maar altijd over de mens in zijn concrete relatie tot God. De mens als door God geschapen, naar zijn beeld. Dat is de mens, die God kent, met God wandelt en naar Gods stem luistert. De Bijbel laat ons echter ook duidelijk zien, dat deze relatie niet meer bestaat. Zij is verbroken door de zonde. Die breuk heeft geweldige gevolgen gehad. De mens, die eerst God kende, is nu een van God vervreemde. De mens, die eerst met God wandelde, dwaalt nu in duistere ballingschap, zonder enige gemeenschap met God. En de mens die eerst naar Gods stem luisterde, luistert nu alleen naar de stem van de Boze, en naar de stem van zijn eigen driften en boze begeerten.

Dit vernietigende oordeel over de mens wordt door de Schrift zelf uitgesproken. We denken aan de uitspraken van Paulus in Rom. 3, of in Efeze 2. De mens wordt genoemd: ood door de misdaden en de zonden (Ef. 2:1). Er wordt van hem gezegd: daar is niemand, die verstandig is, daar is niemand die God zoekt; allen zijn zij afgeweken, tezamen zijn zij onnut geworden (Rom. .3:11, 12).

Zo wordt over de mens gesproken, zoals hij sinds de zondeval geworden is. D.w.z. zo wordt over de empirische mens gesproken, over de concrete mens, zoals hij zich in de wereld aandient, hier en nu. Als er dus aansluiting gezocht moet worden bij een algemeen voorhanden zijnde inensbeeld, dan tekent de Schrift dit beeld.

Wat ons in deze typering van de mens opvalt is dat hier juist de relatie verbroken is. Dat God inderdaad een buitenstaander voor deze mens is geworden. Dat er dus van een wisselwerking helemaal geen sprake meer is. Integendeel. De WISSELwerking is tegenwerking geworden. Tegenwerking in de zin van vijandige vervreemding. In de zin van: onbekend (geworden) maakt onbemind. Dat is de concrete mens zoals de Schrift deze tekent.

In feite is dit al een waarheidsopenbaring van de Schrift, die bepaald niet via de wisselwerking van God en mens tot stand is gekomen. Veeleer is dit een waarheidsopenbaring waartegen de mens zo lang mogelijk zich blijft verzetten. En wanneer men dan ook in deze zin toch van een relationele waarheid wil spreken, dan vraagt dat woord 'relationeel' wel om een verheldering. Dan is ze een relatie, die er niet is mede dank zij de 'inzet' van de mens, maar juist ondanks de afkeer van de mens. En als wij dan toch nog van een wisselwerking willen blijven spreken, dan blijkt het wel een hele merkwaardige wisselwerking te zijn, namelijk die, waarin de mens alleen maar 'nee' zegt tegen dit oordeel van God over hem. M.a.w. Kunnen wij hier nog wel van 'relatie' en 'wisselwerking' spreken in de betekenis van de woorden zoals die gewoonlijk wordt genomen? Ik krijg niet de indruk, dat het rapport die richting heeft uitgedacht. Het is duidelijk, dat zij een veel positievere vulling aan deze woorden heeft willen geven.

Het (her)scheppende Woord

Wanneer de - Bijbel nu echter ook ervan spreekt, dat deze van God vervreemde mens, die dood en onnut en blind en dwaas genoemd wordt in de Schrift, toch in een relatie met God wordt gesteld en op deze wijze de waarheid leert kennen, uit de waarheid geboren wordt en van de waarheid getuigenis aflegt, dan gebruikt ze weer woorden, die in een zelfde orde van radicaliteit liggen als de woorden, die wij zojuist hebben aangehaald. Er wordt, dan gesproken van: uit de dood opwekken, van dood levend geworden zijn, wedergeboren worden, van blind ziende worden, van verloren behouden worden, van vijand een kind Gods worden, uit de duisternis tot het licht getrokken' zijn, enz. Ook dan blijkt de relatie-en wisselwerking-idee niet van toepassing. Zeker gaat het hier weer om een gebeuren, waarin God zijn oordeel uitspreekt over de mens en zijn daden verricht aan de mens en zijn woord spreekt tot de mens. Maar is dit een relatie op grond van wisselwerking, van wederkerigheid? Gods Woord is scheppend en herscheppend, levenwekkend. Zeker: het gevolg hiervan is dat er een relatie ontstaat. Maar dit ontstaan van de relatie geschiedt nadat God eerst door zijn Woord de relatie, die er tevoren niet was schept. En dat eerste, absoluut voorafgaande (her)scheppende en vernieuwende Woord Gods, dat is toch ook openbaring! Openbaring, die dus niet via een wisselwerking tot stand komt, maar die louter als eenzijdige beweging van God uit de niet-relationele en anti-relationele mens scheppend vernieuwt tot een mens, met wie God in relatie treedt en vervolgens ook zo dat die mens met God in relatie treedt.

Maar dan gaat het niet meer om de empirische mens, zoals hij is in zichzelf. Dan gaat het om de vernieuwde, wedergeboren mens, om de mens, die in een relatie tot God, in geloof en liefde, is geplaatst. Wat wij hiermee willen beklemtonen is dus, dat de eerste inzet van Gods waarheidsopenbaring zich wel (voornamelijk) richt tot de mens, maar niet geschiedt krachtens een wisselwerking van God en mens. De mens is bij deze openbaring vijandig-passief, in een lijdelijk verzet, dat echter dan wel door Gods waarheidsopenbaring wordt overwonnen.

Nu versta ik het rapport zo, dat hier de mens als zodanig een veel meer positief-actieve rol van het begin af bij de waarheidsopenbaring, speelt. Dus: de mens als zodanig. En: van het begin af. En: een positief-actieve rol. Dat zijn drie gegevens, die, voorzover ik zien kan, lijnrecht ingaan tegen de boven door mij aangegeven gedachtengang.

Ik wil hierbij nog aantonen, dat in dit rapport aan de mens duidelijk zo'n positief-actieve rol wordt toegekend. Zo lezen wij onderaan blz. 15: 'Deze waarheid Gods is er niet zonder de inzet van mensen'. Als daaraan meteen wordt toegevoegd, dat deze inzet zichzelf 'onderkent als goddelijke genade, diepste afhankelijkheid', dan versta ik dit zo, dat het hier niet gaat om de mens die zichzelf onafhankelijk van God opstelt, maar die met God in een relatie van genade en afhankelijkheid staat. Maar dan komt de vraag weer op: is dit nu de mens als zodanig, de zondige vijandige mens ten opzichte van God? Als dat niet zo is, hoe is deze mens dan zo geworden? Is deze inzet dan toch niet van het begin af aan geweest? En hoe is de mens dan tot deze mens met zijn, als goddelijke genade onderkende en van God ten diepste afhankelijke, inzet geworden? Is dat dan niet vrucht van openbaring? En als dat wel zo is, hoe is deze openbaring dan geschied? Dat laatste wordt hier niet genoemd. Het wordt overgeslagen, en in plaats daarvan wordt de indruk gewekt, dat deze bij dé openbaring van Gods waarheid actief betrokken mens dezelfde is als de mens in het algemeen, die tot de ontdekking is gekomen, dat waarheidsopenbaring zich voltrekt als een relationeel gebeuren, gebaseerd op wisselwerking.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 1981

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

De Aard van het Schriftgezag (6)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 1981

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's