De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

16 minuten leestijd

Politiek op de preekstoel.

Scheps' Kerknieuws (20 maart 1981) had een gesprek met prof. mr. I. A. Diepenhorst, zeer bekend als politicus door zijn vaak markante uitspraken en diepgravende betogen. Maar deze jurist en politicus is ook theoloog en preekt regelmatig. Een politicus op de preekstoel... dat is, ben je oppervlakkig geneigd te zeggen, vragen om politiek op de preekstoel, temeer omdat je in dit geval een deskundig geluid mag verwachten. Het is interessant uit dit gesprek te vernemen wat Diepenhorst zelf daar nu van zegt:

Wat vindt u van maatschappijkritiek in de preek? In het algemeen komen de mensen niet in de kerk, omdat zij verlangen te horen hoe de maatschappij moet worden opgebouwd, maar omdat zij voelen dat zij 'een geweten hebben dat van binnen tikt en omdat zij daarmee in het reine willen komen. Het gaat meer - en dat betekent nog geen verkeerde tweedeling - om het geestelijk leven, dat versterkt moet worden. Het overige kan zich openbaren in de week die volgt. De gemeente komt niet in de eerste plaats naar de kerk om te vernemen waaraan ze van maandag tot vrijdag nog eens maatschappelijk krachtig wrikken moet. Als men zich uitsluitend met maatschappijkritiek bezighoudt, is men in één a anderhalf jaar uitgepreekt. Bovendien geldt hier dan ook nog: zoveel hoofden, zoveel zinnen. Een aantal zaken valt voor mensen in de kerk niet te beoordelen, omdat de Bijbel zich daar niet over uitlaat. Een predikant die wat voor zijn gemeente wil betekenen zal zich natuurlijk wel van sociaal-economische toestanden rekenschap geven. Als hij in een grote stad tegen de achtergrond van veel werkeloosheid werkt, dan zal zijn arbeid daarvan de weerslag ondervinden. Dat zou ook het geval zijn, wanneer hij vlak na de oorlog in een verwoeste stad zijn werkterrein had. In de wezenlijke nood dient men natuurlijk steeds te voorzien. Tijdens de bezetting moest de kerk spreken. Ze kon niet anders dan protesteren tegen de vervolging van de joden, tegen iedere vorm van slavernij, tegen de rechtsaantasting. Dat spreekt vanzelf. Zij behoorde het hart van de zaak te raken en mocht de grote brandende vragen van het ogenblik niet omzeilen. Als de kerk daar niets over wilde zeggen, schoot ze te kort. Wanneer een kerk zich eerst bij het racisme het evangelie herinnert en overigens in alle talen zwijgt en niet doet wat ze moet doen, dan gaat er van haar weinig uit. In oorlogstijd draait het al heel drastisch om voor of tegen, ja of nee en dan tekenen de tegenstellingen zich volstrekt duidelijk af. Maar het is nodig te onderscheiden. Een kerk moet zich niet uitlaten over twistpunten van voorbijgaande aard waarover men van inzicht kan verschillen. Er is ook het gevaar van te grote actualiteit. Naar vanzelf spreekt, kan en moet men wel eens wat zeggen over grote geestesstromingen, het materialisme, het marxisme, het intellectualisme, de technocratie. Maar men doet beter geen antimarxistisch of anti-technocratische preek te houden. En men mag in de regel helemaal geen namen van partijen op de preekstoel noemen.

Spreekt u zich in een preek wel eens uit over een boycot van Zuid-Afrika?

Daarover zal ik op de preekstoel nooit iets zeggen. Dat zou de particuliere mening zijn van iemand die niet ter zake kundig is en die - niet ter zake kundig zijnde - een particuliere mening verkondigt vanaf een plaats waar men ten slotte zo iets als de waarheid voor alle tijden moet verkondigen. Dat gaat toch niet. Als men zich vandaag in Nederland tegen dit land en dit onrecht en morgen tegen dat land en dat onrecht keert, alsof wij ons kunnen voorstellen wat er in Chili, El Salvador, China of waar ter wereld ook aan de hand is, nu dan zet ik daar een groot vraagteken achter. Stel je voor dat je dat allemaal op de preekstoel moest behandelen. Sommige problemen zijn bij het licht dat ons gegeven is, onoplosbaar. Men kan subjectief even overtuigd - ik laat nu in het midden wie gelijk heeft - beweren dat een atoomoorlog in een bepaalde situatie volstrekt geoorloofd is als dat men kan zeggen dat hij ongeoorloofd is. Nogmaals, ik zeg niet dat beide meningen even juist zijn, maar men kan ze beide verdedigen, en de kerk liet tot dusver zich heel merkwaardig horen. Bij zo'n kwestie ben ik er huiverig voor om te beweren dat het zus of zo moet; trouwens op de preekstoel beweert men niet, maar verkondigt men, ik herhaal dit.

Ook inzake de leus van het IKV laat Diepenhorst merken dat hij daarmee grote moeite heeft, terwijl hij wat aarzelender is ten aanzien van de vraag of de kerk bij monde van een synode zich over het kernwapenvraagstuk moet uitlaten.

Ik meen dat Diepenhorst terecht onderscheid maakt tussen geschilpunten van voorbijgaande aarde of detailkwesties waar men toch wel terdege ter zake kundig moet zijn, en een spreken van de kerk over brandende vragen die het hart van de bijbelse boodschap raken. Actualiteit is wat anders dan actualisme. Profetische prediking heeft te maken met de heiliging van het totale leven. Theocratisch denken kan om dit aspect van de verkondiging niet heen. Maar de schade is groot als de preekstoel de politieke tribune wordt waar de verkondiging van Gods geboden en beloften, van wet en evangelie wordt ingekapseld door partijpolitieke standpunten. Dan ruilt men het evangelie in voor de ideologie. En het kwaad wordt nog groter wanneer men dit via een politiserende uitleg zoekt te dekken.

De Kerk belijdt een Koning die de goede belijdenis tegenover Pilatus heeft afgelegd. Dat heeft politieke implicaties. Maar dat is wat anders dan wanneer men Jezus tot politieke Messias of partijganger van een bepaalde klasse gaat maken.

***

Meer en minder

Synodale organen en landelijke kerkelijke colleges houden zich met veel meer zaken bezig dan vroeger, maar meer is tegelijk minder. De greep van de generale synode op het kerkelijk leven is niet toe maar afgenomen. De synode waar het hier over gaat is de synode van de Geref. Kerken. En hetgeen hier neergeschreven is in de essentie van een artikel van ds. L. H. Kwast in het Centraal Weekblad van 11 maart. We citeren uit dit artikel:

'Schijn bedreigt echter. De kerkelijke werkelijkheid ziet er heel anders uit dan mijn collega op die avond veronderstelde. De greep van de generale synode op het kerkelijke leven is niet toe-maar afgenomen.

De bewijzen voor deze stelling liggen voor het grijpen. Zo lang er Gereformeerde Kerken in Nederland bestaan, hebben generale synodes zich van tijd tot tijd geroepen gevoeld om boodschappen aan de gemeente te adresseren. Dat konden herderlijke brieven zijn of kanselboodschappen of andere epistels. In het verleden werden zulke synodale verhalen - even afgezien van 1944/45 - aan de gemeente trouw voorgelegd. Dat is vandaag niet meer het geval. Ettelijke kerkeraden en predikanten hebben de gewoonte om synodaal papier te ziften en te schiffen. Ze zullen zelf wel beoordelen of ze de stem van Lunteren zullen doorgeven.

Onlangs werd door de generale synode besloten om in een vraag van het doopsformulier het woord 'alhier' te schrappen. Ik maak het nogal eens mee dat in geval van doopsbediening kerkeraden mij verzoeken het door de synode afgeschafte woord wèl te gebmiken. Mijn eigen Kollumer kerkeraad hoort bij die club.

Volgens de kerkorde èn synodale besluiten, mag de catechismusprediking niet verwaarloosd worden. Maar het aantal kerken waar die prediking met de noorderzon is vertrokken, loopt in de honderden. De synode heeft voor en na uitspraken gedaan over de binding aan het belijden van de kerk. Maar het zou me geen moeite kosten om trieste verhalen te vertellen over kerkelijke gemeenten - ik kan even zo vele malen man en paard noemen - waar in het publiek met die binding, zacht gezegd, zeer vrijmoedig wordt omgegaan. Blijkbaar wordt in vele, vele kerken en door vele, vele ambtsdragers in die kerken de synodale productie, beschouwd als het assortiment in een supermarkt. Wat aantrekkelijk gevonden wordt of wat kerkleden menen nodig te hebben, komt in de boodschappenwagen terecht en de andere producten blijven in de stellingen en op de schappen liggen. Zo krijgt de synode tegen wil en dank de functie van leverancier van elk wat wils.

Het beeld moet zelfs worden aangevuld; wat in de synodale supermarkt niet wordt aangeboden, schaft men zich bij de concurrentie aan. De conclusie is onvermijdelijk: vergeleken bij vroeger heeft een generale synode méér te verhandelen en minder te vertellen. (...)

Nu gaat het me niet aan het hart vanwege de synode - zij redt zich wel - maar vanwege de kerken en haar leden. Waarschijnlijk zijn de onderlinge afstanden tussen verschillende groeperingen onder die kerkleden zo groot geworden dat de synode geen accolade meer om hen kan slaan. De onmacht van de synode is dan niets anders dan de onmacht van de kerken zelf. Elk verwijt aan de synode valt op de kerken terug.

De synode doet veel en de dienstverleners in Leusden zijn op toeren. Dat kan iedereen uit alle brieven en nota's en andere papieren afleiden. Maar het effect op de kerken mag niét worden overschat. Die kerken doen wat goed is in hun ogen. Omdat ze niet meer door elkaars ogen kunnen kijken, vertonen ze geen beeld van eensgezindheid meer. En daarom trekken ze zich van de synode net zo veel aan als ze voor hun eigen beleid kunnen gebruiken. Het andere schuiven ze opzij.

Het is al lang geleden dat een generale synode in geval van onwil om zich naar haar te schikken een complete kerkeraad buiten het kerkverband plaatste. Dat overkwam de kerkeraad van Bergschenhoek in 1944. Vandaag zijn we meer dan een generatie verder. Zulke dingen gebeuren niet meer. Binnen de huidige verhoudingen kunnen ze niet meer gebeuren.

De huidige ontwikkeling is voor de kerken en haar leden funest. Gaandeweg taant het gezag van de generale synode. De kerken zelf groeien uit elkaar. De kerkleden weten niet meer waaraan ze toe zijn. De generale synode zou zelf een belangrijke bijdrage kunnen leveren tot grotere eensgezindheid in het kerkelijke verkeer. Ze zou zich kunnen afvragen of ze wel om de twee jaar moet samenkomen. Artikel 60 lid I van de kerkorde - 'De generale synode zal om de twee jaar samenkomen' — mag best worden gewijzigd. Waarom geen generale synode om de vier jaar? En zou dan ook niet heel strikt de hand gehouden moeten worden, ook door andere kerkelijke vergaderingen, aan artikel 29 lid l. 'Deze vergaderingen zullen geen andere dan kerkelijke zaken behandelen'. Hoe meer onderwerpen een synode aansnijdt, des te groter het risico dat minder naar haar wordt geluisterd.

Maar in de kerken zélf zal ook een andere wind moeten gaan waaien. Bij voorbeeld onder haar predikanten die zich veel te veel verbeelden solist te mogen zijn. De aard van hun dienst wordt door de kerk uitgemaakt en niet door henzelf. Ze moeten zich laten terugfluiten als ze buitenspel staan. En zolang we geen betere traditie bezitten dan 'het belijden' der kerk, dat de vaderen tot uitdrukking hebben gebracht in de algemene, belijdenisgeschriften en in de drie formulieren van enigheid, hebben we ons aan die traditie gewonnen te geven en niet van het ene experiment naar het andere te hollen.

De kerk in haar vorm van de Gereformeerde Kerken in Nederland is de moeite waard om door haar leden serieus te worden genomen. Maar dan is onder ons wel een andere geest nodig!'

We zullen hierbij toch ook wel rekening moeten houden met de complexiteit van vele zaken. Maar de hartekreet van Kwast dient toch serieus genomen te worden. Wat is de greep van een ambtelijke vergadering op het kerkelijk leven? Of, als, we dat een vreemde vraag vinden: Wat is het gezag van het Woord en daarvan afgeleid het gezag de belijdenis in het kerkelijk spreken en handelen? Ook ambtelijke vergaderingen mogen immers het zicht op de grote Ambtsdrager Jezus Christus niet wegnemen. Polarisatie enerzijds en experimenteerdrift anderzijds werken verwarrend. Het zou de moeite waard zijn eens na te gaan, in hoeverre het laatste het eerste oproept.

***

Reformatorisch en evangelisch

In het Geref. Weekblad van 27 maart schrijft prof. dr. J. Veenhof over de wijze waarop evangelische christenen en reformatorische bewegingen elkaar vinden. Veenhof doet dit naar aanleiding van de belangstelling in de kringen van de evangelicals voor Meindert Leerling en de RPF. Veenhof vraagt zich af: Hoe kunnen deze christenen samengaan, terwijl zij op het punt van de waardering van de drie formulieren van enigheid zo verschillen. In dat verband schrijft hij:

'Onlangs werd me het antwoord op die vraag onthuld. Ik ontving een circulaire van een aantal evangelischen, die al bij de RPF aangesloten zijn. Onder hen is de heer J. J. Frinsel, leider van het Heil des Volks in Amsterdam, die op de kandidatenlijst van de RPF staat. De circulaire behelst een krachtige oproep aan de evangelischen om bij de a.s. verkiezingen op de RPF te stemmen. De ondertekenaars voelen de bezwaren die leven. -Misschien schrikt u, zo wordt gezegd, in eerste instantie wat terug voor het begrip 'reformatorisch' en voor het feit, dat in de grondslag van de RPF wordt verwezen naar de zogeheten 'Drie Formulieren van Enigheid'. Maar, zo wordt vervolgens opgemerkt, dat woord 'reformatorisch' wijst in de eerste plaats terug naar de grote hervorming in de zestiende eeuw en daarnaast betekent het voor alles: vernieuwend, reformerend naar het Woord van God. Het woord 'reformatorisch' is daarmee niet statisch, niet conservatief, maar dynamisch. En hoe staat het met de drie formulieren van enigheid? De circulaire wijst dan op wat er letterlijk staat in de grondslag van de RPF: De RPF aanvaardt als enige norm voor haar politieke denken en handelen het onfeilbaar Woord van God, zoals ten aanzien daarvan ook beleden wordt in de Drie Formulieren van Enigheid'. De gecursiveerde woorden zijn in de circulaire onderstreept. Zij voegt er dan ook de kommentaar aan toe; 'De Drie Formulieren hebben in dit verband dus betrekking op het verstaan van de Bijbel en zo'n toevoeging is in onze dagen van felle Schriftkritiek geen overbodige luxe'.

Toen ik dit las, heb ik een moment paf gestaan. Dat is dus de manier, waarop men 'reformatorisch' en 'evangelisch' onder één dak brengt! Natuurlijk, de drie formulieren moeten worden genoemd, anders haken geheide calvinisten af. Maar tegelijk moet je hun geldingsdrang drastisch terugdringen, anders haken de evangelischen af. Maar het resultaat is er dan ook naar. Wat blijft er nu eigenlijk van de formulieren nog geldig? Alleen wat daarin over de Bijbel gezegd wordt en dan kennelijk niet: de inhoud van die Bijbel, maar alleen het ontstaan en het gezag van die Bijbel, afgezien van de inhoud. Ik vroeg mij af, waar je in de formulieren daarover iets vindt. In de Dordtse Leerregels en ook in de Catechismus zul je er tevergeefs naar zoeken. Wel kun je terecht in de Nederlandse Geloofsbelijdenis, de artikelen 3 tot 7. Daar wordt over de oorsprong en het gezag van de Bijbel als Gods Woord duidelijke en indringende taal gesproken. Alleen: de oorsprong en het gezag worden direkt verbonden met de inhoud. De Bijbel is volkomen als regel des geloofs. In de Bijbel wordt 'de hele wijze des dienstes, dien God van ons eist' uitvoerig beschreven (art. 7).

Volgens het klassiek gereformeerde belijden is het formele beginsel (het Schriftgezag) nooit los te maken van het materiele beginsel (het ontvangen van en leven uit de genade, 'de wijze des dienstes'). Het is jammer, dat de RPF nu toch een scheiding gaat aanbrengen. Je kunt je afvragen, of men met deze heel sterk ingekorte geldingskracht nog wel iets specifieks van de formulieren overhoudt. Wat blijft er overeind van wat men wel eens noemt 'de religie der belijdenis? ' Bovendien zouden de reformatorischen zich eens moeten afvragen, of ze op deze manier niet uitgerekend tot datgene komen, wat zij vroeger altijd scherp hebben afgewezen: een binding aan de belijdenis, voorzover die, in plaats van: omdat die met de Bijbel overeenstemt (de zg. quia of quatenuskwestie). Ik zeg dit in het volle bewustzijn, dat kerkelijk gereformeerde instanties en personen zich over die kwestie thans anders uitlaten dan vroeger. Het denken, spreken en handelden heeft op dit punt een wijziging ondergaan. Maar ik heb er moeite mee, dat mensen, die de gereformeerden deze wijziging niet in dank afnemen (bv. gereformeerde bonders en christelijke gereformeerden) nu zélf de binding aan de confessie goeddeels loslaten, terwijl toch 'de drie formulieren', als een formule, in de vlag van het RPF-scheepje blijft wapperen. En de vraag klemt des te sterker of de duidelijkheid ermee niet gediend zou zijn, als men de vermelding van de drie formulieren geheel liet vervallen. Hiermee sluit ik deze kritiek af in de hoop daarmee duidelijkheid en eerlijkheid in onze beoordeling van instellingen, personen en gebeurtenissen te hebben bevorderd.'

Het gaat me niet om wat er concreet aan het adres van de RPF gezegd wordt - ik denk dat deze partij dat zelf wel zal pareren en beantwoorden - maar om de vraag naar de verbinding tussen 'reformatorisch' en 'evangelisch'. Een paar opmerkingen:

a: Met Veenhof ben ik van mening dat het niet aangaat de binding aan de belijdenis te versmallen tot de erkenning van het formele gezag van de Schrift. Maar ik: denk wel dat ook evangelicals zullen zeggen: Het gaat ons om veel meer dan het formele.

b: We zullen wat voorzichtig moeten zijn met woorden als 'reformatorisch' en 'evangelisch'. Wat verstaan we daar precies onder?

c: Is het op zich zo vreemd dat in het christelijk organisatieleven grenzen minder scherp blijken getrokken te worden dan in de kerk? Dat is iets wat we toch in Nederland al vanaf de vorige eeuw zien?

d: Ook al bestaan er controversen tussen evangelischen en gereformeerden - Van der Graaf heeft daar onlangs nog op gewezen in Wapenveld - er is toch ook veel wat ons verbindt. Ik denk aan de nadruk op het verzoeningswerk van Christus, de noodzaak van wedergeboorte en geloof, de persoonlijke heilszekerheid, de gehoorzaamhjeid aan de Schrift ook naar zijn inhoud, de afwijzing van het moderne hermeneutische denken. Verkeren we in onze samenleving en cultuur niet in een dermate diepgaande krisis, dat het zich toch laat verstaan dat evangelischen en zij die de reformatorische beginselen liefhebben op een aantal zaken toch naar elkaar toegedreven worden. En dat we bovendien dankbaar moeten zijn voor de ontmoeting dieper b.v. is in het verband van de Evangelische Alliantie! Wellicht kan die ontmoeting, waarin we eerlijk de spanningsvelden onder ogen moeten zien een verrijking betekenen. Gereformeerd betekent toch ook dat we telkens weer gereforrneerd moeten worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 1981

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 1981

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's