Met hart en mond
Belijdenis
Wij geloven en belijden: God, de eeuwige, ongebrijpelijke, onzienlijke, onveranderlijke, oneindige, almachtige, volkomene, wijze, rechtvaardige, goede God, 'een zeer overvloedige fontein aller goeden'.
Wij geloven! Dat lijkt parmantige taal. Taal van een oppervlakkig christendom. Taal van mensen, die niet weten wat er afgestreden wordt om tot klaarheid inzake het geloof te komen. Taal van mensen, die gedoopt zijn, en dus...! Het is intussen de vermetele taal van het belijden der kerk; belijden dat uit het geloven voortkomt.
Artikel 1 van de Nederlandse Geloofs Belijdenis zet ondubbelzinnig in: 'wij geloven allen met het hart en belijden met de mond.'
Wij geloven en belijden: God, de eeuwige, ongebrijpelijke, onzienlijke, onveranderlijke, oneindige, almachtige, volkomene, wijze, rechtvaardige, goede God, 'een zeer overvloedige fontein aller goeden'.
Die hoge inzet van het geloven met het hart en belijden met de mond blijft dan door deze hele belijdenis heen bewaard.
Wij geloven dat de Heilige Schrift de wil van God volkomen vervat.
Wij geloven dat Jezus Christus de eniggeboren Zoon van God is.
Wij geloven dat de Heilige Geest van de Vader en de Zoon uitgaat.
Wij geloven dat de Vader door de Zoon de aarde en alle schepselen heeft gemaakt.
Wij geloven dat God de schepping niet aan het toeval heeft overgelaten maar deze naar zijn heilige wil bestuurt en regeert.
Wij geloven dat door de ongehoorzaamheid van Adam de zonde 'het ganse menselijke geslacht' in de greep houdt.
Wij geloven dat Jezus Christus een Eeuwig Hogepriester is, in wiens wonden wij 'allerlei vertroosting vinden' en dat we geen ander middel nodig hebben om ons met God te verzoenen.
Wij geloven dat onze zaligheid gelegen is in de vergeving der zonden.
Geloven en belijden horen nauw bijeen. De belijdenis doet deze woorden vrijwel samenvallen.
In het belijden wordt de polsslag van het geloof van de ganse kerk (wij!) voelbaar. Wij geloven met het hart en belijden (daarom) met de mond.
Persoonlijk
Het is niet niets als we op welke leeftijd dan ook met een persoonlijke belijdenis des geloofs aansluiten bij het geloof van de kerk van alle tijden en plaatsen. Als we mee mogen zeggen wat hierboven - het was maar een korte greep uit onze rijke belijdenis - is verwoord. Dat is niet vanzelfsprekend in een tijd, waarin velen heengaan en met Demas de tegenwoordige wereld liefkrijgen. Of waarin velen nog wel iets geloven maar toch geen houvast meer hebben aan wat geslachten vóór ons geloofd en daarom beleden hebben.
Het is zéker niet niets als dit belijden der kerk taal van ons eigen hart wordt, en als zo ook hartelijk mag worden beleden. Zoals in het Apostolicum, dat wekelijks in de eredienst wordt uitgezegd, het wij van de kerk zich concentreert tot een ik: ik geloof in God de Vader, de Almachtige Schepper; ik geloof in Jezus Christus, Zijn Enniggeboren Zoon, Die geleden heeft...., is gekruisigd, gestorven en begraven en nedergedaald ter helle, ten derde dage wederopgestaan van de doden, opgevaren ten hemel; ik geloof in, de Heilige Geest...
Wat dit laatste betreft grijp ik dan toch nóg een keer terug op de Nederlandse Geloofs Belijdenis, namelijk op artikel 22 daarvan. Wij geloven dat - om ware kennis van de 'grote verborgenheid' van het offer van Christus te krijgen - de Heilige Geest in onze harten ontsteekt een oprecht geloof, dat Jezus Christus met al zijn verdiensten omhelst.
Dat lijkt de omgekeerde wereld. Wij geloven in de Heilige Geest, die léért geloven. Zo zien we maar dat we van het geloof nooit een sluitend, verstandelijk geheel kunnen maken. Geboren in de kerk - om het zo te zeggen - wordt een mens geraakt door al datgene wat de kerk al lang geloofd en beleden heeft. Hij léért geloven in de Heilige Geest. En langzaam maar zeker, óf plotseling, doet de Heilige Geest zélf het geloof van de kerk overgaan in een oprecht persoonlijk geloof. Wij geloven - óók - dat het waarachtige geloof, in de mens gewerkt door het gehoor van het Woord van God en de werking van de Heilige Geest, de mens wederbaart, hem opnieuw tot léven brengt en hem zo tot 'een nieuwe mens' maakt en hem in een nieuw léven doet leven. Zó zegt het art. 24 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis.
Geweldig als de Geest mensen door het Woord ZÓ in beslag neemt, dat ze het Woord, dat met het oor gehoord is, zó gaan geloven, dat ze het met het hart gaan geloven; en het dan ook met de mond gaan belijden.
Weggaan onmogelijk
Het is dat wonderlijke werk van de Heilige Geest - in de wedergeboorte, wat een werk is in ons en zonder ons - dat mensen niet meer los kunnen van het geloof der kerk en daarin ook zelf hun geloof vertolkt gaan vinden.
Als Jezus van Zichzelf gezegd heeft, dat Hij het Brood des levens is (Joh. 6) gaan de Joden murmureren. Hij is maar een Zoon van Jozef; hij is iemand 'wiens vader en moeder we kennen'.
Maar Jezus gaat verder: niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader hem trekt. Dat zei Hij tegen mensen, die vlak bij hem stonden, oog in oog. Niemand kan tot Mij komen. Welnu, men droop dan ook af, hield het voor gezien. Men vertrok één voor één want de rede van Jezus was hard. Terwijl hij, nota bene, niets anders zei dan dat Hij het Brood des Levens was. 'opdat de mens daarvan ete en niet sterve'. 'Die Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige leven'.
Er was echter een overblijvende kri.ng die het verstond: de discipelen, de ware volgelingen. Wilt gijlieden ook niet weggaan? , vroeg Jezus aan Zijn discipelen, toen velen teruggegaan waren en niet meer met Hem wandelden. En dan zegt Petrus 'Heere, tot Wie zullen we heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens' (Joh. 6 : 68). Dan spreekt Petrus ook in de wij-vorm. Hij zegt: 'en wij hebben geloofd en bekend (beleden), dat Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God'.
Zó is 't ook vandaag. 't Geloof van de kerk wordt aangevochten. Mensen vinden de boodschap van het Woord hard, hoewel Christus als een bereidwillig Zaligmaker uit het Woord ons tegemoet treedt. Men gaat heen. Vélen gaan heen. Dan vraagt Christus ook in deze tijd: -willen jullie ook niet weggaan? Het is echter werk van de Heilige Geest als dan ook vandaag mensen zeggen: tot Wie zullen we heengaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven. Dat wil niet zeggen, dat we pasklare antwoorden hebben op alle vragen: dat het 'Hij voor ons' altijd al zo duidelijk is. Als Petrus belijdt dat Jezus de Zoon van God is en zegt - namens alle discipelen - dat hij niet zou weten waar hij heen moest om woorden van eeuwig leven te ontvangen, dan moet het Kruis van Christus nog komen. Dan vergaat de hoop van de discipelen; die gaat het graf in. Maar die hoop herleeft als de Opstanding een (Heils)feit is. Dan wordt Petrus met de andere discipelen getuige van de Opstanding.
Het echte geloof heeft groei in zich. Het gaat vaak door de diepte naar de hoogte. Waar géén geloof is, wordt ook niet écht beleden. Dan kan de vraag 'wilt gij ook niet weggaan? ' uiteindelijk positief (dus negatief) beantwoord worden. Maar waar echt geloof is daar komt ook de fundering in Hem, die de Opstanding en het Leven is.
In de kerk
Belijden doen we intussen in de kerk. Ook dat is een zeer wezenlijke notie. Wij geloven en belijden een enige, katholieke of algemene kerk, dewelke is 'een heilige vergadering der ware Christ-gelovigen, al hun zaligheid verwachtende in Jezus Christus, gewassen zijnde door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest'. Of iemand, die belijdenis doet, erbij kan of niet: dat is de kerk en dat is het geloof van de kerk.
Wij geloven, dat de ware kerk geregeerd moet worden door de ambten (art. 30 N.G.B.). Ook het geloof in de ambten behoort bij het belijden.
Wij geloven en belijden, dat Jezus Christus - art. 34 - in plaats van de besnijdenis het sacrament van de Doop heeft ingesteld.
Wie belijdenis doet gaat dit met het belijden der kerk méébelijden en mag méébelijden, dat de eigen doop betekent 'het merk-en veldteken' te dragen, afgezonderd te zijn van 'andere volken en religies'.
Wij geloven en belijden, dat onze Zaligmaker Jezus Christus het sacrament van het Heilig Avondmaal verordend en ingesteld heeft, om te voeden en te onderhouden degenen, die Hij reeds wedergeboren en in Zijn huisgezin, hetwelk is Zijn kerk, ingelijfd heeft.
De kerk een huisgezin! Daar sluit ik maar mee af. In zo'n gezin word je geboren. In dat gezin vindt de opvoeding plaats. In dat gezin is er de maaltijd. Er zijn kinderen die het gezin verlaten en een andere leefkring zoeken. Maar in het gezin is er de diepste gemeenschap.
Wie belijdenis doet blijft bij het grote huisgezin, dat kerk heet. Het gezin dat gevormd is van geslacht op geslacht. Het gezin waar telkens weer nieuwe mensen geboren worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 1981
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 1981
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's