Nog vele jaren
De bond heeft zijn eigenaardigheden, maar ook zijn eigenheid.
Enige tijd geleden werd mij gevraagd ter gelegenheid van het vijfenzeventig jaar bestaan van de Gereformeerde Bond iets te schrijven in de Waarheidsvriend. Spontaan heb ik me er toe bereid verklaard. En nu zit ik me er op te bezinnen hoe ik tegen de Gereformeerde Bond aankijk. Dan komt er een lange reeks ervaringen uit de praktijk van het kerkelijk leven naar boven. ledere niet-bondspredikant in gemeenten waar de bond een grote rol speelt heeft er een geschiedenis mee. Hoe die geschiedenis er uit ziet hangt - laten we dat vooropstellen - voor de helft van de bond en voor de helft van die bewuste predikant af. De bond heeft zijn eigenaardigheden, maar predikanten hebben die ook. En richtingshartstochten zijn meestal net iets minder armzalig dan persoonlijke gegriefdheden en gevoelens van miskenning. In heel veel negatieve uitspraken over de Gereformeerde Bond proef je iets van gekrenkte ijdelheid en wrevel over de laksheid van eigen achterban. Daarmee hebben ze echter veel van hun waarde verloren.
De bond heeft zijn eigenaardigheden, maar ook zijn eigenheid. De uiterlijke kenmerken hebben een ondergrond en achtergrond. Het één hangt hier met het andere samen. Als niet-bondspredikant moet je dat onderkennen en nemen. Je bent niet van ze. Ze zijn anders. En je moet niet denken, dat je door een grijs of zwart pak aan te trekken en de gezangen te laten schieten wel geaccepteerd wordt. Nee, met dergelijke vermommingen haal je het niet, ook al vervallen dominees en hoogleraren er toe.
De Gereformeerde Bond heeft zijn eigenheid en wij moeten die hem royaal gunnen. In de kerk is er al zoveel doorsneepraat, bange gemoedelijkheid, angstige vriendelijkheid en zich op de vlakte houdende onkunde dat iets uitgesprokens weldadig aandoet. Laat het dan maar hoekig, halsstarrig en tegendraads zijn. In de Bijbel vinden we iets soortgelijks bij de profeten. Hun oproep tot de zuivere dienst des Heeren viel er ook steeds weer rauw in.
Toch dreigt het nu een bezinning en typering te worden, waarvan men kan denken dat ze net zo goed kunnen gelden voor allerlei radicale alternatieve gemeenten en groepen. Dit misverstand wordt verwekt, doordat er iets aan deze kenschetsing ontbreekt. En dit ontbrekende is juist het meest wezenlijke.
Uit de lange optocht van contacten en ervaringen met de Gereformeerde Bond, die voor mijn oog wegtrekt, blijft één indruk als allesoverheersend over, namelijk: de Godsdienst is er hoofdzaak.
God is geen randverschijnsel en de godsdienst geen vage ontroering tussen andere. God is niet tot een vraagstuk en de godsdienst niet tot een probleemgebied geworden.
God is er. En Hij is. Die Hij is. Zijn immense majesteit en hoge heiligheid vervult het hart met vrees en beven. Hij is de God van recht en gerechtigheid. Een vuurgloed trekt voor Hem uit. In vlammend gericht verschijnt Hij. Wee mij, wie ben ik!
De schrik des Heeren wordt er gekend. Gods er-zijn is er als een inbreuk, als iets wat over een mens gaat komen en gekomen is. God is er niet als conclusie, maar als begin. God is er niet als vermoeden, maar als zekerheid. God is er niet als eindpunt, nadat alles geregeld is, maar als begin, dat alles ten diepste verandert. Dit is niet het alleen bezit van de Gereformeerde Bond. Nee het duikt telkens op. Je vindt het in zijn eigen nadrukkelijkheid soms zomaar daar waar je het niet verwacht. Je vindt het soms bij bonders niet en bij niet-bonders wel.
Maar in de Gereformeerde Bond wordt dit nog het meest verbreid gekend. Daar is het verdicht aanwezig.
En wat hierna komt, dat kan van alles zijn. Hoe de ervaring zich uitwerkt, de beleving zich kleurt, daarin is verscheidenheid. Dat kan soms een terechtkomen zijn in ketterijen, die de confessies van Doornik, Heidelberg en Dordt bestrijden; in praktijken, die de schriftuurlijke nauwgezette praktijk der godzaligheid met de voeten treden.
Maar de grondervaring kleurt zich als het goed is rood. En dat is niet alleen het rood van de vuurgloed des Heeren, maar ook het diepere rood van het zoenbloed van de Zaligmaker. Dat is niet slechts het rood van schaamte en schrik, maar ook het rood van de blijde blos der dankbaarheid.
Ik hoop dat de bond er blijft en dat hij zichzélf blijft in het wezenlijke, met al de gevolgen (aangename en onaangename) voor de anderen en voor ons.
Dit zichzelf blijven moge echter parallel lopen met het zich inzetten voor een algemene herwaardering van het gereformeerde belijden in onze vaderlandse kerk. Dit zal intern zijn moeiten geven. Dat men ze niet schuwe! Deze moeiten zijn de knetterende vuurvonken van de spanning, die er is tussen inkeer en getuigenis, het in de binnenkamer toeven en in de wereld staan. Deze spanning hoort bij het geloofsleven. Het kloosterleven heft voortijdig, beter vóór de eeuwigheid, deze gebrokenheid op, doch is daarmee niet een oplossing maar een verzoeking.
Ik hoop, dat de Gereformeerde Bond zich nog stelselmatiger, doeltreffender en wetenschappelijker inzet voor het wezenlijke van het gereformeerd belijden dan tot nu toe het geval is. Moge de bond er in slagen jonge mensen te vinden, te stimuleren en de gelegenheid te bieden om met vrucht te dingen naar een wetenschappelijke, leidinggevende taak in kerk en school.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 april 1981
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 april 1981
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's