Bij het jubileum van de Bond
Het komt mij voor, dat de bijdrage van de Bond een wijdere actie-radius zal kunnen krijgen, als de confrontatie naar buiten toe nog meer het karakter van een echt gesprek gaat aannemen.
Wie bij een jubileum een felicitatie-artikel schrijven moet, staat voor de taak eerlijk te zijn én ten opzichte van de jubilaris èn ten opzichte van eigen gevoelens. Die taak is bepaald niet gemakkelijk, Desondanks heb ik mij graag bereid verklaard ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van de Gereformeerde Bond enkele gedachten op papier te zetten, omdat ir. J. van der Graaf mij verzekerde dat elke scribent vrijelijk mag zeggen, wat hij of zij op het hart heeft!
Respekt
Mijn eerste woord is een betuiging van echt respekt. De jubilaris is met zijn ouderdom van 75 jaren geen historische grootheid maar binnen de huidige Nederlandse kerkelijke wereld een levende kracht. Wie zelf voortkwam uit de traditie van Afscheiding en Doleantie heeft alle reden zich daarover te verbazen en die verbazing is nuttig en heilzaam! Ondanks de werfkracht, die de beweging van 1834 tientallen jaren lang uitoefende en ondanks de grootscheepse aktie Van Abraham Kuyper in de jaren rondom 1886 zijn er blijkbaar niet weinige gereformeerden in het Hervormde Kerkgenootschap gebleven. Zij wilden de belijdenis der vaderen èn de kerk der vaderen vasthouden. Daar was moed en karakter voor nodig, want links en rechts waren er mensen genoeg, die óf het een óf het ander wilden maar niet allebei tegelijk!
De richting, die de Bond insloeg, was van meet af duidelijk. Hij wilde voortgaan in het spoor van de Reformatie, zoals die in ons land in de 16e en 17e eeuw gestalte had aangenomen. Dat 'profiel' was en is direkt herkenbaar, ook voor wie - zoals ondergetekende - van het werk dat de Bond verrichtte en verricht slechts gedeeltelijk op de hoogte is. Wat mezelf betreft: langs twee kanalen kwam de Bond binnen mijn horizon. Het eerste kanaal vormden de publicaties van ir. J. G. Woelderink. Voor vele kerkelijk-gereformeerden, met name de latere vrijgemaakten, was hij een gezaghebbend auteur. Woelderink besprak de problemen van de gereformeerde bevindelijkheid met alle theologische achtergronden daarvan zeer diepgaand en zeer kritisch. Zijn kritiek raakte niet alleen zijn eigen 'milieu' - de Bond - maar ook de theologie van Kuyper en het neo-calvinisme. Als theologisch student las ik het oeuvre van Woelderink helemaal door. Ik vond een vind hem een uiterst bekwaam theoloog, die zich weliswaar beperkte tot voornamelijk één gebied - de leer des heils - maar dit terrein dan ook volkomen beheerste. Door Woelderink - op wie ik straks nog even terugkom - kreeg ik een kritische kijk op de Bond.
Daarom was het goed, dat naast deze taxatie via het geschreven woord trad de kennismaking met de praktijk via het gesproken woord. Deze kennismaking had een bijzonder vorm. Als student in Kampen was ik ook aktief als freelance journalist, voor de plaatselijke pers. Voor het Nieuw Kamper Dagblad en het Kamper Nieuwsblad heb ik allerlei kerkelijke gebeurtenissen verslagen. Ik beluisterde vele intree-, afscheids-, en jubileumspreken, ook van 'gereformeerde bonders'. Daarnaast woonde ik 'ambtshalve' verscheidene bijeenkomsten van de Gereformeerde Zendingsbond bij. Ze werden gehouden in de Broederkerk. Organist Van Dijk verschafte mij een plaatsje op de orgelgalerij. En daar, enigszins verscholen achter de gordijnen, kon ik het gebeuren op mij laten inwerken. De vrienden van de Zendingsbond konden heel wat aan: regel was vier toespraken op één middag, onderbroken door een pauze. Eigenlijk waren het korte preken. Zij boeiden mij, alleen al door het feit dat ze sterk verschilden van de preken, die ik 's zondags in de eigen kerk hoorde. Wat mij o.a. trof was de uitleg van oudtestamentische teksten, die middels een flinke scheut 'allegorie' ofwel vergeestelijkende uitleg op de individuele hoorder was afgestemd. In alles speurde ik de tendens naar een orthodoxe mystiek, in elk geval persoonlijke beleving. Daarbij voelde ik toen al wel het verschil aan tussen een spreken, dat direkt uit een beleving voortkomt en een spreken, dat de beleving van anderen opnieuw formuleert. Het eerste is altijd pakkend, het tweede wordt snel vermoeiend en vervelend.
Zo verliep mijn kennismaking met de Bond en ik vermeld dit hier, niet om een autobiografische drang te bevredigen maar omdat dit beeld door wat ik naderhand vanuit de Bond las en hoorde niet fundamenteel gewijzigd werd, zij het wél aangevuld en bijgesteld. En op grond van dit beeld wil ik dan graag nog nader uiting geven aan mijn waardering, kritiek en wensen!
Bezinning op eigen erfgoed
Het verheugt mij, dat in de Bond een intensieve bezinning op het eigen erfgoed op gang gekomen is. De arbeid van professor S. van der Linde als kerkhistoricus heeft daartoe een belangrijke bijdrage geleverd. Op zijn vele verkenningstochten door het wijde landschap van de Nadere Reformatie wees hij op de lichten schaduwzijden van het gereformeerd piëtisme. Zijn kritiek geldt vooral de overaccuntuering van de praedestinatie en de staat en stand van de enkeling, waardoor enerzijds de zekerheid van het heil anderzijds de breedte van het heil in gedrang dreigde te komen: geconcentreerd op eigen innerlijk vertoon de gelovige de schepping en zijn roeping in wereld en samenleving uit het oog. Van der Linde bepleitte een terugkeer tot Calvijn en het - nog niet zo versmalde - begin van de Nadere Reformatie en dit pleidooi werd door leerlingen ondersteund. Ik denk hierbij aan de goedgedocumenteerde studie van C. Graafland over de zekerheid van het geloof en het grondige proefschrift van W. Balke over Calvijn en de doperse radikalen. Opmerkelijk is, dat in dit geval via de bestudering van de geschiedenis de systematische-vragen opnieuw aan bod kwamen. Een teken daarvan is de hernieuwde bezinning op de theologie van Woelderink, die m.i. voor de toekomst van groot belang kan worden niet het minst door de herontdekking van de wezenlijke functie van de prediking als een echt, welgemeend aanbod èn mededeling van genade.
Naast de inventarisatie van het eigen erfgoed is een positief aspekt het gesprek - althans de aanzetten daartoe - met het eigentijdse denken in theologie en filosofie. H. Jonker en C. Graafland hebben - ieder op eigen wijze - aan dit gesprek deelgenomen, waarbij opvalt, dat - zoals bij Graafland - een stuk kritische benadering een heroriëntatie op bepaalde punten niet uitsluit. Typerend voor dit laatste is de nieuwe aandacht voor de blijvende theologische betekenis van Israël, die uiteraard niet te denken valt zonder de inzet van S. Gerssen. In samenhang met deze confrontatie wil ik ook vermelden de originele bijdrage tot de analyse van H. Bavinck en G. C. Berkouwer, die S. Meijers in zijn proefschrift leverde. Mij is geen hervormd theoloog bekend die even grondig als hij op de hoogte is met het denken van deze beide grote dogmatici uit de kring van de gereformeerde kerken.
Ik vermeld dit alles om te laten zien, dat de theologische arbeid uit de kring van de Bond ook bij theologen van andere origine de aandacht heeft getrokken. En ik ben van mening, dat die arbeid - waartoe ik ook het tijdschrift 'Theologia Reformata' reken meer gehoor verdient dan hij thans ontvangt.
Actie-radius
Het komt mij voor, dat de bijdrage van de Bond een wijdere actie-radius zal kunnen krijgen, als de confrontatie naar buiten toe nog meer het karakter van een echt gesprek gaat aannemen. Voorwaarde voor een echt gesprek is, dat ik mij vanuit eigen beginsel midden in de situatie van vandaag opstel en de vragen van cultuur en maatschappij, van politiek en ethiek, van kerk en godsdienst op mij laat afkomen als vragen, die mijn vragen zijn of weldra mijn vragen kunnen resp. zullen worden! Het ideaal van Kuyper zou ik ook de Bond willen voorhouden: het gereformeerd belijden 'in rapport' brengen met de eigen tijd. Het gereformeerd belijden mag niet als 'ouderwets' overkomen. Het kan en moet zich openbaren als een heilzame kracht voor het, heden. Het zoeken van een echt 'antwoord op de tijd' is zwaar, vergt veel kracht en is door gevaren omringd, maar in het geestelijke leven heeft goedkope waar nooit duurzaam bestand.
Het rechte bewaren van het toevertrouwde pand is niet - denk aan de gelijkenis van de talenten! - het wegbergen ervan in een bunker, maar het werken ermee in het wijde veld van het leven. Het mag dus nooit vervallen tot conservatisme, dat vergeet, dat tradities alléén wel beschermende maar geen reddende kracht bezitten. Het werken met het toevertrouwde pand in het leven van nu - dat wens ik de Bond toe. Ik wil dit nog nader konkretiseren ten aanzien van de theologie, de kerkelijke praktijk en de oecumenische relaties.
Wat de theologie aangaat: laat het creatieve denken zijn kans krijgen! Laat de Bond zijn theologen de ruimte tot studie en tevens ook de nodige speelruimte gunnen! We wachten op méér studies vanuit de Bond op het gebied van dogmatiek en ethiek, ook op dat van de Bijbeluitleg. Een waardevolle proeve van exegese gaf jaren geleden de helaas betrekkelijk jong overleden dr. A. A. Koolhaas in zijn studie over theocratie een monarchie in Israël. Hij liet mij zien, hoe zorgvuldige historischkritisch analyse van de tekst geen bedreiging voor het Schriftgeloof behoeft in te houden maar de Schriftinhoud verhelderen kan.
Praktijk
Wat de kerkelijke praktijk betreft: juist een verantwoorde exegese zou helpen ruimte te scheppen voor de dienst - ook de ambtelijke dienst - van vrouwen in de kerk. De gereformeerde kerken hebben die dienst als een zegen leren ervaren.
Wat de oecumenische relaties betreft: een verbetering van de relatie tussen de Gereformeerde Bond en de gereformeerde kerken zou voor beide heilzaam zijn. Het gaat mij aan het hart, dat samenwerking tussen plaatselijke gereformeerde kerken en hervormde gemeenten met een sterke inbreng van de Bond nauwelijks of niet van de grond komt. Verwereldlijking bedreigt ons beide, zij het op verschillende manier. Wij hebben elkaar nodig. Wij kunnen van elkaar lezen. Daarom verheugt het mij, dat in de laatste tijd óók binnen de Bond stemmen opgaan, die zich positief uiten over 'Samen op weg'. Want onze grote zorg moet niet zijn: wat komt er van mijn kerk, mijn groep terecht, maar: hoe zal het gaan met de zaak van Christus in Nederland. Zal de Zoon des mensen, als Hij komt, in ons land geloof vinden?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 april 1981
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 april 1981
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's