Boekbespreking
John Wall, Niemand dan Christus, De Hertog, Utrecht 1980, 298 blz, , geb. ƒ 32, 50.
De schrijver van dit boek, die leefde van 1588 tot 1666, is predikant geweest in de Engelse Staatskerk. Zijn boek dat hier in vertaling voor ons ligt, verscheen voor het eerst in 1648 onder de titel None hut Christ. De eerste Nederlandse vertaling zag het licht in 1660, dus nog tijdens het leven van de auteur. Daarna is het nog enkele malen herdrukt in deze vertaling. Het laatst in 1857. In deze laatste druk van 1857 is de spelling een beetje gemoderniseerd. De nieuwe druk die nu door De Hertog op de markt is gebracht is een fotografische herdruk van de vorige-eeuwse uitgave.
Het is gewoonte geworden om alle Engelse 'oude schrijvers' gemakshalve Puriteinen te noemen. Toch is dat niet juist. Als dienaar van de Anglikaanse kerk is het zelfs beslist onjuist Wall als zodanig te betitelen. Hij was een Pietist. Daarmee is niet een scheldwoord bedoeld, maar slechts een historische aanduiding. Voor liefhebbers van de oude piëtistische lectuur zal het een vreugde zijn dat dit boek van Wall, dat zo lang uitverkocht was, nu weer te verkrijgen is. Ook wij verheugen ons daarin. Maar wij voegen er onmiddellijk aan toe, dat het toch wel jammer is, dat de oude wat bijgeschaafde 17e-eeuse tekst niet nog eens grondig vergeleken is met de oorspronkelijke Engelse tekst. Nu staan er zinnen en uitdrukkingen in het boek die zonder meer ongebrijpelijk zijn; zelfs voor kenners van deze lectuur, laat staan voor ongeschoolden. Er staan zelfs een paar dwaasheden in als b.v. op blz. 48. Daar lezen wij, dat Bernard (von Clairveau) eens zou hebben gezegd: 'Heere Jezus! ik heb U lief. Dat is, meer dan al mijn vrienden, vrouw of kinderen, ja liever dan mijzelven." Ja, en dan te bedenken dat Bernard een monnik is geweest; en dus heus geen vrouw en kinderen had! Ik weet niet op wiens rekening ik deze (historische) blunder moet zetten, op die van de auteur (maar dat kan ik me haast niet voorstellen) dan wel op die van de vertaler (Bartholomeus Reyniersz., een apother uit Vlissingen). De hooggestemde lof die ds. Op 't Hof hem in de Inleiding toezwaait, had dan wel wat gematigder kunnen zijn. Ik zou nog meer kunnen noemen. Soms worden Luther heel wonderlijke dingen in de mond gelegd. Maar ja, dat gebeurt nu eenmaal keer op keer, en waarlijk niet alleen hier.
Wat betreft de inhoud, die is wat de hoofdstrekking betreft, een lofzang op Christus en de kennis van Christus. Een kennis die niet alleen 'beschouwelijk' is, maar ook met 'toegenegenheid', en krachtig in het leven. Het is waar wat Op 't Hof schrijft dat Wall gesepareerd heeft tussen de algemene en de zaligmakende kennis van Christus. Maar ik meen, dat hij niet helemaal terecht zegt dat Wall dat 'uitgebreid' heeft gedaan. Wall begint met de deugden van Christus hemelhoog te roemen, en daarin is hij zeer uitgebreid; dan komt er een stuk waarin hij separeert, en daarna, weer heel uitgebreid, gaat hij de kleinen en zwakken in het geloof bemoedigen; om tenslotte in zekere zin tot zijn uitgangspunt terug te keren en de dienaren van de kerk de zeer heerlijke prediking van Christus aan te bevelen. Wall is dus gelukkig niet gevallen in de zeer verderfelijke dwaling om bijkans alleen maar negatief te spreken; over hetgeen \\tXniet is, of nèt nog niet is. Dat hij'het ter sprake brengt is terecht, maar de vraag is; in welk kader staat het?
Ik meen dat wij om de zielen niet in verwarring te brengen, wat dan daarna niet meer goed te maken is met een nog zo breedvoerige bespreking van alle twijfelgevallen, opdat de kleinen en zwakken niet in wanhoop ten onder gaan, wij in het opsommen van de 'kenmerken' de uiterste soberheid hebben te betrachten. De Schrift zelf gaat ons daarin voor. Het trof ons ook dat Wall steeds weer wijst op de belofte Gods, als het eigenlijke object des geloofs. Hij zegt: Ook de zwakgelovige ziet op de belofte Gods, om daarzi'jn geloof op te gronden (43). Wat verderop: Ook het zwakste geloof steunt op Gods belofte (46). Hij zegt ook, dat God ons roept om Christus aan te nemen (120). En: 'De beloften zijn gedaan aan al degenen die Christus willen zoeken' (122). En dan volgen een aantal aansporingen om zich toch Christus toe te eigenen Nog een citaat: Ook het zwakste geloof is een aangrijpen van de belofte, en een vertrouwen en steunen op Christus (135).
Wall gaat ook in op de vraag van deze of gene, of hij wel voldoende vernederd is voor God, zijn antwoord is: Dan is iemand genoegzaam vernederd geweest en bereid, wanneer hij bereidwillig is om Christus te ontvangen als zijn Heere en Zaligmaker, hetwelk het einde (doel) van de vernedering is (197). Treffend vond ik ook de uitspraak: Sommigen gaan naar de hel met meer vernedering, dan anderen naar de hemel gaan (r97). Tot slot, wij zouden ook nog wel een paar kritische kanttekeningen kunnen maken bij dit boek. De vraag zou kunnen worden gesteld of het niet een beetje tweesporig is: enerzijds de afwijzing van de zondige mens van zichzelf naar Christus, , die tot ons kpmt in het Woord der belofte, en anderzijds een toch ook verwijzen van diezelfde zondaar naar zichzelf, naar zijn 'kenmerken' van genade, zij het dan dat dit laatste bij Wall niet zo sterk naar voren treedt als bij menig ander pietist. Reformatie en Pietisme hebben in het ene hart van Wall om de voorrang gestreden; ik meen dat de Reformatie toch wel de overhand heeft behouden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 april 1981
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 april 1981
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's