Gezondmaking van de kerk
Vanaf de oorsprong van de kerk is deze meer gedeeld dan geheeld.
A. Heeft het zin erover te spreken?
Als we het thema 'Wat moeten we doen om de kerk gezond te maken' aan de orde stellen dan mogen we ons allereerst wel afvragen of het zin heeft over zo'n onderwerp te spreken. Wij maken immers de kerk niet gezond?
Vanaf de oorsprong van de kerk is deze meer gedeeld dan geheeld. Onze eigen Nederlandse Hervormde Kerk is een gevolg van de voortgaande deling. En vanuit deze kerk is het delingsproces als een repeterende breuk doorgegaan.
Bovendien is er binnen onze kerk al meer dan een eeuw de strijd om kerkherstel. De kerkorde van 1951, waarmee de worsteling van met name de vooroologse jaren èn van de oorlogsjaren, afsloot heeft de afronding van het kerkelijk vraagstuk uiteindelijk ook niet gebracht.
De richtingenkerk is er in feite nog steeds. Het richtingselement is zelfs de laatste jaren weer sterk toegenomen, zij het met andere grenslijnen dan in de vooroorlogse jaren.
De vraag of het zin heeft over een thema als het onderhavige te spreken ligt derhalve voor de hand. Prof. dr. J. Douma (Vrijgemaakt-Gereformeerd) heeft gezegd dat het zal 'kraken en scheuren' tot de jongste dag.
In de recent uitgegeven brochure van de Confessionele Vereniging 'Belijdend belijden' staat: 'zogenaamd nuchtere mensen halen de schouders op, wanneer ze horen spreken over de éénwording van de verdeelde kerk. Dat komt immers nooit.'
Toch zeg ik 'ja'. Het blijft zin hebben om over de gezondmaking der kerk te spreken. Omdat we geen vrede mogen hebben met een gedeelde kerk en een verdeelde kerk.
Omdat de Schrift ons de kerk (slechts) als het éne Lichaam van Christus voorstelt! Omdat de Geest is uitgestort op alle vlees! Omdat de Schrift ons naar de eindtijd toe verwachtingsvolle perpectieven geeft voor de levende gemeente, door de nood van de tijden heen. Men denke aan Jesaja 11, waarin het gaat om het herstel van het volk Gods en aan Openbaring 13, waarin gezegd wordt dat 'hier', wanneer het beest uit de aarde zich wereldwijd manifesteert, 'de lijdzaamheid en het geloof van de heiligen blijkt'.
Het blijft zinvol met de gezondmaking der kerk bezig te zijn omdat we samen ziillen lijden aan de kerk en aan haar breuk.
B. Het begint in de gemeente
Gezondmaking van de kerk begint dunkt me in de gemeente. De kerk komt om zo te zeggen in de Schrift niet voor, al weten we best wat we er mee bedoelen. De stad van de Efeziërs wordt de kerkbewaarster van de grote godin Diana genoemd (Hand. 19 : 37). In dat verband wordt ook over kerkrovers gesproken (vs. 37). Dat is dan niet het meest aantrekkelijke voorbeeld.
De Schrift spreekt echter veelvuldig over de gemeente. Het Apostolicum spreekt over de ene, heilige, algemene (katholieke) kerk. Vanwege die katholiciteit spreken we dan ook over de Hervormde Kerk (enkelvoud), terwijl de gereformeerden spreken over de Gereformeerde kerken (meervoud), waarbij ze zowel 'het plaatselijke van de gemeente als het gezamenlijk van de kerk gegrepen hebben.
Maar de gezondmaking van de kerk begint in de gemeente of zal daar uiteindelijk zichtbaar worden. In de zuivere verkondiging van het Woord, in de rechte bediening van de sacramenten en in de handhaving van de kerkelijke tucht.
Wat de bediening van het Woord betreft gaat het dan om prediking, die van het Woord naar het hart gaat (in die volgorde). Om prediking, die eigentijds, verstaanbaar (voor jong en oud), eenvoudig en terzake is. Om prediking die wèl actueel, maar niet actualistisch is. Dit laatste betekent m.i., dat prediking niet 'deskundig' behoeft te zijn, in die zin dat de prediker van alle markten thuis is. De bekende dr. C. J. Dippel, die belangwekkende verhandelingen schreef over de verhouding van geloof en natuurwetenschap, schreef eens dat hij niet in de kerk kwam om daarover nog méér te horen. Vanuit zijn vakgebied was hij daarvan meer op de hoogte dan welke dominee dan ook. Hij wilde wèl horen een woord, waarmee hij door de week, ook in zijn vakgebied werken kon. Predik het Woord!
Wat de sacramenten betreft is het goed te wijzen op de noodzakelijke tucht rondom de bediening daarvan, opdat de sacramenten zuiver gehouden worden. Verder zal het besef moeten leven dat juist ook rondom het sacrament de eenheid van de gemeente aan het licht komt. Daar gaat het met name om de éne kudde van de éne Herder. Daar gaat het om het éne meel, dat uit vele graankorrels gemalen wordt. Juist rondom het sacrament zal het persoonlijke pastoraat - in doopgesprek en avondmaalsgesprek, bij de eerste gang aan het Avondmaal b.v. - van groot belang zijn.
En wat de tucht betreft: dat is één van de moeilijkste zaken in onze hervormde gerneenten. In alle hervormde gemeenten staan we hier voor dezelfde problemen: een meelevende kern, een minder of niet meelevende rand, met alle gevolgen voor het pastoraat vandien.
Toch zullen we ons niet neer mogen leggen bij de 'status quo'.
Waar wij niet meer lijden aan de schuldige verdeeldheid van het Lichaam des Heeren (extern en intern), juist ook plaatselijk, in de gemeente, en waar we niet meer lijden aan de ingezonkenheid, de onverschilligheid en aan de tuchtloosheid, daar is geen waarachtige vernieuwing te verwachten. Daar nemen we of genoegen met 'elk wat wils', óf we zijn tevreden met de eigen groep, de eigen kerkelijke groepering.
Maar de brief van Paulus aan de Corinthiërs vermaant ons herhaaldelijk, dat er geen tweedracht zij in het ene lichaam van Christus maar dat de leden zorg zullen dragen voor elkaar (vgl. 1 Cor. 12 : 25). Terwijl anderzijds de verscheidenheid der geestelijke gaven in deze brief ook zo benadrukt wordt.
C. Van gemeente naar kerk
Artikel 27 van de Nederlandse Geloofs Belijdenis spreekt over de kerk als 'een heilige vergadering van ware Schriftgelovigen, al hun heil, en zaligheid verwachtende van Jezus Christus, gewassen door Zijn bloed en gereinigd met de Heilige Geest.
De kerk is een heilige unie van gemeenten, terwijl die gemeenten naar de 'ware Christgelovigen' worden getypeerd.
Daarom zal de kerk als geheel aan de gemeente(n) dienstbaar moeten zijn. De gemeente mag niet ónder de kerk komen, want wat de Schrift van de gemeente zegt, zegt ze ook van de kerk. Als de gemeenten niet gezond zijn kan de kerk niet gezond zijn. Als de kerk echter niet gezond is kan ze de gemeenten wel ongezond maken. Wat dit laatste betreft: de polarisatie in de gemeente kan worden bevorderd door wat zich kerkelijk-theologisch voltrekt. Daardoor kan het wantrouwen in de gemeenten ontstaan tot schade van het Lichaam van Christus.
In het voorwoord van het boek van prof. dr. G. C. van Niftrik 'Waar zijn onze doden' laat hij tot uitdrukking komen hoe er een spanning kan zijn tussen het leven van de gemeente en de 'heersende theologie', die langs de heerbaan voorttrekt.
Ook de kerkleiding kan weggroeien van de gemeente en horig worden aan de leidinggevende theologie en de daarop gebaseerde kerkelijke praktijk.
Wij stellen vragen wat betreft onze eigen kerk: Is de synode representatief voor de gemeenten?
Zijn de raden en organen van onze kerk zó samengesteld, dat ze een echt beeld geven van de kerk?
Zijn de media, die welke relatie dan ook tot onze kerk hebben (Hervormd Nederland, IKON, Woord en Dienst) echt dienstbaar aan, want opkomend uit de gemeenten?
Wanneer de kerk de gemeente niet weerspiegelt dan geldt intussen de mondigheid van de gemeente en de leden der gemeente naar de kerk toe. Dat werd tot uiting gebracht in 1968 toen de Open Brief van de 24 werd gepubliceerd. Eveneens in 1971 toen het Getuigenis zo buitengewoon veel reacties losmaakte.
De vraag is: kunnen we dit vandaag nóg? Samen als Confessionele Vereniging en Gereformeerde Bond een getuigenis, onder welke naam ook, naar de kerk toe geven?
Een levende kerk kent levende gemeenten, die naar de kerk als geheel toe (bijbels-) kritisch moeten zijn. We spreken vandaag van burgerlijke ongehoorzaamheid. Maar kan op bepaalde momenten kerkelijke ongehoorzaamheid de gezondmaking van de kerk niet van onderaf dienen? Want uiteindelijk vormen de gemeenten de kerk. Dan zal overigens de gemeente zelf wel horig moeten zijn aan de Schrift. In de kerk is immers niet de gemeentetheologie of de grootste-gemeente-deler normatief.
Ook de opleiding van de predikanten mag zaak zijn van (gemeenschappelijke) zorg. De theologische opleiding kan immers het wezenlijke van de gemeente, t.w. de verkondiging van het Woord, het pastoraat en de catechese onvoldoende dienen? Wat dit betreft moet gezegd worden, dat het confessionele element in de opleiding de laatste jaren in belangrijke mate is weggevallen doordat vooraanstaande confessionele theologen zijn heengegaan, terwijl hun plaats vaak niet door anderen van confessionele signatuur is bezet. Dat mag ons aller zorg hebben.
D. Gezonde kerk nodig voor de wereld
Het laatste dat ik wil zeggen is, dat er binnen de kerk geen rust mag zijn over de verdeeldheid (naar binnen en naar buiten), omdat dat geen getuigenis is voor de wereld. Joh. 17 spreekt over de noodzakelijke en zelfs gegeven eenheid en zegt daarbij 'opdat de wereld bekenne dat Gij Mij gezonden hebt' (vs. 23). We onderschatten te vaak de invloed, die een verdeelde kerk heeft naar de wereld toe. De geloofwaardigheid van de kerk is daardoor sterk aangevochten.
Anderzijds gaat het ook om de spanningsvolle relatie tussen waarheid en eenheid. We zullen hebben te lijden aan de verdeeldheid, maar - bij alle zicht op wettige pluriformiteit - óók aan de dwaling, het loslaten van de ware leer. Heeft onze kerk enerzijds in haar oecumenische verbanden (Wereldraad van Kerken, Raad van Kerken) niet te weinig die spanning tussen waarheid en eenheid beseft? Zien we anderzijds nog wel de broeders, met wie we qua confessie (in eigen kerk en daarbuiten) verbonden zijn?
En worden verder niet te nauwe verbindingen gezocht met hen, met wie oorspronkelijk de band der confessie wèl aanwezig was maar met wie die band losser geworden is vanwege een weggroeien van de belijdenis? We kunnen hier denken aan 'Samen op Weg'. De Confessionelen zijn ten aanzien van Samen op Weg duidelijk verder dan de Gereformeerde Bond, Ik citeer letterlijk uit genoemde brochure van de Confessionele Vereniging 'Belijdend Samen op Weg' :
’We verheugen ons over elke poging, die in de Kerk gedaan wordt om de ander te zoeken, met de ander te spreken, samen te luisteren naar wat de Schrift ons zegt en naar wat de Kerk door de eeuwen heen beleden heeft, en zó samen de weg te zoeken, die, onder Gods zegen, leiden kan tot meerdere eenheid. Dat geldt ten aanzien van de eigen Kerk - plaatselijk en landelijk - maar het geldt evenzeer voor de verhouding tot andere Kerken.
Daarom staan wij ook in beginsel posidef tegen over het samen-op-weg-zijn van Hervormden en Gereformeerden.
We betreuren het, dat andere Kerken met welke we ook gemeenschap in belijdenis en kerkorde hebben, zich aan dit gesprek en deze beweging onttrekken. Dat mag ons echter niet verhinderen, om met hen, die dit kontakt wèl begeren, al vast op weg te gaan. We zullen die andere Kerken met klem en zonder ophouden blijven herinneren aan wat, naar Schrift en belijdenis, ook hun roeping is. Door zo te handelen weten wij ons geheel in de lijn van hen, die aan de Confessionele Vereniging van ouds (geestelijk) leiding hebben gegeven: Groen van Prinsterer heeft, hoewel hij de Afscheiding veroordeelde, de band met de Afgescheidenen altijd vastgehouden en hen eigenlijk nooit als leden van de Ned. Herv. Kerk willen afschrijven; mannen als Hoedemaker en Kromsigt hebben het Doleantiestreven van Kuyper en de zijnen als een onjuiste oplossing van het kerkelijk vraagstuk van de hand gewezen en het heengaan van de Dolerenden uit onze Kerk ten diepste betreurd. Daarom kunnen we ons over de toenaderingspogingen van hen en met hen, die eenmaal van ons heengegaan zijn, in beginsel alleen maar verblijden.'
Voor de Gereformeerde Bond is het echter zo, dat het de vraag is of blijdschap over een eventuele hereniging nu in het verlengde ligt van droefheid over de scheiding in 1886. Daarvoor is in confessioneel opzicht in de Gereformeerde Kerken ten opzichte van 1886 te veel veranderd. Hier ligt dan ook een grondig verschil in waardering van Samen op Weg tussen de Confessionele Vereniging en de Gereformeerde Bond.
We mogen ons intussen afvragen of we binnenkerkelijk waar maken wat we naar buiten willen. De vraag is of de Gereformeerde Bond en de Confessionele Vereniging in eigen kerk niet dichter bij elkaar staan dan zij samen ten opzichte van de Gereformeerde Kerken staan. Wordt deze vraag bevestigd beantwoord dan wordt het tijd om binnenkerkelijk orde op zake te stellen ten deze. Wordt die vraag met 'nee' beantwoord dan staan we voor de consequenties daarvan, juist ook in de toekomst als Samen op Weg méér en méér gestelt gaat krijgen.
E. Niet wij maar de Geest
Ik eindig met datgene waarmee ik begon. Niet wij maken de kerk gezond. Dat doet de Geest. Daarom is nodig het blijvende gebed: kom Schepper, Geest, doorwaai de hof der kerk. Dan kunnen binnenkerkelijk en interkerkelijk ook vandaag en naar de toekomst toe wonderen gebeuren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 mei 1981
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 mei 1981
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's