Een gezegend prediker (6)
Gemeentearbeid
Die ging vanzelf door. Er waren veel catechisanten. Ik lees in een brief van 34 aannemelingen. De heer H. Sterken te Hasselt (Ridderstraat) met wie ik contact zocht omtrent deze periode, vertelde me, dat zowel zijn vader als zijn moeder in die tijd belijdenis deden en levenslang onder de indruk bleven van het toen gehoorde. Ze hebben de indrukken van toen ook aan hun kinderen doorgegeven. Het was ook het werk, dat mijn vader met hart en ziel deed.
Een bijzonderheid was, dat er in Hasselt toen veel binnenschippers waren. Die deden soms, met het oog op het seizoen, wat vroeger belijdenis. Ze kregen ook apart catechisatie. Aan hen herinnerden twee prachtige reproducties van Mesdag met schepen op zee in onze woonkamer.
Mijn broer, toen al student geworden, deed alléén belijdenis. Ik zie hem, nog staan. Het legde een bijzondere band nog weer tussen vader en zoon. Mijn broer, iemand van weinig woorden, maar van stille, diepe ernst, wekte de verwondering van mijn vader. Zijn eerste Avondmaalsgang was ook in Hasselt. Het verbond hen nog nauwer. Mijn vader schreef erover naar Groot-Ammers.
Pastoraat
Het Woord deed z'n werk. Vruchten ervan werden openbaar. In allerlei levensomstandigheden. Ik lees van vele ziekte-en sterfgevallen, die mijn vader troffen Soms smartte hem het gemis aan uitzicht bij hen, die - jonger of ouder - werden opgeroepen. Soms was er echter reden tot verheuging, hetzij in het aangezicht van de dood, hetzij bij tijdelijke of chronische ziekte. Bij de laatste ontstond soms na ons vertrek uit Hasselt een briefwisseling, die tot aan de dood van mijn vader voortduurde, of zelfs voortgezet werd met mijn moeder, mijn broer en mij. Over al deze ontmoetingen schrijft mijn vader in zijn brieven. Soms waren er opeens vele sterfgevallen. Ik lees ergens van tien sterfgevallen in veertien dagen.
Eens preekte hij met Pasen vijfmaal. Maar een nog vóór kerktijd ontvangen bericht van de doorbraak van nieuw leven bij een van zijn zieken gaf dubbele moed om het 'Paasevangelie' te brengen. In één brief schrijft mijn vader over de geweldige tegenstelling tussen het heengaan van een vrouw met zeer veel pijn naar het lichaam én zonder hoop voor de eeuwigheid, en de dag daarna de begrafenis van een uitnemend christen van 82 jaar, die 'met de heerlijkste blijdschap en zoetste vrede zijn Doodsoverwinnaar Jezus tegemoet mocht gaan'. Het werd een bijzondere begrafenis: 'wat hebben we heerlijk gezongen!'
In één van zijn brieven lees ik van een oude man, de zeventig al gepasseerd, die zich nooit om God of godsdienst had bekommerd, er integendeel, wel mee spotte. De man werd ziek, ernstig ziek, en begreep, dat zijn leven ten einde liep. De benauwdheid greep hem aan en dreef hem tot gebed. Luid en hevig. Telkens: o God, wees mij zondaar genadig! Mijn vader bezocht hem telkens en bad met hem. Dat was welkom. En toch aarzelde mijn vader zich te verheugen over een zondaar die zich bekeert; aarzelde ook hem royaal uit de rijkdom van Gods beloften te bedienen. Ik vermoed, dat mijn vader hier toch meer hevige vrees voor de straf, dan diepe droefheid over de zonde, aanwezig achtte. Meer droefheid naar de wereld, dan droefheid naar God.
Bij een preek over 2 Cor. 7 : 10 vind ik enkele aantekeningen over 'de droefheid naar God', die me interessant genoeg voorkwamen om hier op te nemen. Hij schrijft als notities:
'droefheid is op zichzelf geen bekering. Maar ook:
er is geen bekering zonder droefheid over de zonde.
Men behoeft niet tot een zeker punt van treurigheid en verschrikking gekomen te zijn om bekeerd te wezen.
Bekering heeft niet ééns, maar meermalen plaats.
Bekering brengt niet een allerongelukkigste gewaarwording teweeg.
Bekering hoeft niet vermengd te zijn met ongeloof en vrees, dat de genade ongenoegzaam voor ons is.
Kenmerk van de droefheid naar God is vertrouwen op vergeving.'
Ik denk aan een woord, dat ik ergens las: in oprecht berouw weent de liefde.
Een politiek uitstapje
Uit de Hasseltse periode herinner ik me één van de zeer weinige tekenen van belangstelling voor de politiek.
Het was, meen ik, in 1909, dat er kamerverkiezingen werden gehouden. Toen nog in het kader van het districtenstelsel. In het district, waartoe Hasselt behoorde, stonden tegenover elkander de, ook aan het Hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond niet onbekende, generaal Duymaer van Twist en de liberaal Van Gilse. Bij wijze van uitzondering heeft mijn vader toen openlijk partij gekozen en de A.R. candidaat aanbevolen. Als jongen maakte ik de spanning mee en verheugde mij op de overwinning van Duymaer, al was het in Hasselt maar met een meerderheid van, naar ik meen me te herinneren, 35 stemmen.
Mijn vaders belangstelling en arbeid was zo gericht op de persoonlijke betrekking van de mens op God, en daarmede op diens behoud of verderf, dat hij aan andere terreinen van het leven niet of nauwelijks toekwam.
Toen in zijn Barneveldse tijd prof. dr. H. Visscher eens kwam spreken voor de A.R., heeft mijn vader op verzoek deze vergadering met gebed geopend 'omdat hij de leermeester van zijn zoons dit niet kon weigeren'.
Een ogenblik is hij onder de indruk geweest van de Hervormd Gereformeerde Staatspartij H.G.S. Dat deed 'm dat woord 'hervormd' in naam en achtergrond. Maar toen eens met grote letters H.G.S. werd uitgelegd als: hoort Gods Stem, was de liefde opeens bekoeld.
Hemelvaartsdag 1910
Van die Hemelvaartsdag schrijft mijn vader in een brief aan zijn schoonmoeder, die twee dagen tevoren haar man, mijn grootvader De Vos, verloren had: 'ik heb nog nooit zoo heerlijk gepreekt op Hemelvaartsdag als dit jaar. Wel was ik diep ontroerd en heb ik onder vele tranen gestaan, maar ik mocht toch als op de Olijfberg staan en met Jezus hem nastaren.' Dat is mijn vader ten voeten uit.
Hij had dinsdags mijn broer, student in Utrecht, gevraagd naar Groot-Ammers te gaan, omdat het met zijn grootvader niet goed ging. Mijn vader kon zelf niet weg. Daardoor heeft mijn broer dit sterfbed bijgewoond. Zijn brief, die hij als 22 jarige daarover naar huis stuurde, ligt hier voor mij. Hij schrijft o.a.: 'opa was erg benauwd wat het lichaam betreft, maar zijn ziel was vervuld met hemelschen vrede. In de grootste smarten blijven onze harten in den Heer gerust; 'k zal Hem nooit vergeten, Hem mijn Helper heten, al mijn Hoop en Lust. Dit waren de woorden, waarmede zijn ziel vertroost werd'.
Hij beschrijft dan het hele verloop, heeft bij hem gewaakt en, hoewel het ademen al moeilijker werd, blééf de vrede. Het heeft op mijn broer een onuitwisbare indruk gemaakt. Mijn vader vatte alles in bovengenoemde brief samen (en daarin herken ik helemaal de stijl van mijn vader): 'de golven sloegen in de branding hoog op, maar vlak bij de kust der eeuwigheid was een watervlak, dat geheel effen en vlak was, waarde vrede woonde als eigen is aan het Vredeland, waar de Vredekoning regeert',
'k Herinner me de prachtige maandag van zijn begrafenis.
Zending
Voor 'politiek' had mijn vader dus zeer weinig belangstelling. Te weinig. Voor alles wat naar 'kerkpolitiek' zweemde, had hij vrees. In een meditatie zelfs waarschuwde hij voor de tactiek van het zelf alles te voren in kannen en kruiken klaar maken met afspraken van 'die wel en die niet', en dan vromelijk samenkomen en God bidden om Zijn leiding.
Hij heeft misschien met dit alles wel erg de zwarte kanten voor ogen gehad. Maar zijn waarschuwing tegen allerlei vleselijke onzuiverheid is terecht.
Hij had een afkeer van Kuyperiaans activisme. Maar het woord Kuyperiaans vervangen door een ander helpt weinig. Hij verwachtte alles van het Woord Gods en het gebed. Alleen - God bedient Zich wel van middelen. Hijzelf placht te zeggen (in andere verbanden): God voedert de vogels, maar ze moeten er wel om vliegen. Maar de Zending had altijd zijn belangstelling. In Waddinxveen had hij al 'de Kleine Heidenbode' geïntroduceerd. Hij gaf mij als kleine jongen die ook al in handen. Een oud-catechisant van mij (van Flakkee afkomstig) wist nog van een meditatie van mijn vader in 'Alle den Volcke' (1)) En in de zomer van 1924 (zijn sterfjaar) sprak hij nog een warm woord op een Zendingssamenkomst op de Veluwe. Toen hij stierf schreven mij nog een paar Voetianen, die hem daarbij hadden gehoord, over de indruk, die dit op hen had gemaakt.
Zijn ruime blik kon daarbij Oegstgeest ook nooit helemaal voorbijgaan. Verder had de Zending onder Israël zijn hart. Daarvoor kwam vaak de heer Van Os uit Amsterdam een spreekbeurt vervullen.
Afscheid
Voor veel beroepen had mijn vader bedankt. Welke de motieven waren, die leidden tot de aanneming van het beroep naar Hoevelaken, kan ik niet meer nagaan.
Zijn overtuiging daarheen te moeten gaan is blijkbaar wel heel sterk geweest. Ik herinner me nl. deze bijzonderheid: op of tegen de dag van de beslissing reisde een kerkeraadslid uit Hoevelaken (ik weet nog zijn naam, maar ik heb me nu eenmaal voorgenomen zo min mogelijk namen te noemen) naar Hasselt. Het was op een maandag. Mijn vader was juist teruggekeerd van een zondag preken elders. Op de vraag van de Hoevelaker, hoe het stond met het beroep, was het antwoord: nu, ik neem dit beroep aan. De Hoevelakense diaken vroeg: mag ik dit zwart op wit? Mijn vader tekende de beroepsbrief. En pas daarna stak de afgevaardigde uit Hoevelaken zijn hand in z'n binnenzak en haalde een verklaring te voorschijn, waarbij door de kerkvoogdij een nieuwe pastorie beloofd werd, in plaats van het door omstandigheden uitgewoonde oude huis. Maar deze factor mocht geen gewicht in de schaal leggen. Het was niet nodig ook.
Zo kwam dan eind maart 1911 het einde van onze Hasseltse periode. Het afscheid berokkende aan schrijver van deze artikelen groot verdriet.
De afscheidstekst, die de heer Sterken mij mededeelde naast allerlei andere bijzonderheden, o.a. een gesprek met een 93 jarige, die gelijk met de vader van de heer Sterken belijdenis deed, was het mooie woord uit Hebr. 13 : 20, 21: de God nu des vredes, Die den groten Herder der schapen, door het bloed des eeuwigen testaments, uit de doden heeft wedergebracht, namelijk onze Heere Jezus Christus, Die volmake u in alle goed werk, opdat gij Zijn wil moogt doen; werkende in u, hetgeen voor Hem welbehagelijk is, door Jezus Christus; Den welken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.
1) maart 1947, 41ste jaargang, over efeze 2 : 17, 18
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 mei 1981
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 mei 1981
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's