De aard van het Schriftgezag (11)
(Rapport Gereformeerde Kerken)
wordt de goddelijke openbaring nu niet met de ontdekking van de zin van de mensengeschiedenis gelijkgesteld?
De lichtpunt-functie van de Bijbel
Het is te begrijpen, dat nu de 'indringende vraag' volgt: wordt nu niet heel de mensengeschiedenis gemakshalve maar met goddelijke openbaring gelijkgesteld? Nog beter geformuleerd: wordt de goddelijke openbaring nu niet met de ontdekking van de zin van de mensengeschiedenis gelijkgesteld?
Het antwoord, dat het rapport op deze vraag geeft is opmerkelijk. In de eerste plaats meent men de oude onderscheiding tussen algemene en bijzondere openbaring als een 'onnodig dilemma' te moeten afwijzen. Die afwijzing ligt inderdaad voor de hand, gezien het bovenstaande. Als Openbaring is: de ontdekking van zin in de gewone gebeurtenissen van schepping, geschiedenis en Bijbel, dan is deze onderscheiding niet meer nodig, omdat dan in principe alles waarvan men de zin ontdekt onder openbaring valt. Men komt dan tot één universele openbaring.
Toch wil men ook weer niet consequent op deze weg doorgaan. Men blijkt dan toch weer te willen spreken van een soort bijzondere openbaring, nl. 'het geloof in Gods bijzondere aanwezigheid, met name in Jezus' leven en handelen' (blz. 21). En vandaaruit komt dan Gods aanwezigheid in heel de mensengeschiedenis in het zicht. Het rapport spreekt dan van 'lichtpunten - bijbelse verhalen omtrent Israël, omtrent Jezus, omtrent eerste gemeenten - die de beslissende betekenis van de zin van bestaan, leven en tijd zichtbaar maken'.
Als ik dit goed begrijp, dan verspreidt de Bijbel licht over de openbaring van God in de gewone dingen van het bestaan. De Bijbel krijgt hier dus een 'lichtpunt-functie'. Het is niet zo, dat de Bijbel ons van de unieke en volkomen gezaghebbende openbaring Gods in Jezus Christus getuigt, en dat de dingen van alle dag in dit licht moeten worden gezien. Nee, de openbaring van Gods Aanwezigheid voltrekt zich in alle dingen, waarvan de zin door mensen ontdekt wordt. Alleen vervult de Bijbel daarbij een lichtpunt-functie. Zij licht ons vóór daarover.
Zo vallen inderdaad bijzondere en algemene openbaring samen. De betekenis van de Bijbel is dan alleen nog maar zijn lichtpunt-functie. Daarin is de Bijbel dan nog wel bijzonder.
Mij dunkt heeft deze veralgemenisering van de openbaring verdragende gevolgen. Zo wordt nog eens opnieuw duidelijk gemaakt, dat het unieke en dus gezaghebbende van de Schriftopenbaring diepgaand wordt gerelativeerd.
De waarheid in andere religies
Toch blijft ook dan nog de vraag over, waarom nu die Bijbel juist deze lichtpunt-functie heeft? Hebben de bijbelse verhalen en gebeurtenissen in zichzelf meer 'zin'? Of valt daarin meer 'zin' te ontdekken dan in de gebeurtenissen daarna en in het heden? En zo ja, waaraan ligt dat dan? Zit er meer 'derde dimensie', meer goddelijke diepte en kern in wat de Bijbel te lezen geeft, of hebben de mensen toen in hun gewone menselijke gebeurtenissen meer 'zin' meer 'derde dimensie' ontdekt? Of is het zo dat christenen daarna in de bijbelse gebeurtenissen meer 'zin' hebben ontdekt? Ook hier laat het eerste hoofdstuk van het Rapport ons in het onzekere. Toch zijn deze vragen urgent, hetgeen blijkt, als het eerste hoofdstuk ook de andere wereldgodsdiensten ter sprake brengt. Waarom hebben deze andere religies met hun heilige boeken geen lichtpunt-functie? Of waarom kan hun niet mede zo'n functie worden toegekend? Het antwoord dat het rapport hierop geeft maakt duidelijk, hoezeer het volstrekt unieke van de Schrift openbaring in deze benadering is verzwakt. Want wat het in dit verband weet op te merken is, dat het in deze andere religies ook gaat om gewone menselijke geschiedenis en menselijke daden van verwachting en vertrouwen, en dat het ook daar niet een 'louter menselijke aangelegenheid' is.
Het enige waaruit zou kunnen blijken, dat het in het christelijk geloof om een 'uitnemender weg' gaat, is dat men de waarheid doet en toont. Want 'de waarheid toont zich pas als deze gedaan wordt' (blz. 22). In dat kader zal moeten blijken in het gesprek tussen de wereldreligies, welke waarheid de betrouwbare zal blijken te zijn. Hier wordt dus heel duidelijk de menselijke daad als de verificatie (het bewijs) van de goddelijke waarheid gezien. Alleen blijven wij dan wel met de vraag zitten, of op deze wijze de andere religies niet evenveel kans maken om als de betrouwbare waarheid uit de bus te komen. Als tenminste het christendom de waarheid van het christelijke geloof en de openbaring Gods moet bewijzen en waarmaken, dan wordt het wel een wankel fundament. Tegelijkertijd blijken we hier opnieuw in een christendommelijkheid terecht gekomen te zijn (nu van practisch-maatschappijcritische aard wellicht, vgl. blz. 16), die alle vroegere christendommelijkheid evenaart of zelfs overtreft.
De mens centraal
Uit dit laatste blijkt intussen hoezeer de mens centraal staat in deze openbaringsleer. Het zwaartepunt van dit relationele denken is zodoende wel terechtgekomen bij de menselijke, subjectieve pool. En dan blijkt het daarbij opnieuw te gaan om de mens als zodanig. Dat wordt duidelijk uit de mensleer, die ook nog in dit eerste hoofdstuk wordt uiteengezet. Op blz. 20 lezen wij: 'de mens wordt pas mens door ook de schoonheid van de natuur, door de onontkoombare vragen van goed en kwaad, door de zin van alles wat gebeurt, op zich in te laten werken'. De mens is dan ook 'antwoordwezen'.
Opmerkelijk is, dat telkens gezegd wordt wanneer de mens mens wordt. We lezen in de Schrift, dat God de mens geschapen heeft naar zijn beeld en gelijkenis (Gen. 1 : 26).
De Bijbel spreekt van de geschapen mens. In dit rapport wordt gesproken over de 'wordende' mens. De mens wordt mens, als hij antwoord gaat geven. Ik lees deze dingen precies zo in de Christelijke geloofsleer van H. Berkhof, en dan blijkt daar een evolutionistische visie op de achtergrond te staan, die niet alleen voor de mensleer maar ook voor de zonde- en genadeleer en de Christusbelijdenis ingrijpende consequenties heeft. Moeten wij dit evolutionisme ook hier veronderstellen? Die indruk geeft het wel in sterke mate. Dan begrijp ik ook, waarom deze antwoorden de mens mede constitutief is voor de openbaringsgeschiedenis. Ook dat Jezus evenals Israël wel als 'lichtpunten' fungeren kunnen, maar dan toch zo, dat zij binnen deze openbaringsgeschiedenis van God en mens slechts een bijzondere plaats innemen, als primi inter pares, eersten onder huns gelijken. Uiteindelijk gaat het toch om de mens als zodanig, die de zin van het leven ontdekt en daarmee de betekenis van goddelijke aanwezigheid in zijn gewone dingen en gebeurtenissen. Dit laatste blijkt ten overvloede ook uit de manier, waarop hier gesproken wordt over de verhouding tussen eeuwigheid en tijd. Men verklaart het uit 'een lange denktraditie', die haar oorsprong heeft, niet in het bijbelse maar wellicht in het Griekse denken, dat men in de christelijke kerk eeuwenlang tussen eeuwigheid en tijd een tegenstelling gezien heeft, - waarbij de eeuwigheid niet in de tijd, maar buiten de tijd staat, een tijdloos ingrijpen van bovenaf in onze tijd.
Op deze wijze werd God met de eeuwigheid in verband gebracht, en wij mensen met de tijd. Men meent echter, dat 'heel deze wijsgerige achtergrond van tijdloosheid en tijd, leidt tot een valse tegenstelling' (blz. 19). Eeuwigheid is echter in feite 'de volkomen relatie van de tijdelijke mens tot zijn God'. Daarom is de eeuwigheid altijd al in onze gewone tijd aanwezig.
Ook de eeuwigheid wordt dus vanuit de mens en zijn geschiedenis met God verklaard. Toch is het zeer de vraag, of dit recht doet aan wat de Schrift ons hierover zegt. Stellig heeft het woord eeuwig in de Schrift niet de betekenis van tijd-loos, maar wel van oneindig voortdurende tijd. En zo eeuwig-zijn wordt uitsluitend aan God toegeschreven, in tegenstelling met de mens. Met name in de Psalmen wordt God als de eeuwige God geprezen, die als zodanig heilig is; maar ook goedertieren tegenover zijn volk en de trouw bewaart van geslacht tot geslacht. Zo hoort het eeuwig-zijn bij God en niet bij de mens. Als het rapport dan ook zegt, dat eeuwigheid de volkomen relatie van de tijdelijke mens tot zijn God is, dan menen wij, dat de Schrift het precies andersom zegt. De eeuwigheid hoort bij God, bij zijn wezen èn ook bij zijn daden. Hij is 'de eeuwige God' (Deut. 33 : 27). 'De Heere is Koning, eeuwig en althoos' (Ps. 10 : 16). En als de Eeuwige legt hij relatie tot de mens, zodat dan ook deze mens kan zeggen: mijns harten rots en mijn erfdeel is God voor eeuwig' (Ps. 73 : 26). Hier staat niet de mens maar God centraal, en gaat de beweging uitsluitend van God uit tot de mens en dan pas omgekeerd. En de Schrift laat ons beide bewegingen zien, in hun onomkeerbare orde.
Geen nieuwe benadering
Hiermee kom ik tot het eind van de bespreking van het eerste hoofdstuk. Als het waar is, dat dit hoofdstuk de structuur van het héle rapport bepaalt zoals in de lnleiding is opgemerkt, dan hebben wij hier, in vergelijking met de klassiek gereformeerde openbarings-en Schriftleer, te maken met een fundamenteel andere benadering. Het zou ons te ver voeren om op alle aspecten de vergelijking (het verschil) tussen beide te behandelen. We hebben tussendoor telkens de afstand van het gereformeerde belijden aangaande de Schrift en ook van het Schriftgetuigenis zelf tot deze nieuwe benadering van het rapport aangeduid. We zullen bij de behandeling van hoofdstuk 4 dit nog concreter uitwerken.
Wel is het zo, dat als wij spreken van een fundamenteel andere benadering, dit niet betekent, dat het hier gaat om een volstrekt nieuwe benadering. Prof. Berkouwer heeft daarop in Trouw (2 maart 1981) terecht bewezen. Wij menen zelfs dat Berkouwer degene is geweest, die binnen de Gereformeerde kerken de stoot tot deze andere benadering heeft gegeven. Ik herinner hierbij aan de beoordeling van H. Berkhof, van Berkouwers openbaringsleer in het jubileumboek van 1965 Ex Auditu Verbi: De methode van Berkouwers theologie (blz. 37-55). Berkhof karakteriseert Berkouwers theologie als een correlatietheologie, waarbij de mens een wezenlijke rol speelt binnen het openbaringsgebeuren. Destijds heeft Berkouwer zelf zich vrij fel tegen deze typering verzet. Toch heeft de latere ontwikkeling Berkhof in het gelijk gesteld. En dit rapport kan als een rijpe vrucht daarvan worden beschouwd. Het is dan ook te begrijpen, dat Berkouwer zich vierkant achter dit rapport heeft gesteld, terwijl hij daarbij duidelijk afstand neemt van zijn eigen vroegere Schriftopvatting.
Het rapport geeft dus een visie weer, die in de laatste decennia in de Geref. kerken steeds meer naar voren is gekomen. Ik kom daar later nog even op terug. Nu alleen nog deze opmerking. Wat in de Geref. kerken nog maar een klein aantal decennia aanwezig is, is in de algemene liberale theologie al veel langer in zwang. Ook dat hebben wij boven aangetoond. Wat dat betreft kan dit rapport zelfs als oud en ouderwets worden bestempeld, hoe nieuw alles ook lijkt. Het is zelfs zo oud, dat wij nu ook al, op grond van feiten uit het verleden, de gevolgen kunnen voorzien, die deze 'nieuwe' benadering voor deze kerken zal hebben. Onze eigen Hervormde kerk vanaf de achttiende eeuw kan dat met haar geschiedenis en in het heden duidelijk maken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 mei 1981
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 mei 1981
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's