Gepredikt Welbehagen (2)
Christus is de spiegel van Gods verkiezing!
In deze samenhang treffen wij Calvijns befaamde spiegel-uitspraak aan: Christus is de spiegel van Gods verkiezing!
Wij moeten ons helder voor de geest roepen wat hiermee gezegd is. Dit: wij kijken niet onmiddellijk in de verkiezing, maar middellijk, via Christus. Sta mij toe, Calvijns bedoeling te verduidelijken met een wat profaan beeld. Ik denk aan een autospiegel: door die spiegel kijken wij achteruit en we doen dat niet rechtstreeks. Wie al rijdend rechtstreeks achter zich kijkt, verricht een levensgevaarlijke handelingl En waarom zouden we? Immers, wat wij in de spiegel zien is betrouwbaar!
Zo geldt het in verhoogde mate voor de spiegel van Gods verkiezing, Christus. Wie buiten Hem tracht door te dringen tot de verkiezing is een waaghals. En waarom zouden we? Wat zich in Christus aan ons oog ontvouwt, is de volkomen waarheidsgetrouwe weergave van Gods eeuwige liefde. Wie dus Christus omhelst met armen van geloof, die valt God Zelf om de hals. En wie Christus' armen ontduikt, blijft onherroepelijk van God vervreemd. Daarom, naar Christus heen, als God en ons leven ons lief zijn!
God heeft ons immers, naar het woord uit Efeze 1, niet in onszelf verkoren, maar in Christus! Wel, als wij nu in Hem, dat is in de hechte samenhang met en het echte toebehoren aan Christus, van eeuwigheid verkoren zijn, dan zullen wij de zekerheid van onze verkiezing slechts op één plaats kunnen vinden: niet in onszelf, niet in God de Vader, afgezien van Zijn Zoon, maar alleen in Christus (Calvijn). In deze spiegel lezen we onbedriegelijk onze verkiezing af. Dan hebben wij een vast getuigenis dat wij in het Boek des Levens staan geschreven, als wij geloofsgemeenschap met Christus oefenen!
Zowel in de werken van Luther als van Calvijn heb ik tot mijn verrassing bemerkt, dat zij er niet voor terug schrokken, Christus het Boek des levens te noemen.
Is dat niet verhelderend en bevrijdend? Er is niet een Boek én ook een Borg. Maar deze twee zijn 'één': het Boek is niets anders dan het Lam dat van eeuwigheid als geslacht staat! Van eeuwigheid is er die wondere eenheid van Christus en Zijn gemeente, van Bruidegom en bruid. En deze Borg en Bruidegom treedt nu in de bediening van het Evangelie op ons toe, om ons door Zijn Geest de ontwijfelbare gemeenschap met Zichzelf toe te eigenen en ons te verzekeren dat Hij ons door de Vader gegeven is, opdat Hij met al Zijn weldaden de onze zou zijn.
Dus wat gebeurt er eigenlijk als het Evangelie wordt verkondigd? Dan wordt de schrijn van Gods eeuwige Raad geopend. Het Evangeliewoord komt uit Gods eeuwige, binnenste hart. En telkens wanneer wij in geloof het Evangelie vernemen; zullen wij er zeker van zijn, dat het Raadsbesluit van God, dat ons tevoren verborgen was, bekend wordt gemaakt (Calvijn op Hebr. 6 : 17).
Wat dunkt u, zou het hout snijden, als wij inzake Gods verkiezing het woord opheffen van Mozes (Deut. 29 : 29): 'De verborgen dingen zijn voor de Heere...', om er dan verder het zwijgen toe te doen? Geen gedachte van! Bij de verborgenheden die wij in Gods schoot hebben te laten rusten, valt veeleer te denken aan de raadsels rond de oorsprong en het verloop van de zonde, en de voor ons ondoorzichtige plekken in de Godsregering, om maar 'wat' te noemen. Maar Gods verkiezing is ons wel terdege geopenbaard: voor ons en onze kinderen! Aangaande de verkiezing geldt dan ook veeleer dat andere woord van Mozes: klim niet in de hemel, trek niet overzee, want zeer nabij u is het Woord (Deut. 30 : 13). Dit Woord geeft immers opening van zaken.
Zeker, God heeft hartsgeheimen. Maar, o wonder. Hij houdt ze niet verborgen in de kluis van zijn eeuwige raad, doch ontsluit ze voor schuldige schepselen: Zijn eeuwige raad geeft Hij te kennen in de actuele daad der verkondiging. Ook dit heilgeheim wordt aan zijn vrienden naar Zijn vreeverbond getoond! Jawel, voor wijzen en verstandigen is het verborgen. Voor hoogvliegers valt hier niets te ontdekken dan de verschroeiende schors van ontoegankelijk licht. Maar de kinderkens is het geopenbaard. Het zijn die kinderkens die meer kruipen dan hoog vliegen. Het zijn die kinderkens wier eigen wijsheid gekruisigd is en dagelijks doorkruist wordt, oog in oog met de Christus de Gekruiste, ons in het Evangelie geschilderd.
Het is daar - in het Evangelie - dat wij goddelijke liefdestaal aflezen in de wonden van Christus. Daar horen wij in de nacht van Golgotha een Godsspraak klinken uit het dierbaar bloed van Christus: Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde, daarom sloeg Ik armen van goedertierenheid om u heen en trok Ik u herwaarts heen naar Jezus toe, in Wie Mijn welbehagen is! Daar slaat luide het hart van Gods verkiezende genade, waar God Zijn Kind en uitverkoren Knecht aan ons voorstelt, gehangen aan een hout, geschonken tot verzoening, door het geloof in Zijn bloed.
Daar moet onze eeuwige schuld het afleggen tegen eeuwige, vergevende liefde.
Daar moet mijn weerbarstige wil het verliezen van Gods eeuwige welbehagen.
Daar mag ik, minieme sterveling, mij geborgen weten in de schoot van de eeuwige God, Die is en mij voor was en Die zijn zal.
Daar laat de eeuwige God eeuwige armen onder mij neer. Zo nabij is Gods eeuwigheid!
Eeuwige armen... onder mij. Hoort ge: niet boven, niet vlakbij, maar onder! Zodat ik geen millimeter heb te klimmen maar mag zinken zonder ooit te pletter te vallen! Hier valt nog slechts te zingen: Mijn God, U zal ik eeuwig loven, omdat Gij het hebt gedaan.
Gods verkiezing: niet de ontkrachting van het Evangelie, maar de kracht ervan
Het is helaas niet denkbeeldig, zó over de verkiezing te redeneren, dat heel de Evangelie-prediking ontkracht en ontzet raakt. De Bijbelse wekroep 'heden' verdampt dan onder de drukkende hitte van de eeuwigheid. En het lijkt op het eerste gezicht heel niet onrechtzinnig om dusdoende de tijd te diskwalificeren ten behoeve van de eeuwigheid, maar in werkelijkheid is deze dualistische constructie veeleer heidense (Griekse) filosofie dan Bijbels Evangelie. De God van de Schrift is niet de starre, stenen onbewogen beweger, die vanuit de verre veste van de eeuwigheid de tijd slechts als een mechanisme in werking stelde en zich verder aflaat wikkelen. Ongetwijfeld, God is onveranderlijk!. Maar Hij is dit met een onveranderlijkheid van een geheel eigen orde en stijl: het is de goddelijke, eeuwige trouw aan Zijn eens gegeven Woord, de trouw aan Zijn eeuwige vredegedachten. God ligt niet vastgeklonken aan de vreemde instantie van een dwingend decreet, maar Hij zit - in eerbied gezegd - vast aan Zichzelf: Hij kan Zichzelf niet verloochenen als de Heilige in Wie geen duisternis is, als de Vader Die Zichzelf niet verloochent in Zijn vaderlijk welbehagen.
En Zijn welbehagen is het, om neer te buigen tot het diepst verlorene. Deze hoge, heilige God Die in de eeuwigheid woont, neemt tevens Zijn intrek in het hart van een verbrijzeld mensenkind dat voor Zijn Woord beeft. Jazeker, het Woord van deze God is om voor te beven. Als een pijl valt het uit de eeuwigheid en het velt wat zich verzet. Maar alleen dit al logenstraft iedere verstarring van de levende God. Hij woont niet in die zin in de eeuwigheid alsof Hij erin besloten zou zijn. Niet de eeuwigheid houdt Hem gevangen, maar Hij houdt de eeuwigheid omvangen. Hij beheerst hemel, aarde, tijd én eeuwigheid!
De eeuwige God is ook de God van onze tijdelijkheid, van heel onze levenstijd en levensstrijd. Hij laat Zich heden met ons in. Sprekende! God koesterde niet alleen gedachten en voornemens, maar Hij voert ook heden het Woord en brengt het ook ten uitvoer. Daar is niet alleen de bronwel der genade in de eeuwigheid, maar ook de rivier der genade in het 'heden-der-genade'. Sterker nog: de Eeuwige Zelf is in Zijn Zoon tot in onze tijd gedaald, tot in het gebied van dood en verderf. Hij weet er om zo te zeggen alles vanaf. Christus is tegelijk de Eeuwige, als de Eerste en de Laatste, maar evenzeer Degene Die een Dode is geweest. Wie denkt hierbij niet aan die fonkelende verschijning van de verheerlijkte Christus aan de verbannen Johannes die als dood aan Zijn gloeiende voeten viel? De Eeuwiglevende, een Dode geweest! Zo beurt Hij Zelf Zijn bevende discipel op. Aangrijpender woorden zijn niet denkbaar om ons te verzekeren dat Eeuwige God de gewesten van de tijd heeft aangedaan.
Verschijning van Christus
Nu mogen wij het erop houden, dat in elke rechte, klare en volle Evangelie-bediening de verschijning van Christus plaats vindt die dezelfde wezenstrekken vertoont als die aan de apostel Johannes. Spreekt daar immers ons God de Zoon niet toe, Die van eeuwigheid boven iedere vorm van dood en verderf verheven was, er boven stond maar er vrijwillig in af wilde dalen? Verschijnt Hij ons in het Woord niet als de Levensvorst en Triumfator; Die zo nabij gekomen is dat Hij ons vlees en bloed aannam, en schuld en vonnis overnam; Die onze Broeder werd om Borg te zijn; Die nu Zijn rechterhand - de gelittekende! - op ons legt...
Door deze hand gaat Gods welbehagen gelukkend voort, heden, nu het de dag der zaligheid is en de tijd des welbehagens. Zijn hand deelt zaligheid en zegen uit. En Zijn hand deelt zaad uit! Is Hij niet de grote Zaaier van het goede Woord van God? Waar nu Zijn hand het goede zaad met brede armslag uitstrooit, voltrekt zich goddelijk welbehagen. Hier schuilt het geheim van de kiemkracht der prediking. De vruchtbaarheid van de Woordverkondiging hangt niet van onze dispositie af, maar ligt gewaarborgd in Gods welbehagen. En dat ligt in goede handen. Christus volvoert het! En wel in volmaakte eenheid met de Vader en de Heilige Geest. Al wat de Vader trekt en Hem geeft, zal tot Hem komen! Niets is aan onze mogelijkheden overgelaten, laat staan aan het toeval. Goddank! Want onze mogelijkheden zijn gene, en het toeval is dood. God Drieënig is machtig en levend, en Hij verkiest en Hij roept. Krachtdadig.
En als de zaak er nu zó voorstaat, dat niemand onzer uit eigen beweging tot God zal lopen, krijgt dan het vaak vertekende en veelgevreesde woord van Paulus uit Rom. 9 geen volstrekt andere kleur en klank: Zo is het dan niet desgenen die wil, noch des genen die loopt, maar des ontfermenden Gods'? Wie toch wil, wie loopt? En is het dan geen zielsbevrijdende i.p.v. huiveringwekkende boodschap als Jezus zegt: 'Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader Die Mij gezonden heeft, hem trekke' (Joh. 6 : 44)?
Want... denkt u zich eens een ogenblik in, de waarlijk afgrondelijke gedachte, dat God zich niet geheel eenzijdig zou ontfermen! Als Hij nu eens niet in vrijwillige liefde trok, wie zou dan komen en zalig worden? Is er soms één sterveling die zelf kan willen (en wil kunnen!) en kan lopen? Geen zielsvertroostender Evangelie dan dat van Gods vrijwillig en genadig welbehagen!
Nee, voor 'gewilligen' die nog wel ter been menen te zijn, is het dat niet. Integendeel! Maar voor hen die belijden moeten, onwillig te zijn en kreupel en lam, klinkt het totaal anders. Als toch de Evangelieprediking eens een oproep was die nog iets aan ons overliet? Als nu het Evangelie eens niet geladen was met de sterke stroom van Gods welbehagen en de onwederstandelijke stuwkracht van de Heilige Geest...?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 mei 1981
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 mei 1981
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's