De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De aard van het Schriftgezag (12)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De aard van het Schriftgezag (12)

(Rapport Gereformeerde Kerken)

7 minuten leestijd

Schriftkritisch en historisch-kritisch onderzoek

BESPREKING VAN HOOFDSTUK 2 Schriftkritisch en historisch-kritisch onderzoek

Wij hebben bij het eerste hoofdstuk van het rapport God met ons uitvoerig stilgestaan, omdat wij menen, dat daarin de beslissingen vallen voor het verstaan van het gehele rapport, hetgeen tegelijk inhoudt, dat daar de beslissingen vallen voor hoe er in het rapport gesproken wordt over het gezag van de Schrift.

We willen nu, om het geheel niet te lang te maken, ons beperken tot een beknopte bespreking van de overige hoofdstukken. In het tweede hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van de geschiedenis van het historischkritisch onderzoek van de Bijbel. Belangrijk daarbij is de onderscheiding, die gemaakt wordt tussen Schriftkritiek en het historischkritisch onderzoek van de Bijbel. Schriftkritiek wordt hier verstaan in negatieve zin als een kritische benadering van de Bijbel en zijn inhoud, waarbij de mens aan de hand van zelf-gekozen maatstaven bepaalt wat Woord van God, en dus volgens hem geloofwaardig is, en wat niet. Anderzijds wordt onder historisch-kritisch onderzoek verstaan een aantal wetenschappelijke methoden, die in het Schriftonderzoek worden toegepast.

Nu is in zoverre deze onderscheiding verhelderend, dat wanneer de Schriftkritische wetenschap wordt afgewezen, het daarom niet zo is, dat het historisch karakter van de Schrift wordt ontkend en dus ook elke historische wetenschap, die met de Schrift zich bezighoudt, wordt afgewezen. Men wil wel altijd graag dit dilemma ons voorhouden, en ons dwingen tot de keus tussen óf het één óf het ander. Maar een reformatorische omgang met de Schrift weigert beslist om zich in dit dilemma te laten vangen. Dat is dan ook de reden, waarom orthodox-gereformeerde theologen toch niet in de hoek van de z.g. fundamentalisten willen gezet worden. Onder fundamentalisten worden dan die christenen verstaan, die elk historisch karakter van de Bijbel ontkennen. Die alleen de Bijbeltekst alszodanig als eeuwiggeldend Godswoord hanteren, voor elke situatie en elke tijd en zich niet bekommeren om achtergronden van en verbanden binnen de Schrift zelf. Fundamentalisten citeren de Bijbeltekst dan ook klakkeloos, te pas en te onpas.

Nu moet ik even er tussendoor zeggen, dat als er één categorie christenen het slachtoffer is geworden van het door christenen zelf overtreden van het negende gebod (gij zult geen vals getuigenis spreken tegen uw naaste), dan wel de fundamentalisten. De naam gaat zo ongeveer als een scheldwoord fungeren, dat tevens dan de uitwerking krijgt van een dooddoener. Dit laatste in letterlijk-figuurlijke zin. Als iemand voor fundamentalist wordt uitgemaakt, dan mag men aannemen, dat zijn mond voorlopig gestopt is.

Als ik de bovengeschetste omschrijving van een fundamentalist nog eens bezie, wil ik wel eens weten, waar deze fundamentalisten te vinden zijn. Als wij denken dat zij vooral uit Engelse en Amerikaans-orthodoxe kringen komen, dan moeten wij niet vergeten, dat ook daar enorm veel tijd en moeite en geld besteed wordt aan het Bijbelonderzoek. Dat dit op een andere wijze gebeurt dan in wetenschapskringen in Europa, geeft ons nog niet het recht om te zeggen, dat wij wel ernst maken met het historisch karakter van de Schrift en zij niet. Zij doen het anders. Maar zij doen het wel. En het is voor reformatorische christenen in toenemende mate een vraag, in welke richting zij hun wetenschappelijke omgang met de Schrift dienen te bepalen. Dat zou wel eens steeds meer in laatstgenoemde richting kunnen zijn. Toch blijft het wel een af te wijzen weg, wanneer wij menen, dat we de Schrift kunnen verstaan zonder haar historische achtergrond en verbanden. Daarom is een historische bestudering van de Schrift altijd geboden. Niet alleen voor de theologische wetenschap als zodanig, maar juist ook voor de exegese, en dus met name ook voor de prediking van het Woord.

Niet echt verhelderend

In dat kader is ons dus een onderscheiding, zoals deze gemaakt wordt in hoofdstuk 3 van het rapport, welkom. Alleen blijven er t.o.v. de manier, waarop deze onderscheiding hier gemaakt wordt, nogal wat vragen te stellen. Is het wel doenlijk om binnen de wetenschappelijke Schriftstudie, zoals zij in dit rapport wordt aangediend, deze onderscheiding te maken? In het rapport zelf wordt opgemerkt, dat het in de praktijk niet altijd zo eenvoudig is de beide soorten kritiek uit elkaar te houden. Het is een feit, dat kritiek op de inhoud en de boodschap van de Bijbel zich dikwijls heeft gekleed in het gewaad van een wetenschappelijk-kritische benadering. Deze laatste constatering had men wat voorzichtiger moeten maken in het vaststellen van genoemde onderscheiding. Er zijn, dunkt mij, maar weinig Schriftkritici te noemen, die hun resultaten niet als wetenschappelijk hebben aangeboden. Telkens weer blijken deze resultaten aan te sluiten bij dogmatische opvattingen, die door de onderzoeker zelf worden gehuldigd.

Dat laatste is ook het geval, wanneer deze wetenschappers gebruik maken van die wetenschappelijke methoden, die in het rapport onder het historisch-kritisch onderzoek worden gerangschikt. R. Bultmann b.v. heeft de vorm-historische methode ingevoerd, maar dat hij een vergaande Schriftkritiek met behulp van deze methode heeft uitgeoefend, kan niet worden ontkend.

Nu is Bultmann iemand, die daarin heel ver is gegaan. Letten wij b.v. op iemand als H. Berkhof, dan merken wij, dat hij veel minder ver gaat in zijn Christelijk geloof. Toch doet ook hij eraan mee, ook weer met behulp van de gangbare wetenschappelijke methoden. Met name van de traditie-en redactie-historische methode maar zelfs schijnbaar kleine kritische ingrepen op de Bijbeltekst blijken dan vergaande dogmatische consequenties te hebben. Kortom, de vraag is: waar ligt hier de grens? Want het gebruiken van de wetenschappelijke methoden, die in dit rapport als legitiem worden erkend, is juist het voertuig en het instrumentarium van de Schriftkritiek. Daarom doen wij in de praktijk met deze onderscheiding heel weinig. Het laatste blijkt ook uit het rapport zelf. Wanneer b.v. de historiciteit van bepaalde gedeelten, die in de Schrift als geschiedenis zijn weergegeven, in twijfel wordt getrokken, komt bij ons de vraag op, of dit nu vrucht van historisch-kritisch onderzoek óf van Schriftkritiek is. Of is het vrucht van beide?

Wat is wetenschappelijk?

Ik zou in dit verband de vraag willen stellen, of het wortelprobleem niet reeds ligt in wat in dit rapportonder wetenschappelijk wordt verstaan. Dat men vrij onkritisch de bovengenoemde onderscheiding kan aanbrengen, vindt, dunkt mij, zijn oorzaak daarin, dat men onkritisch het gangbare wetenschapsbegrip aanvaardt. Is het begrip 'wetenschappelijk' in onze door de Verlichting gestempelde cultuurwereld zo zuiver technisch-instrumenteel en dus zo dogmatisch waardevrij, dat men het in een Schriftgetrouwe Bijbelwetenschap zonder meer kan overnemen en hanteren? Historisch-kritische wetenschap gaat toch uit van wetenschappelijke criteria, waardoor menb.v. de historiciteit vaststelt op grond van maatstaven, die binnen de menselijke ervaringswereld verifieerbaar zijn. Maar dan loopt men toch helemaal vast, als het gaat om wat de Schrift als historisch feit ons openbaart. Het rapport zelf neemt daarin een ambivalente houding aan. Zo wordt de opstanding van Christus als historisch feit volkomen gehandhaafd. Maar dat is toch geen resultaat van historisch-kritische Bijbelwetenschap? Anderzijds wordt wel op grond van deze historisch-kritische wetenschap de historiciteit van bepaalde Bijbelverhalen ontkend.

Ik begrijp best, dat hier heel wat moeilijke vragen liggen. Ik wil er alleen maar mee zeggen, dat genoemde onderscheiding niet die oplossing brengt, die het rapport suggereert. Naar mijn inzicht zal het nodig zijn om de gehele wetenschapstheorie opnieuw kritisch te bezien, met name als het om de wetenschappelijke bestudering van de Schrift gaat. Want het is onze overtuiging, dat ook de we­tenschappelijke methoden zelf reeds in sterke mate horig zijn aan dezelfde geesteshouding, waaruit ook de Schriftkritiek ontspringt, namelijk de autonomie van het menselijk denken en de menselijke ervaring, waarin voor het 'bovennatuurlijke' geen plaats kan worden ingeruimd. Wil men dat laatste toch wel, dan is men al bezig met een vermenging van wetenschap en geloof. En dan doet zich een nieuw aantal vragen aan ons voor, die verre van eenvoudig zijn, maar die wij niet kunnen ontlopen.

Mijn bezwaar tegen hoofdstuk 2 van het rapport is, dat het te weinig met deze vragen ernst maakt en een wetenschappelijke oplossing zegt te bieden, die niet echt wetenschappelijk is, althans naar gangbare maatstaf. Ik suggereer hiermee op geen enkele wijze, dat ik zo'n oplossing wel zou kunnen geven. Maar daarom ben ik ook veel voorzichtiger met het aanbieden van een sleutel, die ons de toegang geeft tot een wetenschappelijk historisch-kritisch Schriftonderzoek zonder in handen te vallen van de Schriftkritiek.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juni 1981

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De aard van het Schriftgezag (12)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juni 1981

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's