De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Gepredikt welbehagen (3)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Gepredikt welbehagen (3)

10 minuten leestijd

Daarom, er valt best wat af te dingen op de term 'aanbod van genade'

Daarom, er valt best wat af te dingen op de term 'aanbod van genade' - al hebben onze gereformeerde vaderen die vrijmoedig gebruikt. Maar hij kan worden misbruikt en misverstaan. Hij kan immers suggereren dat het kèrugma (de verkondiging) slechts aanbieding wil zijn en geen schenking, slechts uitnodiging en geen inwinning, slechts voorstelling van de mogelijkheid van zalig worden, waarop wij dan de doorslaggevende beslissing hebben te nemen. En dat kan niet zijn! Dat is Gods eer te na, en voor u en mij te veel eer! Is het dan maar niet beter om de term 'aanbod van genade' te vermijden? Stellig niet. Want hij heeft zijn zeer goed recht en oude papieren! De uitdrukking vertolkt immers dat God een mens niet manipuleert en terroriseert, maar gewoonlijk vriendelijk vraagt en lieflijk lokt. Zo is nu eenmaal de 'stijl' van Gods Geesteswoord. En deze stijl moeten wij niet met onze logicistische stelsels corrigeren, maar in verwondering respecteren. Het Evangelie pleegt geen aanslag op de mens - al kan hij als een Saulus uit het zadel worden gelicht! - maar doet een aanzoek en een aanbod.

Doch aanstonds zij hieraan toegevoegd: de kracht om daarop in te gaan, ligt niet in ons, maar in het aanzoek zelf! Het Woord is immers van een werkelijk scheppende allure: roept dingen die niet zijn. Het is van de Geest doorademd en daarom niet maar een vrome wens, niet maar een welmenend advies, doch zielsovertuigende wekroep. Gods nodigingen staan niet toevallig en tevergeefs in de gebiedende wijs! Hij gebiedt, en . . . het staat er. Dit geeft aan de prediking die geheel eigen verzekerdheid en gedrevenheid. Het is daarom geen hoogmoedige grensoverschrijding, maar kinderlijke hoogachting voor het Woord, als Luther tot zijn gemeente zegt: 'Ik predik het Evangelie, en zo breng ik met mijn stem Christus in het hart'!. Hij had wel terdege recht van spreken, omdat het Evangelie nu eenmaal niet een toespraak van Martinus Luther is, maar sprake van de Heilige Geest.

'Zomin stem en adem, zon en hitte van elkaar te scheiden zijn, zomin ook Woord en Geest. In het Evangelie - zo mocht Luther geloven - vertoont Zich de Heilige Geest als het ware lichamelijk en laat Hij Zich grijpen.' Geen wonder dat hij eens stelde: Als een prediker niet meer gelooft dat Christus door hem spreekt, doet hij er beter aan maar op te houden!

Niet minder dan Luther weet ook Calvijn zich gedreven door de zekerheid dat er in de prediking niet maar 'wat gezegd' wordt, maar dat God Zelf in Christus daar Zijn koninklijke gang gaat en dat Zijn Geest er het Woord voert. Het wonder van ontmoeting en verzoening geschiedt er. 'Laat ons Christus Die ons zo vriendelijk voorgesteld is en ons tegemoet treedt, omhelzen; en Hij zal ons tot Zijn kudde rekenen en in Zijn stal besloten houden.' Calvijn twijfelt er niet aan, of 'God biedt ons Zijn Zoon aan en wij hebben Hem zonder tegenspreken aan te nemen.' 'Heden breidt Hij Zijn armen tot ons uit en worden wij in Zijn bloed gedompeld.'

Wie de reformatoren een beetje kent, kan weten, dat zij de nodigingen en beloften van het Evangelie niet ondanks, maar dank zij Gods verkiezing predikten. Ook in dit spoor hebben wij hen te volgen.

Niemand heeft recht of reden om de betrouwbare kwaliteit van het beloftewoord in diskrediet te brengen. Dat is hoogverraad. En alle zogeheten predikers die zich daaraan schuldig maken - hoe gereformeerd of geraffineerd ook gecamoufleerd - zullen daar rekenschap van hebben af te leggen. Onze grootste zorg moet daarom maar nooit zijn het onkruid haarfijn van de tarwe te separeren en te isoleren - hoe onuitsprekelijk vermoeiend en hoogmoedig! - maar de eerste zorg is deze: gul en goed zaaien, planten en natmaken! Dat kan wel lijden. Want de wasdom ligt gegarandeerd. In niemand minder dan in de verkiezende God, en in niets minder dan in de beloften zelf. Zij zijn groeikrachtig. Ze zijn ja en amen - stuk voor stuk - in Christus Jezus. Ze zijn duur gekocht, met bloed betaald. Zij staan op Naam.

Betuiging van genade

Prediking stelt daarom God en Diens genade niet te kijk, te koop of ter discussie, en laat de geldigheid van de beloften niet afhangen van de gestalten en ongestalten der mensen. Zij gaat op die gestalten wel in, maar er per se niet in op (W. Kremer). En zij houdt er niet voor halt. Zij is immers proclamatie van de Soeverein, zij is distributie van de Vorst. Zij is gunnende, gevende, gloedvolle betuiging én betoning van Gods genadig welbehagen in Christus, én bloedernstige vermaning om op zulk een zaligheid toch acht te slaan.

Kan nu Christusprediking die opkomt uit de verkiezende God, ja, die Hem tot de eigenlijke Auteur heeft, wel ooit een saai en vrijblijvend betoog zijn? Is Christus niet van een hartvervoerende bekoring? Is de Heilige Geest niet wel ter tale?

Geen prediker, die zich in dit trinitarisch krachtenveld bewegen mag, kan daarom volstaan met het áán-bod van genade. Wij moeten voort tot het ge-bod om tot Jezus te komen en bij Hem te blijven. Nee, wij zijn niet de Heilige Geest, dat is waar. Maar dan toch wel Zijn blaasinstrumenten, en wij spreken - mits goed gestemd, afgestemd - in Zijn volmacht. Wij doen daarbij vooral niet als een postbode die, als de deur niet spoedig opengaat, na twee belletjes maar weer vertrekt met de aangetekende brief in zijn tas. Een prediker is veeleer deurwaarder: 'In Naam van de Koning, ik gelast u heden, de poort te ontsluiten! Want ik moet nog heden antwoord brengen aan mijn Soeverein en Meester Wiens zaakgelastigde ik ben.'

En juist omdat wij deze Vorst van soevereine liefde dienen - Die ons dit herautenwerk wel opdroeg maar niet overdroeg, dus Zélf in ons woord present is - durven wij zo te spreken. En juist daarom is het alle aanneming waardig en kijken wij niet nauw in onze nodiging. Wij dwingen in te komen wat zich maar aan ons voordoet.

De ruif hoger?

Het is volstrekt overbodig, nee, ongeoorloofd, om uit angst voor misbruik door de roofdieren, de ruif maar flink wat hoger te hangen. Geen schaap reikt immers zo hoog, om van de lammetjes maar te zwijgen.

Zeker, er is tweeërlei roeping, maar dat blijkt slechts achteraf in uitwerking van de prediking. Nooit mag uit het effect een aprioristisch schema worden geconstrueerd dat de ernst van de zg. uitwendige roeping verlamt. Integendeel, juist omdat wij diep geloven dat de Heilige Geest het uitwendige, 'vreemde', van Buiten en Boven komende Woord (en niets anders!) inwendig in de harten verzegelt, daarom zijn wij zo ruim en royaal. Mét de Heilige Geest hebben wij een grote liefde, achting en verwachting jegens het 'uitwendige' Woord.

Verkwisten doen wij niet, maar kwistig zijn wij wel. Wee hem, zegt een van de gebroeders Erskine, die uit angst voor de honden, het brood aan de kinderkens onttrekt; dat is een slechte huisbezorger!

Het vreemde is dat juist diegenen die hun mond zo vol hebben over het soevereine welbehagen, nogal eens een karige hand en zuinige mond blijken te hebben als het gaat om de heilrijke consequentie daarvan voor de prediking. Immers, onmiddellijk in het verlengde van Gods soevereiniteit ligt de onvoorwaardelijkheid en royaliteit van de Evangelieverkondiging. Zou hiervan wellicht de, achtergrond zijn, dat men wel de bevindelijke termen kwistig hanteert, maar ze niet echt bevindelijk met hart en ziel kent? Geen misleidender voorwerpelijkheid dan die voorwerpelijkheid die onderwerpelijk is uitgedost. Zij gaat door voor bevindelijk, maar valt in het 'kruisverhoor' van het echt-gelovige oor door de mand als gestolde en ontzielde fraseologie, levenloos als een (overigens goed geconserveerde) mummie.

Wie de alle vlees ontmaskerende en nochtans radicaal bevrijdende waarheid van Gods verkiezing in zijn ziel vernomen heeft, en niet maar deze waarheid toegedaan maar aangedaan heeft en ingegaan is, die is bedorven voor alle godsdienstige gemarchandeer met de woorden Gods, en geworven voor de onvoorwaardelijkheid van het hoogheilige Evangelie. Als predikers hebben wij immers een woord rechtstreeks uit de eeuwigheid van Gods hart. Wij staan op de snijlijn van eeuwigheid en tijd, tussen God en mensen. Daar ontlaadt zich welbehagen, als het weerlichten in de nacht. Van de ene einder tot de andere gaat de eeuwigheid ons open: van het nooit begonnen voornemen tot de nimmereindigende verheerlijking.

Dit licht doorgloeit de prediking. Op iedere kansel staat eeuwigheidsspanning. Elke preekstoel is signaal van Gods rechterstoel, omdat prediking - naar een kostbaar woord van Kuyper - praeludium is van het jongste gericht. Men voelt toch wel, dat de pijl der prediking, op deze boog van Gods vrijmachtig welbehagen gespannen, doeltreffend is en doet wat God behaagt. Men gelooft toch wel, dat Woordbediening die uit het welbehagen opkomt en opklinkt, van geen voorwaarden van 's mensen kant afhankelijk kan zijn. Zij hangt 'slechts' af van welbehagen!

Hoe hartgrondig hebben de Erskine's dit geweten en betuigd. Daarom konden zij in volle overtuiging prediken: 'In welk een hulpeloos en hopeloos geval de ziel ook moge zijn, er is een belofte des Geestes evenredig aan dat geval. ' Dit betekent, dat de prediking niet eist: u moet zich eerst ontdekt, boetvaardig, onwaardig, of juist waardig en verkoren weten . . .

Dat lijkt alles wel ernstig en gewichtig, maar het is zo licht als lucht. Ik behoef mij juist omdat wij met een vrijwillig en vrijmachtig God van doen hebben, niet eerst in een vorm te gieten waarin de belofte past. Ik snijd mezelf niet op de maat van het Evangelie. Geen gestalte gaat ten diepste aan de belofte vooraf dan onze natuurlijke wanstaltigheid. ledere andere gestalte, ook die der boetvaardigheid, komt eruit voort. De vraag is immers in het geheel niet - zoals zo vaak als protest in stelling wordt gebracht - wat een zondaar toch met de belofte kan doen . . . Met deze vraag make men korte metten: niets! De vraag die hier ter zake is luidt omgekeerd: wat kan de belofte met een zondaar doen? Prediking van Gods verkiezend welbehagen is daarop het reddende antwoord!

Wat hebben de Erskine's hier scherp ontleed. 'Ziet, hoe schuldig zijn zij die de deur vernauwen en de roeping van het Evangelie belemmeren, door te beweren: Als gij die en die kenmerken niet hebt, is het Evangelie niet voor u; het is alleen voor u onder zekere voorwaarden ! Dit is het Evangelie tot géén Evangelie maken. Het is alsof Christus is gekomen niet om zondaren, maar orn heiligen zalig te maken. Zij spreken zo het werkelijk doel van het Evangelie tegen. Voor u, o zondaar, is de deur der zaligheid geopend. Alles wat deze deur nauwer maakt en de indruk wekt dat er voor u geen toegang is, dat moogt ge verdenken als: geen Evangelie, óf voor zo'n wettisch mengsel houden, dat ge 't hebt te schuwen als de duivel!' Die zulke wegversperringen oprichten, zijn 'onkundige predikers, die de kenmerken van het geloof verwarren met de gronden ervan en de machtiging ertoe.'

Hebt u ooit gelezen wat Kohlbrugge antwoordt op de vraag: 'Hoe weet ik of ook ik verkoren ben? ' Dit: 'Hoort het Evangelie! O alle gij dorstigen, komt tot de wateren. Dit verkondigt u Gods eeuwige voornemen!'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juni 1981

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Gepredikt welbehagen (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juni 1981

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's