De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De aard van het schriftgezag (13)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De aard van het schriftgezag (13)

BESPREKING VAN HOOFDSTUK 3 De gereformeerde kerken

9 minuten leestijd

Er word in het rapport God met ons ook een korte weergave gegeven van de geschiedenis van de Schriftbeschouwing in de Gereformeerde Kerken.

BESPREKING VAN HOOFDSTUK 3 De gereformeerde kerken

Er word in het rapport God met ons ook een korte weergave gegeven van de geschiedenis van de Schriftbeschouwing in de Gereformeerde Kerken. Daartoe is alle aanleiding, omdat deze geschiedenis uitermate intensief en bewogen is geweest en het leven van de Gereformeerde Kerken in sterke mate heeft bepaald. Het meest ingrijpende hiervan is dat men, in vergelijking met het verleden, het ontstaan en de eerste decennia van het bestaan van de Gereformeerde Kerken, spreekt van een betrekkelijk nieuwe benadering, een heroriëntatie in de jaren zestig, die daarna steeds meer zich heeft voortgezet, en waarvan dit rapport als het. voorlopig eindresultaat kan worden beschouwd.

Natuurlijk is de vraag dan van groot belang, in hoeverre er toch een continuïteit is blijven bestaan met het verleden. Men wijst erop, dat de direkt aan het heden voorafgaande generatie allerminst een breuk wilde met de voorgaande, en dat het van de huidige generatie eveneens geldt, dat zij voort wil gaan in een richting, die de vorige generatie reeds is ingeslagen. Degene, die aan deze heroriëntatie dogmatische vorm heeft gegeven is G. C. Berkhouwer. Zij die vooral bijbel-wetenschappelijk hieraan gewerkt hebben, zijn Nic. H. Ridderbos, R. Schippers, J. L. Koele en Herman N. Ridderbos. Het zijn namen, die bij ons grotendeels nog steeds vertrouwen inboezemen.

Toch, om bij het laatste te beginnen, treedt er wel een vrij duidelijk verschil op. Het is opvallend, dat G. C. Berkhouwer zich onverdeeld achter het rapport heeft gesteld. Zijn oordeel komt daarop neer, dat de schriftbeschouwing van dit rapport inderdaad geheel in het verlengde ligt van wat hij er zelf van heeft geleerd. Echter horen wij uit de mond van Herman N. Ridderbos een ander oordeel. Zijn oordeel komt hierop neer: Op het eerste gezicht lijkt het rapport een aannemelijke en zelfs aantrekkelijke Schriftvisie te vertolken. Bij nader inzien echter komen ernstige critische vragen op, die aan het gereformeerd karakter van het rapport doen twijfelen. Het boekje is 'zoet in de mond, maar bitter in de buik'.

Ambivalentie

Hieruit blijkt al, dat de continuïteit met het verleden op zijn minst onduidelijk is, althans ambivalent. Dat gaat nog meer spelen, wanneer de lijnen naar A. Kuyper en H. Bavinck worden getrokken. Kuyper en Bavinck hebben de z.g. organische inspiratieleer aangehangen. Zij gingen daarin uit van de bijzondere-unieke inspiratie van de bijbelse getuigen en de Bijbelschrijvers, waardoor de goddelijkheid van de Schrift in hun Bijbelbeschouwing centraal stond. Maar anderzijds erkenden zij, dat de Heilige Geest deze getuigen en schrijvers op zo'n wijze geïnspireerd heeft, dat hun menselijke eigenschappen en positie daarin werden opgenomen en in dienst gesteld. Op grond daarvan wezen Kuyper en vooral Bavinck een mechanische inspiratieleer af, omdat daarin aan deze menselijke factor geen recht werd gedaan. Deze mechanische inspiratieleer troffen zij vooral aan in de Gereformeerde orthodoxie, die op een rationele wijze de Gereformeerde leer in systeem gebracht heeft. Met name Bavinck erkende wel de goede bedoeling van deze orthodoxie, maar beschouwde haar toch als een stap achteruit vergeleken met de Reformatie zelf.

Organische of mechanische inspiratie

Nu doet zich echter het merkwaardige feit voor, dat ook al willen Kuyper en Bavinck in vergelijking met de orthodoxie een andere inspiratieleer ontwikkelen, die niet mechanisch is, maar meer in de geest van de Reformatie aan het historisch en menselijk karakter van de Schrift recht wil doen, zij, als het erop aan komt, toch hun organische inspiratieleer gaan invullen op een wijze, die weer sterk aan de orthodoxie doet herinneren. Wij vinden dat vooral bij A. Kuyper, maar heel duidelijk ook bij H. Bavinck. Het rapport noemt in dit laatste verband vooral A. Kuyper. Maar de studies van J. Veenhof en S. Meijers over Bavincks Schriftleer hebben aangetoond dat dit ook bij Bavinck zo is.

De gang van zaken laat zich ongeveer zo voorstellen. Kuyper en Bavinck ontwikkelden hun organische inspiratieleer. Maar toen vooral van de kant van de Etischen, zij gewezen werden op de consequenties daarvan, die toch moesten leiden tot een in principe aanvaarden van de critische Bijbelwetenschap, hebben zowel Kuyper als Bavinck deze consequenties niet voor hun rekening genomen en zijn ze in de verdediging en concrete uitwerking van hun inspiratieleer toch weer heel dicht in de buurt van de Gereformeerde Orthodoxie terechtgekomen.

Van daaruit is ook te verklaren, waarom de generatie na hen toch weer sterk in orthodoxe geest de onfeilbaarheid van de Bijbel heeft verdedigd en zelfs vergaande kerkelijke beslissingen daarop heeft gebaseerd.

De vraag is nu, hoe dit moet worden verklaard. Het rapport geeft er de volgende verklaring van. Kuyper en Bavinck hebben het goede principe aangegeven: de organische inspiratieleer. Maar zij hebben niet over de hele linie de uitwerking er aan gegeven, die erbij past. Zij zijn als het ware halverwege blijven steken. Het gevolg daarvan is geweest, dat de tweede generatie hen heeft misverstaan en goeddeels is teruggevallen in een mechanischorthodoxe Schriftbeschouwing. Na hen echter is men Kuyper en Bavinck weer op een juiste wijze gaan verstaan en toen heeft men de consequenties van hun organische inspiratieleer zuiver doorgetrokken. Daarmee heeft o.a. Berkhouwer een begin gemaakt en het onderhavige rapport is daar nu een rijpe vrucht van. Ik ben zo vrij om bij deze interpretatie een aantal critische vragen te stellen. Wat A. Kuyper betreft is het juist om bij hem een zekere dubbelsporigheid te ontdekken. Aan de ene kant vinden wij bij hem een gevoeligheid voor het historische, menselijke, de ontwikkeling van de tijd, de gerichtheid om aan te sluiten bij het huidige denkklimaat. Anderzijds is Kuyper juist bij uitstek degene, die de Gereformeerde orthodoxie weer in sterke mate in zijn theologie tot gelding gebracht heeft. Dat is over de hele linie van zijn theologie aan te wijzen. Onlangs heb ik nog een uitvoerige studie gemaakt van zijn verbondsen dooptheologie en is mij opnieuw duidelijk geworden, hoe bewust en in hoe sterke mate Kuyper bij de scholastieke theologie van de 17e eeuw heeft willen aansluiten, met name bij G. Voetius. Dat verklaart m.i. ook het sterk nationale karakter van zijn theologie.

Kuyper ademt volop in het klimaat van de Gereformeerde scholastiek: Dit rationelescholastieke heeft hij ook in zijn Schriftleer ingedragen, zij het dat hij dit verbonden heeft met het denkklimaat van zijn tijd. Zo is er bij Kuyper een dubbelsporigheid te vinden, ook in zijn Schriftbeschouwing. Daardoor wil hij enerzijds de eigentijdse idee van het organische integreren, maar anderzijds blijft het denkklimaat waarin dit gebeurt, en de concrete invulling daarvan, beheerst door de scholastieke orthodoxie, zodat hij niettemin ook grote nadruk legt op de onfeilbaarheid van de Bijbel en dat begrip dan sterk rationeel kleurt.

Na Kuyper

Nu zien wij na Kuyper, dat naarmate het begrip van het 'organische' minder gangbaar wordt, zijn volgelingen dat laten liggen. Immers zijn ze met de hantering van dit begrip in hun tijd niet meer bij de tijd. Maar aan de andere kant nemen zij het orthodoxe onfeilbaarheidsbegrip van Kuyper wel over. Zij trekken dus vooral één spoor van Kuyper door, dat van het rationeel-orthodoxe, het scholastieke spoor.

Daar komt dan een reactie op, die vervolgens juist het andere spoor in het volle licht plaatst: het organische. Men kan dat doen, omdat het huidige denkklimaat weer in die richting wijst, alleen dan danig gewijzigd in vorm. Wij denken dan aan het z.g. relationele waarheidsbegrip. Zo sluit men toch ook nu weer op Kuyper aan. Terwijl men tegelijk ook dat van Kuyper heeft overgehouden, dat men zijn Schriftgeloof op een rationele wijze tracht weer te geven en te verhelderen. Op deze manier zou dan ook nu nog iets van het oude scholastieke denken zijn overgebleven, zoals, wij al eerder hebben kunnen ontdekken.

Toch is hier nog meer aan de hand. Als Kuyper ondanks zijn organische Schriftbeschouwing toch terugvalt op de orthodoxe Schriftleer, dan is dat niet alleen te verklaren uit het feit, dat hij theologisch de orthodoxie wil doen herleven. Het is ook te verklaren uit zijn Schriftgeloof zelf. Kuyper wilde wel aan zijn Schriftleer een theologische vorm geven, die zoveel mogelijk aansloot bij het eigentijdse denken en dus ook de mens van zijn tijd aan zou spreken, maar als daar consequenties uit getrokken werden, die de vastigheid van zijn Schriftgeloof ondermijnden, dan hield hij halt, ook al werd hem dan inconsequentie in de schoenen geschoven. Liever inconsequent ten opzichte van eigen theologische vorm van Schriftgeloof dan dit Schriftgeloof zelf verzaken of verzwakken. Dat is m.i. de geestelijke ondergrond van Kuypers ambivalentie op dit punt. En ditzelfde kan van H. Bavinck worden gezegd.

De ethischen in het gelijk gesteld

Wanneer wij nu zien, dat men in het rapport genoemde consequenties wel getrokken wil zien en daarmee aan de ethische aanvallen op Kuyper en Bavinck destijds hun theologische gelijk toekent, dan kan het in zeker opzicht waar zijn, dat men nu formeel in de geest van Kuyper en Bavinck zich beweegt, althans wat het ene spoor van het organische betreft, maar het zou anderzijds kunnen zijn, dat men in strijd handelt met hun Schriftgeloof. Omdat de rem, die bij Kuyper en Bavinck hun Schriftgeloof zette op hun organische Schriftleer nu in dit rapport niet meer als legitiem en nodig wordt erkend, althans niet in die mate, alsdat bij Kuyper en Bavinck het geval geweest is.

Mijn conclusie is dan ook, dat het ambivalente in de verbondenheid met Kuyper en Bavinck daarin bestaat, dat men de orthodoxe invulling bij hen, die geestelijk te verklaren is uit hun Schriftgeloof, heeft losgelaten, en dat men hun theologische vormgeving, die althans formeel aansluiting zocht bij het eigentijdse denken, nu heeft verzelfstandigd en overgenomen en eigentijds heeft vertaald en nu ook het Schriftgeloof daarmee in een positieve synthese heeft gebracht. Indien mijn interpretatie juist is, dan betekent dit, dat men formeel-theologisch wel zich op Kuyper en Bavinck kan beroepen, maar dat men materieel-geloofsmatig een principieel andere koers is gaan varen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juni 1981

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De aard van het schriftgezag (13)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juni 1981

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's