Constantinopel en onze belijdenis (2)
Want de enige werkelijk oecumenische geloofsbelijdenis is inzonderheid de geloofsbelijdenis van de Heilige Geest!
Wanneer wij het Pinksterfeest vieren, gedenken wij de uitstorting van de Heilige Geest. Wanneer óók wij in deze dagen het concilie van Constantinopel en haar belijdenis gedenken, vieren wij vooral wat hier beleden is over de Heilige Geest. Want de enige werkelijk oecumenische geloofsbelijdenis is inzonderheid de geloofsbelijdenis van de Heilige Geest!
De voorgeschiedenis van de in 381 gehouden kerkvergadering is in een voorafgaand artikel geschetst. We willen nu onze aandacht richten op het verloop van het concilie zelf en op de inhoud van haar symbool.
Weliswaar zijn van deze rijkssynode nauwelijks officiële berichten bekend. Evenals van Nicea (325) zijn de protocollen óf verloren óf zelfs niet opgemaakt. Toch bezitten we wel bronnen over 381. Naast vele - subjectieve! - gegevens in geschriften van de ooggetuige en tijdelijke voorzitter Gregorius van Nazianze is er ook materiaal te vinden bij diens neef Gregorius van Nyssa. Er zijn ook berichten bij kerkhistorici als Socrates, Sozomenos en Theodoretus.
Theodosius en theocratie
Het verloop moet als volgt geweest zijn. In 379 wordt Theodosius tot keizer van het Oosten uitgeroepen. Daarmee komt iemand uit een Niceens-orthodoxe familie op de troon. Deze nieuwe Augustus, goed dertig jaar oud en pas gedoopt, wil in zijn rijksdeel orde op zaken stellen. Over zijn visie laat hij weinig misverstanden bestaan! Begin 380 vaardigt hij een edict uit, waarin de triniteitsleer tot rijkswet verheven wordt. Alleen zij die deze wet volgen, zijn katholieke christenen te noemen. De ketters worden voor dol en waanzinnig verklaard en met de ondergang bedreigd . . .
Terzijde zij opgemerkt, dat hier een vorm van theocratie naar voren komt zoals we die in deze en volgende eeuwen telkens aantreffen. Zowel bij orthodoxen als hun tegenstanders. Rijkspolitiek is in belangrijke mate godsdienstpolitiek. Iemand als Athanasius heeft de bedenkelijke kanten hiervan aan den lijve ervaren. Toch is ook bij hem een zeker theocratisch ideaal te bespeuren, evenals bijvoorbeeld bij Ambrosius of Augustinus. Met nadruk moet evenwel voor de visie van laatstgenoemde gemeld worden, dat er bij hem nergens sprake is van een christelijk imperium. Dat er christenen tot het keizerschap geroepen worden, ziet hij als een gave Gods. Maar geheel anders dan bij Eusebius en andere hoftheologen is er voor Augustinus beslist géén sprake van een christelijke Romeinse Godsstaat op aarde. In deze wereld zijn er geen blijvende rijken; vast en blijvend is alleen de civitas Dei, de stad Gods.
Wie theocratie zegt, moet eerst duidelijk maken wat hij ermee bedoelt. De geschiedenis leert immers, dat er vele theocratische idealen én praktijken zijn geweest die fundamentele afwijkingen te zien geven van de authentieke christelijke boodschap!
Hoe dan ook te waarderen, Theodosius gaf met het edict van 380 het programma aan van zijn rijks-en kerkpolitiek. Hij wilde zijn imperium ordenen op de grondslag van de te Nicea beleden orthodoxie en aan de enorme verwarring een einde maken. Gezegd kan worden, dat hij hierin voor de kerk een gezegend instrument is geweest.
Synodeperikelen
Begin 38 1 zijn de brieven verzonden voor een Oosters rijksconcilie. Het wordt in de keizerlijke residentie Constantinopel, het nieuwe Rome, bijeengeroepen. De convocatie is ons niet bewaard gebleven. Maar wel weten we dat de keizer initiatiefnemer is en dat bij de keuze van de deelnemers Meletius, een bisschop uit Antiochië, een krachtige hand heeft gehad. Begin mei zijn ongeveer 150 vaders in de hoofdstad present. Eerst volgt een feestelijke audiëntie bij de keizer, waarbij men met vele eerbewijzen overladen wordt. Meletius wordt door de vorst - naar hij zegt op grond van een droom - aangewezen als voorzitter. Het concilie kan gaan beginnen! Maar gelegenheid blijkt nog geen genegenheid. Op weinig verheffende wijze gaan de eerwaarde vaders eerst bakkeleien over allerlei belangrijke en onbelangrijke zaken.
Allereerst, hoe staat het met de bisschopszetel van Constantinopel? Gregorius van Nazianze is hiervoor sinds kort aangewezen, maar nog niet geïnstalleerd. Was hij echter vroeger niet bestemd tot opziener van het dorpje Sazima? En was te Nicea niet besloten dat geen bisschop, presbyter of diaken van de ene naar de andere plaats kon overgaan? Bovendien maakt men vanuit Alexandrië ernstig bezwaar tegen zijn kandidatuur: men heeft liever een directe geestverwant. Toch wordt uiteindelijk, na vele beraadslagingen, Gregorius op feestelijke wijze geïntroniseerd.
Gregorius van Nazianze
Maar na korte tijd sterft plotseling de voorzitter Meletius. Uiteindelijk wordt Gregorius, als bisschop van de hoofdstad, de leiding toegewezen. Maar deze is wel geniaal in theologie en redevoering, niet echter in vergadertechniek. Het loopt hem al snel volstrekt uit de hand. Vooral wanneer de vaders, tegen zijn uitdrukkelijke wil in, besloten hebben eerst eens uitvoerig te spreken over de problemen van de kerk te Antiochië, al jarenlang een ernstig strijdpunt. Gregorius wordt soms letterlijk ziek van alle verwikkelingen. Maar zonder zijn daadwerkelijke leiding gaan de vaders door. En wanneer na weken uiteindelijk ook Timotheus van Alexandrië aankomt, protesteert tegen de reeds genomen besluiten en nogmaals de niet geheel correcte ordinatie van Gregorius aan de orde stelt, is de wanorde compleet. Voor de voorzitter is de maat vol: hij stelt zijn plaats ter beschikking. De keizer willigt zijn verzoek in, ook wel inziend dat dit retorische genie, puur orthodox en volstrekt betrouwbaar, geen leider is. In de kathedraal van de stad houdt Gregorius voor keizer, gemeente en concilievaders een indrukwekkende afscheidsrede.
Wat de kerkvader bij deze gelegenheid over zijn confraters heeft gezegd, zullen we hier maar niet vermelden. In ieder geval is het weinig vleiend geweest. Weinig verheffend is ook, dat men tenslotte Nectarius uit Tarsus, een oude man die in een hoge burgerlijke functie in de residentie werkzaam is, tot bisschop van Constantinopel en voorzitter van de synode kiest. Theologisch en kerkpolitiek gezien is deze figuur een volstrekt onbeschreven blad en – niet onbelangrijk in die dagen! – populair bij de bevolking. Maar zeer waarschijnlijk nog niet eens gedoopt! Men kan voldoen aan canon 15 van Nicea waarin het een ergens aangestelde verboden was over te gaan naar een andere plaats. Maar intussen moet wel canon 2 van dezelfde normatieve kerkvergadering, waarin uitdrukkelijk verboden was een pasgedoopte als bisschop aan te stellen, overtreden worden.
Synodebesluiten
Uiteindelijk wordt Nectarius zowel bisschop alsook concilievoorzitter. En gezegd kan worden dat het vervolg van de bijeenkomsten rustig is geweest. Op 9 juli ten slotte worden de besluiten ondertekend en is de belijdenis vastgesteld. Men vraagt keizer Theodosius een en ander te bevestigen. Wanneer op de dertigste van dezelfde maand diens edict volgt, zijn de bisschoppen reeds lang vertrokken.
Wat heeft men te Constantinopel besloten? Voor later eeuwen is vooral de hier van Nicea overgenomen, uitgebreide en definitief vastgestelde belijdenis van belang geweest. Eerst achteraf heeft deze kerkvergadering zich als gezaghebbend doorgezet en daarmee ook haar belijdenis. Terecht noemt men haar symbool van Neceno-Constantinopolitanum.
Triniteitsleer
In 381 wordt het dogma van de heilige Drieëenheid onder woorden gebracht: één Wezen, drie Personen. Weliswaar wordt het goddelijk geheim geformuleerd in Griekse terminologie. In later tijd zijn er vele dogmenhistorici geweest die daarover hun staf gebroken hebben, inzonderheid de liberale school van Adolf von Harnack c.s. Maar recent onderzoek heeft onomstotelijk aangetoond dat, wat hier in ontologische formulering beleden is, wel degelijk óók beleden is door christenen die niet of slechts weinig onder invloed gestaan hebben van het Griekse denken. Harnacks adagium: ‘Het katholieke dogma is een produkt is een produkt van de Griekse geest op de bodem van het evangelie’, bleek in verschillende opzichten onjuist. Voor de triniteitsleer is dit de afgelopen decennia door geleerden als G. Kretschmar en J. Barbel bewezen.
Godheid van de Heilige Geest
Het moet vooral de diepzinnige Gregorius van Nycca geweest zijn, die te Constantinopel de belijdenis heeft doorgezet, dat ‘de ene Godheid der Drieëenheid in drie Personen begrepen en aanbeden wordt. Daarmee is ook de Godheid van de Heilige Geest erkend., Wij horen er een echo van wat reeds bij Athanasius en Basilius naar voren kwam. Inzonderheid hierin is het nieuwe gelegen van de belijdenis van 381. Ook de Heilige Geest is God: ‘En (ik geloof) in de Heilige Geest die Heere is en levend maakt, die uitgaat van de Vader en de Zoon, die met de Vader en de Zoon aangebeden en verheerlijkt wordt, die gesproken heeft door de profeten’.
Wie goed leest, zal opmerken dat in het bovenstaande de ons bekende formulering gevolgd is. Het zg. filioque (‘en van de Zoon’) kwam oorspronkelijk niet in het symbool voor, maar is er later in de Westerse kerk aan toegevoegd. Hoewel de betekenis ervan door de Oosterse Orthodoxie niet is ontkend, heeft men deze toevoeging nooit opgenomen. Een belangrijke rol speelde hierbij allereerst, dat men niet aan een in de liturgie opgenomen belijdenis kon veranderen. Daarnaast óók dat men niet, zoals in het Westen, beklemtoont dat het werk van de Geest onlosmakelijk verbonden is met het verlossingswerk van Christus. Juist dat is wel benadrukt door Westerse theologen als Augustinus en eeuwen later – in diens voetspoor – door b.v. Calvijn. Het voert ons hier te ver dit verschilpunt nader uit te werken. We vermelden nog slechts, dat de genoemde toevoeging in 1054 één van de redenen is geweest van het grote schisma tussen Oosterse en Westerse christenheid. En dat ongetwijfeld in deze dagen dit verschil in het verre Istanbul wéér aan de orde zal komen!
Zo heeft de kerk 1600 jaar geleden haar oecumenische belijdenis verkregen. Een belijdenis die, naar een beeld van de dogmenhistoricus J.N.D. Kelly, één van de weinige draden is waardoor de aan flarden gescheurde rok der christenheid wordt saamgehouden.
In een tijd vol kerkelijke verdeeldheid is dit symbool ontstaan en eendrachtig beleden. Wij mogen er ons in onze dagen door laten gezeggen. De verwarring en de twisten, zelfs tussen broeders en zusters van hetzelfde huis, zijn er niet minder op geworden. Dan is het verkwikkend de hoogte, breedte, lengte en diepte van deze katholieke belijdenis te horen, ter harte te nemen en te weten dat dit ook onze belijdenis is.
En bovenal mogen we ons dankbaar verwonderen over het werk van Gods Geest die – dwars door alle menselijke tekortkomingen heen – zo geheel verschillende mannen als Cyrillus van Jeruzalem, Gregorius van Nyssa, Diodorus van Tarsus of Petrus van Sebaste, samen met vele anderen, bijéén bracht. Zó, dat ze kwamen tot de volle lofprijzing van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.
Niet in het minst anno Domini 1981 willen wij de eeuwenoude bede uitspreken: Veni Creator Spiritus, Kom Schepper Geest!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juni 1981
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juni 1981
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's