Uit de pers
De vredesbeweging en de verkiezingen
De secretaris van het Interkerkelijk Vredesberaad (IKV) is van oordeel dat de vredesbeweging er bij de verkiezingen niet in geslaagd is een doorbraak te forceren. Dat zal z.i. een verandering in strategie moeten gaan betekenen. De mensen moeten bijetienduizenden de straat op. En het zal allemaal nog harder moeten. De verschuivingen door de verkiezingen acht Faber ongunstig voor de vredesbeweging. Compromissen zullen gesloten gaan worden. En de kernwapenproblematiek zal wel toegedekt worden, zo orakelt de heer Faber in Hervormd Nederland van 6 juni. Faber vreest dat ook de P.v.d.A. water bij de wijn zal doen. De vredesbeweg'ingen zoals het IKV moeten van strategie gaan veranderen.
'De vredesbeweging moet haar opstelling tegenover de politieke partijen gaan herwaarderen. Ze moet ze uiteraard niet met rust laten, maar de vraag is of ons verwachtingspatroon nog wel hetzelfde kan zijn als dat wat we hadden. Het patroon was de afgelopen jaren dat als er bijvoorbeeld door de P.v.d.A. een sterke oppositie gevoerd zou worden, er dus in de Kamer een brede oppositie zou zijn, het mogelijk zou worden de zaak ook op scherp te zetten.
Dat is gelukt, ook door de dissidenten in het CDA. Daardoor kon je heel sterk op het politieke gebeuren inspelen, had je dus kansen.
Als nu dat grote centrum in de regering komt te zitten en ze verenigen zichzelf op een politiek voor een aantal jaren die wij eigenlijk niet goed vinden, wordt je lobby veel minder krachtig. Het zal moeten betekenen, dat een veel groter beroep zal worden gedaan op andere clubs en achterbannen. Er zal in dat geval veel duidelijker gedemonstreerd moeten worden vanuit de nederlandse bevolking'.
Andere clubs?
'We zullen moeten proberen de kerken veel verder te krijgen dan ze nu zijn. De vakbeweging zullen we sterker in moeten en de ontwikkelingsorganisaties zullen zich veel sterker moeten profileren, zodat men in de politiek gaat ontdekken, dat de basis waarop men met het vraagstuk omgaat buitengewoon zwak is. Dat het maatschappelijke draagvlak erg smal is geworden en vermoedelijk niet veel meer behelst dan een aantal politieke overeenkomsten gearrangeerd door politieke elites. Daar ligt een heel nadrukkelijke taak voor de vredesbeweging.
Als de moderniseringsdiscussie in november terug gaat komen, zal de inzet vanuit de vredesbeweging zo scherp mogelijk moeten zijn. Er moeten tienduizenden mensen voor op straat gebracht worden. Een absolute must, met een lobby alleen lukt het niet. Ondanks alles wat er al gedaan en bereikt is, zal het allemaal nog veel harder moeten'.
Dat weten we dan. Het gaat me hier niet om de insnijdende problematiek van de kernwapens, en de aanpak in het geheel van de internationale politiek. Maar het gaat me hier om de taak van de kerk. Het IKV wil een kerkelijke vredesbeweging zijn en vraagt steun van de kerken. Oefent een kerk kritiek op het doen en laten dan voelt men zich al spoedig verraden en verlaten. Tegelijk wil de secretaris van het IKV harder optreden. De vorm wordt niet met zoveel woorden aangegeven. Maar dat zal wel liggen in de sector van harde demonstraties en infiltratie in allerlei politieke organen. Mijn vraag is: Kunnen de kerken dit allemaal nog voor hun rekening nemen? Valt dit onder de taak van de kerk? Of anders gezegd: Kunnen kerken hier steun aan geven?
Mijn grote bezwaar tegen de opstelling van de heer Faber is, dat een kerkelijke vredesbeweging op die manier een politiek orgaan aan het worden is, een politieke pressiegroep, onder de vlag van de kerken. Laat men dan kiezen of delen: Willen de heer Faber en de zijnen de politiek in, niemand zal het hen beletten. Maar laat hij niet kerken gebruiken voor een politieke pressiegroep. De kerk is geroepen tot getuigenis en dienst. Zeker, ze heeft een boodschap tot de overheden en de machten. Maar niet op de drammerige manier van aktievoerders, en nog minder in een bondgenootschap met die bewegingen die vierkant staan tegenover datgene wat de kerk tot kerk maakt, tegenover haar boodschap van het heil in Jezus Christus. En de geschiedenis leert dat wanneer een politieke pressiegroep zich gaat dekken met het gezag van het Evangelie, er een absolutisme optreedt dat geen ruimte laat voor hen die op grond van diezelfde Bijbel toch tot andere politieke keuzes komen.
***
Wat is zending?
In het Hervormd Weekblad van 4 juni schrijft. ds. A. de Haan over de betekenis van de zending in het licht van Pinksteren. De Haan haakt in op een advertentie die een week voor de verkiezingen verscheen van de kant van een bepaalde politieke groepering. Op de advertentie was een collectebusje afgebeeld waarop nog net het woord zend.... te lezen was. De tekst luidde als volgt:
'Het missiebusje, het zendingspotje. Met centen en dubbeltjes het werk in de derde wereld betalen. Om honger en dorst te bestrijden. Om ziektes en sterfte de oorlog te verklaren. Om onderwijs te geven en te helpen waar dat nodig is. Om het Christendom ook praktisch gestalte te geven.
NU HEET HET ONTWIKKELINGSSAMENWER KING
Onze gezamenlijke verantwoordelijkheid om de mensen in de derde wereld verder te helpen. Niet door ze afhankelijk te houden. Maar door ze te leren voor zichzelf te zorgen.
MET BEHOUD VAN HUN EIGEN CULTUUR, HUN EIGEN LEVENSWIJZE, JA HUN EIGEN GELOOF'.
De Haan, die enkele zinnen heeft laten cursiveren, gaat in op de vraag of zending ontwikkelingssamenwerking is. Je gaat toch, zo zeggen velen , niet meer mensen bekeren. Ook de advertentie stelde: Laat mensen in hun eigen geloof. De Haan schrijft dan:
Wie zending zegt moet, naar ik meen, in de eerste plaats aan gezonden zijn denken. Zoals de Vader de Zoon zendt, zo zendt de Here Jezus Zijn discipelen (Joh. 17).
De gemeente van Jezus Christus is in deze wereld gezonden om de grote daden te verkondigen van Hem, die ons uit de duisternis tot Zijn wonderbaar Licht geroepen heeft (1 Petr. 2).
De zending heeft van oudsher ook honger en dorst bestreden. Maar het ging in de eerste plaats om de verkondiging van het Heil van het Behoud in Jezus Christus.
Jezus Christus aanvaarden betekende een totaal ander leven. Een breken met oude goden en machten.
Ook heden ten dage gaat het er in de zending om, te verkondigen: Jezus is Heer. Hij moet als Koning heersen. Het gaat om Zijn gerechtigheid.
De houding van zendelingen, het besef dat Evangelie verkondigen geen theorie is, het oog hebben voor het leed in deze wereld, het zoeken van toegangen voor de verkondiging, de overtuiging dat men het Woord zelf in eigen taal moest kunnen lezen, heeft geleid tot allerlei vormen die we nu ontwikkelingssamenwerking kunnen noemen op het gebied van medische hulp, landbouwontwikkeling, onderwijs, enz.
Deze tweede 'tafel' was, om zo te zeggen, onlosmakelijk aan de eerste verbonden, liever gezegd: was er een wezenlijk onderdeel van, maar het was niet alles.
Daarom gaat zendingswerk niet op in ontwikkelingssamenwerking. Daarom ook heeft zending niet 'zijn tijd gehad', alsof we nu in een volgend stadium leven.
Het klinkt zo aardig, zo modern, er lijkt alles voor te zeggen. Wanneer je vanuit het Westen hulp verleent, dan moet je cultuur, levenswijze en geloof van de ander intact laten.
Het lijkt zo aardig gezegd. En je komt deze woorden overal tegen, maar het is baarlijke en daarom eigenlijk ook gevaarlijke onzin.
Enkele voorbeelden:
Een eenvoudige waterpomp in een dorp betekent een geweldige verandering.
Meisjes en vrouwen bijvoorbeeld, behoeven niet meer voor dag en dauw op te staan om verweg water te gaan halen. Men mist echter ook de sociale contacten van dat gezamenlijk water halen. Er komt tijd vrij. Wat wordt er met die tijd gedaan? En vanzelfsprekend is stromend water een geweldige vooruitgang. En op den duur komt de waterleiding overal in de wereld. Maar geloof maar, dat dat invloed heeft op de cultuur en levenswijze.
***
Het is, denk ik, al weer een tiental jaren geleden, dat ik - tijdens een verblijf in Egypte - op een bepaalde plaats naar één van de Pyramiden keek. Mijn uitzicht werd echter belemmerd door een electriciteitsmast. Ik maakte er een opmerkeing over, waarop ik een zeer enthousiaste reactie kreeg. Die Pyramide, dat was het Egypte van vroeger, over een aantal jaren zou elk dorp - mede door de Assoeandam - van electriciteit kunnen genieten.
Electriciteit in een dorp betekent een ware omwenteling. Radio, T.V., strijkijzer, enz. enz.: zeer ingrijpend voor eigen cultuur en levenswijze.
Een eenvoudige brug over een rivier kan een hele streek uit het isolement halen. Tot nu toe gold de rivier misschien als afscheiding tussen stammen en met de riviergeesten moest je duchtig rekening houden.
De moderne wereld met transistorradio, alcohol, prostitutie, geldhandel, moderne wapens, medische verzorging, onderwijs, kortom goede en slechte zaken, dringt overal door. Men kan niet 'genieten' van de moderne uitvindingen, en eigen cultuur, levenswijze, eigen geloof behouden. Wie nadenkt weet dat. Wie het suggereert schrijft onzin.
Wel Germanen, maar zonder Wodan.
Het Evangelie van zonde en genade staat dwars op de eigen godsdienst. Willibrord, Bonifacius en alle andere zendelingen kunnen niet preken 'wij verkondigen u een gekruisigde en opgestane Heer Jezus Christus en er verandert niets in uw leven'.
Neen, er moet alles veranderen, een totale omkering, bekering wordt gevraagd. Zeker, sommige vormen van de oude cultuur kunnen gekerstend worden. Maar we behoeven maar aan de dertiger jaren te denken om te weten hoezeer heidendom de kop weer kan opsteken en hoeveel heidendom er in ons zit.
Zending is een diepingrijpend gebeuren dat het totale leven raakt. De verhouding tot God, de Vader van Jezus Christus, raakt immers het hele leven, Paulus schrijft in Efeze 4 : 20 aan het adres van een jonge gemeente: maar gij geheel anders, ge hebt Christus leren kennen. Zending mag hier en daar raakvlakken hebben met vormen van ontwikkelingswerk. Naar haar wezen is ze iets anders. Het gaat om het doorgeven van het getuigenis in woord en daad dat de zaligheid, het behoud alleen te vinden is in Jezus Christus, de enige Naam tot redding gegeven.'
Waar ligt de eigenlijke ergernis?
We kennen allen wel de uitdrukking, dat het Evangelie ergernis en dwaasheid is. Maar waar ligt die ergernis? Moeten we niet eerlijk zeggen dat christenen door hun gedrag ook ergernis kunnen wekken? Ds. J. Overduin schrijft daarover in het Centraal Weekblad van 3 juni:
De kerk is het visitekaartje van Jezus Christus. Dat kaartje kan er vuil en haast onherkenbaar uitzien, zodat Jezus Gheistus zelf dikwijls ontoonbaar is. Wij kunnen wel terecht zeggen dat het niet om christenen maar om Christus gaat, die waarheid mogen wij niet misbruiken om ons veilig te stellen tegen kritiek. Wanneer wij méér leesbare brieven van egoïsme, hoogmoed, kleinzieligheid, bekrompenheid, lauwheid, vaagheid, verwarring en krachteloosheid zijn dan van Jezus Christus en van de 'kracht Gods', dan moeten wij ons niet verbazen dat velen het af laten weten. Het is meer dan bekend hoevelen, die van kerkelijke afkomst zijn, er niets meer van willen weten. U kunt het haast dagelijks lezen in romans, gedichten en artikelen en u kunt het haast dagelijks direct of indirect horen voor de radio en zien voor de televisie. Een stoet van kunstenaars, wetenschappers, politici, journalisten, zakenlui en arbeiders. Als een mens dit allemaal hoort en ziet , dan roept hij nu eens verbijsterd uit: 'het was ook een rare en afstotende godsdienst' en dan weer: 'wat komt het vals over', wanneer met een zekere gretigheid caricaturen van de christelijke godsdienst uitgemeten worden, terwijl bepaalde afschuwelijke jeugdervaringen extra overdreven en gegeneraliseerd worden. Eerlijksheidshalve moet ik erbij zeggen dat heel dikwijls intelligente mensen in hun puberteit zijn blijven steken. .Men mag toch verwachten dat bij het volwassen worden men gaat onderscheiden tussen de gebrekkige beleving van het evangelie én het evangelie zelf. Men mag ook verwachten dat men genuanceerd heeft leren kenken. Nu, dat zal wel, maar niet op het gebied van de godsdienst.
Ons past verootmoediging en schuldbesef. Christenen kunnen door slordig leven aanstoot geven, zodat de eigenlijke ergernis niet eens in het vizier komt. Ik zou er aan toe willen voegen. De ergernis van 1 Cor 1 : 18 is ook een zaak die in het hart van christenen niet onbe kend is. Een mens geeft zich niet zo maar aan de genade gewonnen. Want daarom gaat het.
Het evangelie van Jezus Christus is in de ogen van elk mens van huis uit ergernis en dwaasheid. Waarom? Orndat het 'niet naar de mens is', zegt Paulus in Galaten I : 11. De heidenapostel denkt er niet aan het evangelie aan te passen aan de smaak en het oordeel van mensen. Die verzoeking om mensen te behagen is groot. Altijd viel men telkens in dit kwaad om bij de natuurlijke mens in het gevlei te komen, door de ergernis uit het evangelie weg te nemen.
Maar Paulus zegt dat hij ophoudt dienstknecht van Christus te zijn, wanneer hij mensen behagen wil. Hij heeft het evangelie per slot van rekening ook 'niet van een mens ontvangen of geleerd, maar door openbaring van Jezus Christus' (zie Galaten 1 : 6-14). Het ligt dus niet in het verlengde van de rede, de wil, het gevoel of het religieus besef van de mens.
Ook in onze tijd is er een enorme zuigkracht om het evangelie aannemelijk te maken voor de moderne mens. Wie daaraan meedoet verloochent het wezenlijke van Jezus Christus, zijn Woord en zijn werk. Niet Jezus moet zich bekeren tot de mens, maar de mens tot Jezus. Niet de moderne tijdgeest, noch een bepaalde wijsbegeerte, noch een bepaalde cultuursituatie is Meester over Jezus, maar Hij is en blijft Heer over alles en allen. Hij nodigt iedereen in alle tijden en situaties uit Hem te volgen. Wij, mensen, willen altijd weer het heft in handen nemen en Jezus uitnodigen of bevelen of gevangen nemen, opdat Hij óns volge. Die neiging maakt ook de strijd in het leven van Gods kinderen uit.
Overduin wijst erop dat Jezus Christus de menselijke wijsheid, kracht en grootheid beschaamt. Mensen willen zichzelf redden. Vandaar de ergernis tegen het Kruisevangelie. Van genade leven doet alleen de mens wiens trots gebroken is. God geve dat de roem in de genade het geheim en de bron van kracht in de kerken mogen zijn.
A.N.
weinig vleiend geweest. Weinig verheffend is ootc, dat men tenslotte Nectarius uit Tarsus, een oude man die in een hoge burgerlijke functie in de residentie werkzaam is, tot bisschop van Constantinopel en voorzitter van de synode kiest. Theologisch en kerkpolitiek gezien is deze figuur een volstrekt onbeschreven blad en - niet onbelangrijk in die dagen! - populair bij de bevolking. Maar zeer waarschijnlijk nog niet eens gedoopt! Men kan voldoen aan canon 15 van Nicea waarin het een ergens aangestelde verboden was over te gaan naar een andere plaats. Maar intussen moet wel canon 2 van dezelfde normatieve kerkvergadering, waarin uitdrukkelijk verboden was een pasgedoopte als bisschop aan te stellen, overtreden worden.
Synodebesluiten
Uiteindelijk wordt Nectarius zowel bisschop alsook concilievoorzitter. En gezegd kan worden dat het vervolg van de bijeenkomsten rustig is geweest. Op 9 juli ten slotte worden de besluiten ondertekend en is de belijdenis vastgesteld. Men vraagt keizer Theodosius een en ander te bevestigen. Wanneer op de dertigste van dezelfde maand diens edict volgt, zijn de bisschoppen reeds lang vertrokken.
Wat heeft men te Constantinopel besloten? Voor later eeu> ven is vooral de hier van Nicea overgenomen, uitgebreide en definitief vastgestelde belijdenis van belang geweest. Eerst achteraf heeft deze kerkvergadering zich als gezaghebbend doorgezet en daarmee ook haar belijdenis. Terecht noemt men haar symbool van Niceno-Constantinopolitanum.
Triniteitsleer
In 381 wordt het dogma van de heilige Drieëenheid onder woorden gebracht: één Wezen, drie Personen. Weliswaar wordt het goddelijk geheim geformuleerd in Griekse terminologie. In later tijd zijn er vele dogmenhistorici geweest die daarover hun staf gebroken hebben, inzonderheid de liberale school van Adolf von Harnack c.s. Maar recent onderzoek heeft onomstotelijk aangetoond dat, wat hier in ontologische formulering beleden is, wei degelijk óók beleden is door christenen die niet of slechts weinig onder invloed gestaan hebben van het Griekse denken. Harnacks adagium: 'Het katholieke dogma is een produkt van de Griekse geest op de bodem van het evangelie', bleek in verschillende opzichten onjuist. Voor de triniteitsleer is dit de afgelopen decennia door geleerden als G. Kretschmar en J. Barbel bewezen.
Godheid van de Heilige Geest
Het moet vooral de diepzinnige Gregorius van Nyssa geweest zijn, die te Constantinopel de belijdenis heeft doorgezet, dat 'de ene Godheid der Drieéenheid in drie Personen begrepen en aanbeden wordt'. Daarmee is ook de Godheid van de Heilige Geest erkend. Wij horen er een echo van wat reeds bij Athanasius en Basilius naar voren kwam. Inzonderheid hierin is het nieuwe gelegen van de belijdenis van 381. Ook de Heilige Geest is God: 'En (ik geloof) in de Heilige Geest die Heere is en levend maakt, die uitgaat van de Vader en de Zoon, die met de Vader en de Zoon aangebeden en verheerlijkt wordt, die gesproken heeft door de profeten'.
Wie goed leest, zal opmerken dat in het bovenstaande de ons bekende formulering gevolgd is. Het zg. filioque ('en van de Zoon') kwam oorspronkelijk niet in het symbool voor, maar is er later in de Westerse kerk aan toegevoegd. Hoewel de betekenis ervan door de Oosterse Orthodoxie niet is ontkend, heeft men deze toevoeging nooit opgenomen. Een belangrijke rol speelde hierbij allereerst, dat men niet aan een in de liturgie opgenomen belijdenis kon veranderen. Daarnaast óók dat men niet, zoals in het Westen, beklemtoont dat het werk van de Geest onlosmakelijk verbonden is met het verlossingswerk van Christus. Juist dat is wél benadrukt door Westerse theologen als Augustinus en eeuwen later - in diens voetspoor-door b.v. Calvijn. Het voert ons hier te ver dit verschilpunt nader uit te werken. We vermelden nog slechts, dat de genoemde toevoeging in 1054 één van de redenen is geweest van het grote schisma tussen Oosterse en Westerse christenheid. En dat ongetwijfeld in deze dagen dit verschil in het verre Istanbul wéér aan de orde zal komen! Zo heeft de kerk 1600 jaar geleden haar oecumenische belijdenis verkregen. Een belijdenis die, naar een beeld van de dogmenhistoricus J. N. D. Kelly, één van de weinige draden is waardoor de aan flarden gescheurde rok der christenheid wordt saamgehouden.
In een tijd vol kerkelijke verdeeldheid is dit symbool ontstaan en eendrachtig beleden. Wij mogen er ons in onze dagen door laten gezeggen. De verwarring en de twisten, zelfs tussen broeders en zusters van hetzelfde huis, zijn er niet minder op geworden. Dan is het verkwikkend de hoogte, breedte, lengte en diepte van deze katholieke belijdenis te horen, ter harte te nemen en te weten dat dit ook ónze belijdenis is.
En bovenal mogen we ons dankbaar verwonderen over het werk van Gods Geest die - dwars door alle menselijke tekortkoming heen - zo geheel verschillende mannen als Cyrillus van Jeruzalem, Gregorius van Nyssa, Diodoriis van Tarsus of Petrus van Sebaste, samen met vele anderen, bijéén bracht. Zó, dat ze kwamen tot de volle lofprijzing van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.
Niet in het minst anno Domini 1981 willen wij de eeuwenoude bede uitspreken: Veni Creator Spiritus, Kom Schepper Geest!
J. van Oort
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juni 1981
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juni 1981
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's