Wegwijs in vertalingen
In vele talen vertaald
Wat is de Bijbel? Dat lijkt een simpele vraag. Die vraag is echter niet zó simpel, als we beseffen hoeveel vertalingen van de Bijbel er in omloop zijn. Er is eigenlijk slechts één echte Bijbel, dat is de Bijbel in de grondtalen: wat het Oude Testament betreft het Hebreeuws (voor een klein deel het Aramees) en voor wat het Nieuwe Testament betreft het Grieks. In de tijd van de eerste christenheid kreeg de Latijnse vertaling van de Bijbel groot gezag, de zogeheten Vulgaat, zodat in de eeuwen daarna de vraag op kwam van welke tekst men nu bij verdere vertalingen van de Bijbel moest uitgaan, van de oorspronkelijke tekst, óf van de Vulgaat. De Rooms Katholieken hebben bijvoorbeeld tot in de twintigste eeuw hun uitgangspunt genomen in de Vulgaat.
Wat is de Bijbel? De Bijbel is vertaald, in vele talen. Die vertalingen zijn óf direct afgeleid van de oorspronkelijke tekst óf ze zijn vertalingen van vertalingen (bijvoorbeeld de Vulgaat).
Wegwijs
Onder redactie van prof. dr. J. van Bruggen, hoogleraar aan de theologische Hogeschool van de Vrijgemaakt Gereformeerden te Kampen, verscheen een instructief boekje onderde titel 'Wegwijs in Bijbelvertalingen'. Daarin wordt een aantal bijdragen gebundeld over bestaande vertalingen van de Bijbel in de Nederlandse taal. In een slothoofdstuk, getiteld 'Kruispunten bij bijbelvertaling' plaatst prof. Van Bruggen een aantal belangrijke opmerkingen bij het betreffende thema. Het ligt niet aan de Bijbel - zegt hij - dat er zoveel vertalingen zijn. Maar ieder, die de Bijbel moet gaan vertalen, moet een aantal beslissingen nemen:
'Niet alleen de beslissing of hij ouderwetse taal dan wel hedendaagse taal zal gebruiken, en niet alleen de beslissing of hij rekening zal houden met resultaten van bijbelwetenschap. Hij moet ook beslissen over de omvang van de vertaling en over de grondtekst die genomen moet worden en over de bedoeling van de vertaling enz. Steeds weer staat de vertaler, voordat hij met zijn werk is begonnen, voor tweesprongen waar hij een keuze moet maken. Het totaal van deze keuzen bepaalt hoe hij als vertaler straks voorgesorteerd staat voor zijn werk. En bij het vertaalwerk zal hij toch steeds weer rekening houden met keuzen die hij al vóór de start had gemaakt.'
Verder wijst van Bruggen op twee vertaalproblemen. Wat het Oude Testament betreft is het zo, dat de tekst in het oorspronkelijk Hebreeuws heel nauwgezet is overgeleverd, maar dat dit Hebreeuws alleen in 'medeklinkers' geschreven werd, terwijl de rabbijnen later 'klinkers' hebben toegevoegd, waarbij het de vraag is of dit altijd foutloos is gebeurd. Wat het Nieuwe Testament betreft, de tekst daarvan is bewaard gebleven in duizenden handschriften, waarvan weliswaar de meeste overeenstemmen, maar waarvan een klein gedeelte - voornamelijk in de laatste honderd jaar bekend geworden, en van zeer oude datum - nogal sterke afwijkingen vertoont. Wat is derhalve de beste tekst waarop men bij het vertalen teruggaat? Prof. Van Bruggen concludeert derhalve:
'Het blijkt nu dat vertalers altijd minstens drie beslissingen moeten nemen op het punt van de grondtekst voor de vertaling. Zij moeten besluiten tot de grondtalen terug te gaan (en niet tot een dochtervertaling als bij voorbeeld de Vulgaat of een moderne Engelse bijbelvertaling); zij moeten hun houding bepalen tegenover de hebreeuwse tekst van het Oude Testament (de overgeleverde masoretische tekst); en zij moeten beslissen welke handschriften zij als uitgangspunten nemen voor de griekse tekst van het Nieuwe Testament.'
Prof. Van Bruggen voegt er in dit verband aan toe, dat de Statenvertalers door hun kanttekeningen de mogelijkheid hebben gehad, steeds aan te geven waar een andere lezing of vertaling mogelijk werd geacht.
De Statenvertaling
Het openingsartikel van het onderhavige boekje is van de hand van drs. K. Exalto en handelt over 'De Statenvertaling'. Hij geeft eerst een overzicht van vertalingen, die aan de Statenvertaling voorafgingen. De Delftse Bijbel (1477), overigens alleen het Oude Testament en dan nog zonder de Psalmen. De Keulse Bijbel (1478), een met 113 houtsneden verluchte Bijbel, waarin (in het voorwoord) leken worden aangemoedigd de Bijbel te lezen. De Liesveldt-bijbel, een vertaling van de Lutherbijbel (1522, 1534), die als éérste een vertaling was gebaseerd op de grondtekst en dus niet op de Vulgaat (als gezegd, de Latijnse vertaling van de grondtekst). De deuxais-bijbel (1561, 1562), 'de eerste complete bijbelvertaling van gereformeerde signatuur'. Wat het Oude Testament betreft steunde deze Bijbel op de Liesveldt-bijbel; wat het Nieuwe Testament betreft op een vertaling rechtstreeks uit de grondtekst.
Op de Dordtse Synode (1618/1619) werd besloten - in zeven zittingen - tot het uitgeven van een nieuwe vertaling. Dat was niet vanzelfsprekend, want de Emder Bijbel, oftewel de Deuxaes Bijbel - was bij het volk zeer geliefd. De synode van Dordt besefte echter ook, dat een bijbelvertaling voor het volk van fundamentele betekenis was. Drs. Exalto laat in zijn bijdrage enkele fragmenten spreken uit het gebed van Johannes Bogerman, voorzitter van de Dordtse Synode:
'Van U alleen zijn wij in dit werk geheel afhankelijk. Zult Gij zovele harten, die op U vertrouwen, tot U opzien en Uw hulp in Uw eigen zaak afsmeken, teleurstellen? Neen, Heere, dat zult Gij niet doen.' Even later: 'Zult Gij niet het oog slaan op de kudde Uwer weide, om wier wil wij hier bijeen zijn? ' Dan volgt een belijdenis van onbekwaamheid, en de bede: ' Wijs Gij dan, o Heere, in deze zware en hemelse arbeid de weg, die wij veilig kunnen inslaan... Geef ons, die in de naam van Uw Zoon zijn vergaderd, overeenkomstig Uw beloften. Uw Geest, de Geest der waarheid... Open de ogen van ons verstand... leid ons in Uw waarheid... Laat niet toe, o Vader, dat wij ooit, zelfs een haarbreed, hetzij naar links, hetzij naar rechts, van dit doel zouden worden afgevoerd door enige vleselijke begeerte of door wereldse overwegingen. Geef dat wij altijd mogen bedenken, dat wij bezig zijn voor het aangezicht van U en van Uw heilige engelen.'
Exalto noemt in zijn artikel een uitspraak van Revius t.a.v. deze Statenvertaling. Hij schreef in 1633: 'dit werk is te heilig dan dat het iets zoude behoeven te duchten van de knibbelarijen van afgunstige kleine zielen'.
De Statenvertaling verwierf intussen echter al spoedig een zodanig gezag binnen het Nederlandse Protestantisme, dat sommigen aan deze vertaling op zich goddelijk gezag gingen toekennen. Trommius, de man van de bekende Concordantie op de Statenvertaling, heeft toen tegen dezen 'overdrijving' gewaarschuwd.
De Friese Classis van Zevenwouden (1682) waarschuwde óók tegen vergoddelijking van de Statenvertaling, door deze gelijk te stellen met de Hebreeuwse en Griekse grondtekst, maar verbood tegelijkertijd ook aanmerkingen te maken op de Statenvertaling. Drs. Exalto zegt: 'De Statenvertalers zelf waren niet zo absoluut als vele van hun navolgers in later tijd; zij wisten dan een tekst of een woord in een tekst wel eens anders vertaald konden worden dan op de wijze waar zij zelf de voorkeur aan gaven.
Wél was het bij het besluit om de Statenvertaling te gaan verzorgen zó, dat het besef leefde dat men alleen dan de Schrift goed kan vertalen 'als men haar gelovig benadert, niet kritisch maar met eerbied; als men haar benadert als het Woord Gods'.
Na de Statenvertaling
Na de Statenvertaling, die in 1637 het licht zag, zijn er ook in ons eigen taalgebied ettelijke andere vertalingen uitgegeven. In 'Wegwijs' vinden we ze genoemd en omschreven. In 1951 verscheen de Nieuwe Vertaling van het N.B.G., waarvan de voorgeschiedenis al in 1911 begon. 'Geen enkel lid van de commissie - aldus J. J. Kijne (vanaf 1952 'secretaris-vertalingen' bij het N.B.G.) kon zich in alles vinden wat in de tekst was komen te staan.' Maar zij allen namen de hele vertaling voor hun rekening, ook van die plaatsen, waarvan zij aan een andere vertaling de voorkeur zouden hebben gegeven... Zomin als de Statenvertalers intussen opzettelijk van hun voorgangers afweken - aldus nog steeds de heer Kijne - zo sloten de vertalers van de Nieuwe Vertaling ook zo dicht mogelijk aan bij de Statenvertaling.
Toch werd de Nieuwe Vertaling - ondanks een verspreiding van drie miljoen exemplaren sinds 1951 - niet algemeen in de kerken aanvaard. De Statenvertaling bleef toch bij velen geliefd. Het boekje 'Wegwijs' bevat in dit opzicht ook twee bijdragen over de Statenvertaling vandaag. De heer A. Bergsma schrijft over de uitgave van de Gereformeerde Bijbel Stichting, die nauw wil aansluiten bij de oorspronkelijke Van Ravesteyn editie van 1657, waardoor allerlei fouten, die door drukkers etc. in de loop van de jaren in de Statenvertaling zijn ingeslopen, worden ondervangen. Wel is de spelling gemoderniseerd en zijn 'sterk verouderde woorden' vervangen ('wijf' is vervangen door 'vrouw'). De Editie-1977 van de Statenvertaling - ds. P. den Butter, lid van de commissie Tukker van het N.B.G., schrijft erover - heeft niet alleen méér woorden uit de oude Statenvertaling vervangen (woorden als rantsoen, onnozel etc. hebben immers een heel andere betekenis gekregen) maar daarin zijn ook allerlei tweede naamvalsvormen (des en der) of bezittelijke voornaamwoorden (mijn in plaats van mijne) aangepast aan het huidige taalgebruik. Deze revisie van de Statenvertaling stond intussen onder kritiek van de G.B.S., die het hield op een zestiende eeuwse vertaling in oorspronkelijke versie, evenals van hen, die voor deze tijd de Nieuwe Vertaling de meest gewenste achten en de Statenvertaling als een 'eerbiedwaardig monument' uit het verleden zien (zo bijv. prof. dr. B. J. Oosterhof inde Wekker: '...Het werk als in editie 1977 gebeurd, vind ik geknoei aan de Nachtwacht...').
De Nieuwe Vertaling is anderzijds intussen voor velen niet modern genoeg. Daarom verschenen de laatste jaren ook allerlei eigentijdse bijbelvertalingen, waarvan wel de belangrijkste is 'Groot Nieuws voor U', een uitgave, die in 8 jaar tijd in meer dan 600.000 exemplaren verspreid werd. In deze uitgaven gaat het om de zogenaamde 'dynamisch-equivalente' methode van vertalen. Men wil de boodschap van de Bijbel zó eigentijds weergeven, dat er sprake is van gelijkwaardigheid in betekenis wat betreft de oorspronkelijke taal, waarin de Bijbel werd geschreven. De Bijbel, vele eeuwen tevoren ontstaan, in de omgangstaal van nu! De één gaat daar (nóg) verder in dan de ander. Zo zijn in de laatste jaren vertalingen van de Bijbel (of fragmenten daarvan) ontstaan, die zeer gemeenzaam aandoen, die vlotjes lezen om zo te zeggen omdat ze gezet zijn in de taal van alledag.
Het Woord is niet gebonden
We hebben zo objectief mogelijk een doorsnee gegeven van methoden van Bijbelvertalingen, alleen al in óns taalgebied. We hadden nog kunnen noemen Joodse vertalingen van (fragmenten van) het Oude Testament, of Friese Vertalingen (het Fries blijkt in ons taal gebied een nationale taal te zijn met ook meerdere vertaalmogelijkheden).
We volstaan met te zeggen, dat het Woord van God niet gebonden is. De Bijbel in de grondtekst is de enige echte Bijbel. Vertalingen ervan hebben altijd hun onvolkomenheden, behoeven soms correctie en vragen aanpassing door de tijd heen, omdat taal nu eenmaal levend is en zich wijzigt.
De Statenvertaling was en is echter daarom een 'monument' in ons taalgebied, omdat deze zo letterlijk aansloot bij de grondtekst, waarbij overigens - men zie de kanttekeningen - ruimte werd gelaten voor alternatieve vertalingen van bepaalde woorden of teksten. De Statenvertalers nu zouden ook eigentijds hebben vertaald, in nauwe aansluiting overigens bij de grondtekst. De Nieuwe Vertaling, hoewel een vertaling van het Woord Gods, heeft al meer een compromis karakter. De eigentijdse vertalingen hebben sterk het karakter van parafrase, van vrije weergave van de oorspronkelijke letterlijke tekst. Daarom is het te betreuren dat van deze laatste uitgaven steeds meer gebruik wordt gemaakt binnen de christelijke gemeente, tot in de erediensten toe.
Maar, bij alles: het Woord van God is niet gebonden. Het breekt souverein baan in de wereld, dwars door goede en gebrekkige vertalingen heen. En zo vergadert de Heere zich tot vandaag een gemeente, verkoren ten leven en daarom geroepen in de tijd.
Dr. J. van Bruggen: Wegwijs in Bijbelvertalingen; Uitgave Boekencentrum, 's Gravenhage, 174 pag.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juni 1981
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juni 1981
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's