De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Gepredikt welbehagen (5)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Gepredikt welbehagen (5)

11 minuten leestijd

Gods verkiezing maakkt het geloof niet wankelmoedig, maar grootmoedig

Wankelmóedig en mismoedig zouden wij worden, als prediking en pastoraat niets méér zouden bieden dan een eindeloos variëren op het thema van oproep en eis. Hoe evangelisch ook verpakt, er kan een onbarmhartig remonstrantisme achter schuilgaan, dat dodelijk vermoeiend en frustrerend is. Wij hebben geen God die zegt hoe het moet, maar een God die het doet! Een God met ingewanden die bewegen van barmhartigheid. Een God in Wie een oven brandt van eeuwig welbehagen. Eeuwig! Dus: onwankelbaar en onbezweken is Zijn trouw. De Eerste is Hij en de Laatste, d.w.z. dat er voor Hem geen toeval is, en bij Hem geen afval is. Hij begint. Hij voleindigt. Niets overvalt Hem, niets ontvalt Hem.

Niets hangt dus. Godlof, van onze inbreng af. Een eeuwigheid was God ons voor. Ongehoord is de vreugde en onpeilbaar de diepte van het Paulinische woord, dat wij 'in Christus verkoren zijn voor de grondlegging der wereld' (Ef. 1). Het wil immers niets minder zeggen dan dit: het is vrije gunst die eeuwig God bewoog om ons te verkiezen, niet als gelovigen en verkorenen, maar als Goddelozen en verlorenen, en in deze gunst is het dat Hij Zijn gemeente van eeuwigheid aan Zijn Zoon toeschikte en haar aanzag in Hem, omdat in ons niets aan te treffen viel dan verwerpelijkheid.

God Zelf is dus het enige fundament van de verkiezing, en als zodanig stelde Hij ons Zijn Zoon tot fundament der zaligheid-.

Van meet af aan is de verkiezing geheel en al door God de Vader Zelf vervlochten met het borgwerk van de Zoon. Christus is maar niet de (latere) Uitvoerder van het eeuwige besluit, zodat Hij in het besluit zelf geen plaats zou hebben ingenomen, nee, mét dat God verlorenen verkoos stelde Hij Zijn Zoon tot Middelaar en Hoofd van al Zijn verkorenen. Ieder voelt wel aan, hoe bezwaarlijk men adequaat over tijds-volgorde kan spreken m.b.t. de tijde-loze eeuwigheid. Waarop het aankomt is in ieder geval dit, dat verkiezing en vrederaad bijeen horen. In de vrederaad stelde Christus Zich tot Borg van Zijn gemeente, door de Vader daartoe aangesteld. Er is geen verkiezing buiten Christus om. Dus zullen wij ook geen kennis krijgen aan de verkiezing buiten Christus om, zoals wij al zagen. In Hem ver-. koren, dan ook in Hem de vrijmoedige toegang door het geloof (Ef. 3 : 11, 12).

En zoals wij 'eenmaal' als verlorenen van eeuwigheid in Christus zijn verkoren, zo ook leren wij hier en heden door het geloof in Christus als verlorenen de verkiezende God kennen. En niet anders.

De verkiezing hoort dan ook ter sprake te komen in het raamwerk van de rechtvaardiging van de goddeloze door het geloof. Calvijn heeft dat heel scherp aangevoeld. Hij behandelt immers in zijn Institutie eerst de rechtvaardiging door het geloof en daarop pas de verkiezing. Naar aanleiding van de rechtvaardiging stelt hij zich namelijk de vraag: wat is nu de diepste bronwei van de schuldvergeving? Zeker, Christus is de verdienende oorzaak. Maar wat heeft God toch kunnen bewegen om Christus niet te sparen maar voor ons allen over te geven? En dan is het antwoord: geen waardigheid onzerzijds; pure genade! Het rechtvaardigend geloof en zijn 'voorwerp' (Christus): het is alles vrucht van louter welbehagen.

Verkiezing en genade zijn zo met elkaar verweven, dat Calvijn kan schrijven: 'Als de leer der verkiezing wordt begraven, dan is daarmee meteen de genade gehalveerd'.

Te geloven

Nu vernamen we al een en andermaal dat wij alleen via het Evangelie van de Middelaar aan de weet komen verkoren te zijn. Wij voegen daar nu nader en expliciet aan toe: oor te geloven. Letterlijk preekte Calvijn: Het geloof is als het ware het duplicaat, de copy, die God in het hart geeft van het origineel. God heeft Zijn eeuwige raad - dat origineel bewaart Hij altijd bij Zichzelf. Maar in het geloof schenkt Hij er ons een afdruk van. In dit geloof graveert Hij door de Heilige Geest in onze harten, dat wij tot Zijn kinderen aangenomen zijn' (over Ef. 1 : 4-6).

En wat is dit geloven? Het is de goede Herder om de hals vallen. Het is onder de vleugels van de kloekhen kruipen en ons bergen in Zijn Woord. Dit geloof wordt biddend geleefd: 'Lieve Heere en Vader, help me dat ik U niet tot een leugenaar maak' (Luther).

Er is een brief bewaard die Luther eens verzond aan een zuster in het geloof die aan praedestinatie-angsten leed. Daarin doet hij een boekje open over de kinderlijke eenvoud en daarom ook de mannelijke spankracht van dit geloof. Het komt hierop neer. 'Ten eerste moet ge bedenken dat zulke gedachten gewis influisteringen van de duivel zijn. Welk gebod van God wijst ons immers in die richting? God zegt: Ik ben de Heere uw God. Ik zorg voor u. Ik gaf u Mijn Zoon. Die is de spiegel van de verkiezing. Zeg maar tot de duivel: Verdwijn uit m'n ogen. Als je wilt disputeren en als jij het allemaal zo goed weet, ga dan maar eens naar de hemel. God zal je van repliek dienen! Boze gedachten moet ge dus uitspuwen als mest uit de mond.' Klare taal en goede raad! Maar hebben wij tot deze kinderlijke-koene geloofstaal wel de toestemming? Moeten wij niet liever 'bescheiden' en 'deemoedig' berusten in Gods onveranderlijk besluit?

Nee. Het zou verkeerd zijn - zei Calvijn al - om te bidden: 'Heere, indien ik uitverkoren ben, verhoor mij dan'. God wil dat wij met Zijn beloften tevreden zijn en daarin biedt Zich Christus ons ten Herder aan.

Het geloof in het wenkende, werkende Woord, dat schenkt rust in de verkiezende God. En hiermee wil dan niet gezegd zijn dat de wetenschap dat ik geloof, tot de zekerheid leidt. Niet de reflexie, maar de armoedige, armlastige, behoeftige 'daad' van het geloven zelf bergt zekerheid in zich. Wij geloven niet in ons geloof, maar in de belovende God!

Maar zijn er nog geen 'secundaire' elementen die deze geloofszakelijke zekerheid willen omranken? Jawel. Dat zijn de vruchten en kenmerken van de verkiezing, die wij in het geloof met geestelijke verwondering bij onszelf waarnemen, als daar zijn: et waar geloof in Christus (het geloof mag dus niet alleen weten wat het gelooft, maar ook - secundair - dat het gelooft), kinderlijke vreze Gods, droefheid naar God over de zonde, honger en dorst naar de gerechtigheid (Canones I, 12). Kohlbrugge schrijft in De Leer des Heils, dat wij hieraan slechts kunnen weten uitverkoren te zijn, dat het Evangelie tot ons gekomen is, niet alleen in Woord maar ook in kracht en in Heilige Geest en vele verzekerdheid, zodat wij ons van harte tot God bekeerd hebben (IThess. 1 : 4). Op een andere plaats luidt het kort en krachtig: o zult ge het weten: e tollenaar stond van verre! Rond Christus komt er in de rechte prediking

een palet van kenmerken mee, niet als obstakels, maar als geestelijke leiding en onderscheiding voor het leven des geloofs. Hét fundament is en blijft echter: God kan niet liegen! Al Zijn beloften liggen verankerd in zijn vaderlijk welbehagen, zijn gewaarborgd door het bloed van de Zoon en geademd door de liefde des Heiligen Geestes. Wilt ge weten in het Boek des levens opge­

schreven te staan? 'Vraag uzelf dan af - raadt Kohlbrugge - : In Wiens Naam ben ik gedoopt? Hoor des Heeren Woord: Ga in door de enge poort. Laat dit uw eerste zorg zijn: Christus deelachtig te worden. Dit is de Eerst-Uitverkorene! Hoort Hem zeggen: Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen. In Hem staat uw verkiezing vast. En van Hem staat geschreven: Hij zal Zich over Zijn ellendigen ontfermen, en: Ik zal zien op de armen en verslagene van geest, en die voor Mijn Woord beeft.'

Zekerheid

Tenslotte, deze zekerheid is er een van geheel eigen aard en allure. En zij leidt ook tot een grootmoedigheid van eigen karakter. Ze is het tegendeel van grootspraak en zelfverzekerdheid. Hét kenmerk van de uitverkorenen is, dat zij dag en nacht tot God roepen, zoals de weduwe in de gelijkenis van de onrechtvaardige rechter (Lukas 18 : 7!).

De Kananese staat hier model: 'Ja Heere, doch...'.

Ook al hoort ze er niet bij en komt het haar niet toe, laat haar dan de op de grond gevallen kruimels krijgen, zoals een hondje onder de tafel.

Gods verkorenen blijven levenslang verlorenen in zichzelf. Calvijn laat zich ontvallen, dat wij 'in Adam reprobi' zijn: in Adam verworpenen! Al Gods uitverkoren bondelingen blijven vondelingen qua afkomst. En dat vergeten ze niet. Dat God hun zocht en vond, dat Hij hen voor en vóór hen was, kunnen ze niet op. Voor hen spreekt niets vanzelf.

Helaas wandelen velen anders. Praedestinatie-angst hebben ze niet. Maar evenmin verwondering. Hoe licht vervloeit de grens tussen geloofszekerheid en Farizese zelfverzekerdheid. Daar waart ook door onze gemeente een vleselijk en zelfgenoegzaam beroep op eigen verkorenheid, waaraan ook het oude Israël zich eenmaal vergreep. De schreeuw uit de diepte heeft men achter zich gelaten: .'Gedenk mij, o Heere, naar het welbehagen tot Uw volk, bezoek mij met Uw heil, opdat ik aanschouwe het goede Uwer uitverkorenen...' (Ps. 106).

Men hoort er immers bij. Verloren is men geweest, maar dat is nu Goddank verleden tijd. 'Ik dank u God...' Dat zei die Farizeër ook... Hoe vroom kan de gearriveerde en arrogante mens getooid zijn. Men is bekeerd, i.p.v. als een onbekeerde er mee bezig. Men 'hééft', halve... iets van node. Men heeft alles, behalve honger. Men weet het allemaal, haarfijn, behalve wat Paulus weet: dat in hem geen goed woont. Men heeft het geloof altijd bij de hand en ter beschikking.

Gods verkorenen zijn onhandig en lopen kreupel en op krukken. Zij hebben niets bij de hand, alleen lege handen. Zij kunnen zich niet op de been houden met de conclusie: ik ben verbondskind, dus verkoren! Zij kunnen dit alleen in het allerbehoeftigste geloof bij ondervinding leren beamen: niet in aanmerking, nochtans begenadigd - Lo-Ammi, nochtans Ammi, - Lo-Ruchama, nochtans Ruchama! Conclusiegelovers plegen niet te schrikken van de hoogspanning die staat op Jezus' Woord, dat kinderen des Koninkrijks kunnen buitengeworpen worden en ranken weggesnoeid.

Rechtgeaarde prediking zal, hoezeer de ergernis ook oplaait, deze schijn ontmaskeren en alle vermeende pretentie en kwaliteiten onteigenen, om zo ruimte te scheppen voor de roem in genade alleen. En waar de Farizeër sterft, daar krijgt de tollenaar lucht en leven.

De verlorene roemt zich niet in verkorenheid, maar roept om genade. Maar niet vergeefs. Vrijmachtige genade bewijst God op het schavot (I. Kievit). Zo is nu eenmaal de 'adressering' van Gods verkiezend welbehagen. Hij zendt het aan een tollenaar die asiel zoekt, maar ook aan een tollenaar die in zijn tolhuis zit; aan een Abel die een nietsje is, een Jacob die bedrieger heet, een David die de kleinste is, aan een Ruth uit Moab, aan een Rachab de hoer... Aan het onedele en verachte, en hetgeen niets is. Wat niets is verkiest Hij. Wat iets is beschaamt Hij.

Worden die 'nietsen' dan toch 'ietsen'? Ze zijn er niet te goed voor! Maar God beschikt het anders. Alle roem is uitgesloten. Alle roem blijft uitgesloten. Behalve de roem in het kruis van de Verkorene des Vaders die ons verlorenen zocht en kocht. Verkorenen zullen nooit blikvangers zijn. Ze zijn veeleer één langgerekte vinger naar de Verkiezer! Dit is de grootmoedigheid van het geloof dat God de eer geeft. Ere wie ere toekomt: de Heere is God, en niemand meer! Luther zei eens: 'Wij willen van nature niet dat God God is, wij zijn het liever zelf'! Dat is nu ongeloof. En geloof is in zijn kern: God is God.

Wij eindigen met een woord van Kohlbrugge. 'Waartoe dient ons de prediking van Gods eenzijdige, vrije, genadige verkiezing? Hiertoe. Zij leert ons, op welke plaats wij ons voor God bevinden, opdat wij ten eerste ons op genade of ongenade in de handen van onze soevereine God werpen met de bede: Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn.

Ten tweede, opdat wij alle aanmatiging van eigengerechtigheid afleggen. En ten derde, opdat wij een zekere en eeuwige troost hebben in alle kruis, moeite, vervolging en aanvechting.

Wanneer echter duizend bedenkingen tegen Gods voorbeschikking gemaakt worden, zo heb ik onwrikbaar acht te slaan op mijn eigen doem waardigheid, onwaardigheid en volledige onmacht; op de soevereiniteit en vrijheid van God die de persoon niet aanziet; en op het bloed van het Lam dat de zonde zonder onderscheid wegdraagt van een iegelijk die zonde heeft en op dit Lam zijn zonde legt naar het welbehagen Gods'!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juni 1981

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Gepredikt welbehagen (5)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juni 1981

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's