De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

4 minuten leestijd

Elke week is weer interessant wat in de Zondagsbode - hervormd kerkblad voor het Westland - staat over de 'kerkhistorie van Maassluis'. In het laatste nummer ging het over de 'kerkverlichting'. Hier volgt een gedeelte ervan:

'Er zullen wel heel wat woorden over gesproken zijn, voor dat een aantal kerkvoogden en notabelen omzwaaiden van wél petroleumverlichting - aangenomen met zeven tegen zes stemmen - een jaar later naar géén petroleumverlichting, waartoe besloten werd met elf tegen twee stemmen. Van de zeven voorstemmers in 1863 waren erin 1864 nog maar twee over, en daarmee was de petroleumverlichting van de baan, en hield men zich bij de patentolie. Van de redenen voor die omzwaai lezen we niet, waarschijnlijk hebben de argumenten van de tegenstanders — brandgevaar, springende lampeglazen en wie weet wat al meer - toch wel indruk gemaakt. (...)

Van wie de suggestie is uitgegaan, is niet na te gaan, maar blijkens de notulen wordtin 1867 - dus maar drie jaar na het negatieve petroleumbesluit - wordt 'de aandacht gevestigd op de gelegenheid om beide kerken te verlichten door middel van gaz'. Na de inwerkingstelling van de installatie in 1866 hadden de kerkbestuurders blijkbaar gunstige reacties daarover vernomen, want reeds in de eerstvolgende gecombineerde vergadering, waarin een voorstel om op gas over te gaan, In behandeling kwam, werd het met op één na algemene stemmen aangenomen. (...)

En zo zijn we dan beland in de laatste 'verlichtingsfase'. De gasverlichting heeft dienst gedaan tot aan het bombardement van 18 maart 1943. Tijdens de besprekingen, die gedurende de restauratie regelmatig met de Rijksdienst voor de Monumentenzorg werd gehouden, werd besloten electrische verlichting aan te brengen. In overleg met Monumentenzorg werden hiervoor echter niet de kronen gebruikt, maar werden de electrische lampen aangebracht in de zoldering van de kerk, terwijl de kronen weer in de oude toestand werden hersteld, en geschikt gemaakt voor het branden van kaarsen, waardoor de gasbuisjes overbodig werden. De koperen schaaltjes, de 'lekbakjes' om het afdruipende kaarsvet op te vangen (...) waren nog aanwezig, nadat ze tachtig jaar veilig opgeborgen hadden gelegen op een van de kerkzolders, en die werden weer aan de kaarsenarmen aangebracht, en zodoende was in dat opzicht de oude toestand weer hersteld. (...)

***

Bij het afscheid van ds. T. van Weelie, secretaris van de commissie voor het Hervormd Werelddiakonaat, citeerde de voorzitter van de commissie, drs. J(one) Bos, de fractievoorzitter van de RPF, die in zijn advies aan Hare Majesteit de Koningin inzake de kabinetsformatie gezegd had te staan 'In de dienst van de Heere God'. In Nieuw Nederland, het orgaan van de RPF zochten we de betreffende passage, die Bos uit de Staatscourant citeerde, op. Hier volgt wat Leerling terzake zei:

'Daarom moge Ik u, staande in dienst van de Heere God, in de eerste plaats adviseren hem die straks de opdracht zal krijgen een nieuw kabinet te vormen op te dragen het overheidsbeleid te doen afstemmen op de normen van de Bijbel als het onfeilbaar Woord van God. Zo'n beleid is naar mijn vaste overtuiging het beste voor mens en samenleving, ongeacht het feit of de bevolking van ons land dit in meerderheid gelooft of niet.'

We ontvingen de volgende brief van H. W. van Veldhuizen, gemeentelijk archiefinspecteur van Rotterdam.

'In 'de Waarheidsvriend' van 11 juni 1981 geeft u enige gegevens door uit het verslag van de op 4 april jl. gehouden 'Contactdag kerkelijke archieven'. U eindigt met de mededeling dat kerkelijke gemeenten hun archieven ter bewaring kunnen aanbieden aan de rijksarchiefdienst.

Wellicht is het goed er hier op te wijzen datookheel veel (burgedijke) gemeenten over goede archiefbewaarplaatsen beschikken, beheerd door deskundige archivarissen. Dit beheer moet nl. aan de zelfde wettelijke eisen voldoen als die voor de rijksarchiefbewaarplaatsen gelden. Ook bij deze gemeentelijke instellingen zijn kerkelijke archieven bijzonder welkom.

Aanbieding van de archieven aan laatstbedoelde instellingen kan voor de kerkelijke gemeenten minstens zo aantrekkelijk zijn, omdat hun archieven dan dichter in de buurt blijven. De stukken kunnen dan, als dat nodig is, - nog eens wat gemakkelijker worden geraadpleegd.

Ook archivistisch gezien verdient deze mogelijkheid de voorkeur, omdat archieven van kerkelijke gemeenten vooral op de plaatselijke geschiedenis betrekking hebben.'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juni 1981

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juni 1981

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's