De aard van het Schriftgezag (slot)
(Rapport Gereformeerd Kerken)
Wij willen in dit laatste artikel nog een korte evaluatie geven van onze bespreking van het rapport God met ons.
Evaluatie
Wij willen in dit laatste artikel nog een korte evaluatie geven van onze bespreking van het rapport God met ons. Deze bespreking is erg critisch uitgevallen. Als dit iemand mishaagt heeft dan wel het meest mijzelf. Op zichzelf vind ik het al een bezigheid, die mij tegen de borst stuit, om in negatieve zin mij over iets uit te moeten spreken. Dat werk laat ik veel liever aan anderen over. Meestal komt het bij mij over als een steriele bezigheid. Dat wij nu toch ook in deze zin ons hebben uitgesproken, vindt zijn reden in het feit, dat wij geen andere mogelijkheid zagen. Voor een lief ding hadden wij ons positief uit willen spreken. Maar ik zou niet weten, hoe dat dan zou moeten.
Natuurlijk kunnen wij het rapport prijzen om zijn heldere stijl. Of om het feit, dat het de vragen niet uit de weg gaat. Maar dat zijn natuurlijk niet meer dan stijlfiguren, die aan de zaak zelf niets af of toe doen. Want het gaat erom, hoe de vragen worden gesteld en beantwoord. Ook konden wij niet meegaan met hen, die wel hun bedenkingen hebben, maar deze in zo'n vriendelijke verpakking aanreiken, dat het gewicht van de bezwaren daardoor niet krachtig genoeg tot uiting komt. Bezwaar heb ik ook tegen een gedachtengang, die ervan uitgaat, dat wij nu samen op weg zijn, en dus mogen meeoordelen over wat de Geref. Synode ons aanreikt; dan onze bezwaren uitspreken en daarna zeggen: nu gaan wij weer samen verder. Alsof er dan niet iets voorgevallen is, dat dit samen op weg gaan in de waagschaal werpt en bemoeilijkt.
Dit laatste geluid vang ik vooral op uit de confessionele hoek. Ik kan het heel goed eens zijn met wat er in de onlangs verschenen Overwegingen van het Hoofdbestuur van de Confessionele Vereniging (Belijdend samen op weg) te lezen staat, dat wij de gescheidenheid der kerken als onhoudbaar hebben te achten en alles in het werk moeten stellen om deze gescheidenheid ongedaan te maken. Dat geldt voor alle kerken van reformatorische signatuur en ook de Gereformeerde Kerken. Maar juist dan hebben wij eerlijk met elkaar om te gaan en onze bezwaren tegen elkaar niet alleen te noemen maar ook te wegen. Dat laatste vooral acht ik van grote betekenis, met name als het gaat om het gezag van de Schrift. Het gewicht van de bezwaren kan dan wel eens zo zwaar worden, dat met ernst gevraagd moet geworden of wij zo op de goede weg zijn. Want hoe urgent en levensnoodzakelijk het ook is voor de kerk, dat zij in eenheid en saamhorigheid zich in deze wereld openbaart, het zal toch alleen kunnen in de enigheid van het ware geloof, en op een weg die God zelf ons in Zijn Woord wijst. Want elke andere weg is een doodlopende weg. Daarom kunnen wij nooit het Samen op weg als a priori gaan hanteren, dat altijd gehandhaafd blijft, ook al neemt de dreiging van het n op een dwaalweg gaan toe. Integendeel. Juist het inhoudelijk samenstemmen in het ware geloof brengt tot een samen op weg gaan naar de, door God bevolen, geestelijke en kerkelijke, eenheid. Nogmaals, ik voel de ernst en de drang achter de bijbelse roep tot eenheid. We mogen ons daar niet aan onttrekken. Tegelijk voel ik de ernst van de dreiging om de weg kwijt te raken en eigen gekozen wegen te gaan. In die span ning bevind ik mij nu. En ik weet daarop momenteel geen afgerond antwoord te geven.
Eigen visie?
Een tweede punt, dat wij hier nog aan de orde willen stellen, is de voor de hand liggende vraag: als u nu zoveel critiek heeft op dit rapport, geeft u dan zelf eens een weg aan, waarop wij in onze tijd een verstaanbare en overtuigende vorm kunnen geven aan het gezag van de Schrift. De legitimiteit van deze vraag erken ik, hoewel ik er tegelijk aan toevoeg, dat het een ontzaglijk moeilijke vraag is. Aan het begin van mijn bespreking hebben wij opgemerkt, dat niemand moet denken, dat hier iemand aan het woord is, die eens even zal vertellen hoe het zit. Er blijven vele vragen over, waarop wij het antwoord schuldig moeten blijven. Er is trouwens voorzover ik weet nog geen antwoord gegeven, waarin het goddelijke gezag van de Schrift voluit wordt vertolkt en tegelijk ook alle vragen worden beantwoord, die voortkomen uit historischcritisch onderzoek van de Schrift.
We hebben gezien, dat ook A. Kuyper en H. Bavinck dat antwoord niet gegeven hebben. Zij gingen uit van een organische inspiratieleer, maar als het erop aan kwam, vielen zij toch terug op een veel meer mechanische inspiratieleer zoals de Gereformeerde orthodoxie heeft verwoord. Daardoor was hun theologische positie kwetsbaar. Toch is deze kwetsbaarheid wezenlijk.
Het komt ons voor, dat men in de Gereformeerde Kerken daarna deze kwetsbaarheid te boven heeft willen komen en wel tot een afgeronde visie heeft willen komen. Merkwaardigerwijs is dit binnen het tijdsbestek van een halve eeuw op precies tegenovergestelde manier gebeurd, In de 20-er jaren heeft men dat gedaan door een rationeel onfeilbaarheidsbegrip op de Schrift toe te passen, dat zich toespitste op de letterlijke, rationeel-verifieerbare historische onfeilbaarheid van de Schrift (de slang heeft hoorbaar gesproken). Nu is daarvoor in de plaats een andere, afgeronde theorie gegeven in de vorm van het relationele waarheidsbegrip, waardoor men meent, dat men er nu uit is, en de goede sleutel voor het juiste verstaan van het Schriftgezag heeft gevonden. Inhoudelijk zijn de twee antwoorden tegenovergesteld. Maar wat hun rationeel karakter en theoretische compleetheid betreft stemmen zij in grote mate met elkaar overeen. Beide hebben met elkaar gemeen, dat zij de verlegenheid, die bij Bavinck vooral aanwezig was, niet (meer) kennen. Deze verlegenheid komt namelijk daaruit voort, dat men onverkort wil leven bij, en denken vanuit het goddelijke Woord in de Schrift, in kerk en theologie, maar dan wel nogal eens in de hoek gedreven wordt door critische vragen, die vanuit een critische (bijbel)wetenschap worden gesteld. Toch willen wij deze verlegenheid kiezen boven de ons in het rapport gegeven oplossing. Want hoe moeilijk het soms is om op de critische wetenschapsvragen een bevredigend antwoord te geven, in de praxis van de prediking, het geloofsleven en - handelen van de kerk en ook in de theologie valt de schaal verreweg uit naar de kant van een geloofsversterkend ervaren van de goddelijke kracht en de rijkdom der Schriften. Terwijl op de, in het rapport ons gewezen tegenovergestelde weg, men misschien wel antwoorden kan geven op allerlei moderne critische vragen, waarmee het Bijbelonderzoek wordt omringd, maar waarbij intussen het gehoorzaam en bevrijdend buigen onder het inhoudelijke gezag van de Schrift onder zware druk komt te staan en ernstig wordt versmald.
Uit het bovenstaande kan worden opgemaakt, dat wij zelf dus niet de weg willen opgaan van een (even) rationele onfeilbaarheidstheorie, die als dogma van de onfeilbaarheid kan worden gesteld tegenover het 'dogma van de feilbaarheid'. Wij zijn ervan overtuigd dat het Schriftgeloof nooit met zo'n onfeilbaarheidstheorie kan worden gedekt, laat staan worden vereenzelvigd. Al was het alleen maar om de reden, dat men zo'n onfeilbaarheidsleer kan aanhangen buiten het levende geloof om. Daartegenover menen we te mogen stellen, dat het ware geloof in de Schriften en het ware verstaan en ervaren van het gezag van de Schrift alleen daar te vinden is, waar de Heilige Geest ons hart vernieuwd en ons verstand verlicht en onze oren geopend heeft om Gods Stem te horen en al onze gedachten gevangen te laten voeren tot de gehoorzaamheid aan Jezus Christus.
Kracht en verborgenlieid
Wanneer nu de vraag gesteld wordt: ja maar, u moet toch met een antwoord komen, een oplossing, een visie. Dan meen ik toch deze aandrang te moeten weerstaan. Althans in deze zin, dat we toch zouden komen tot een min of meer afgeronde theorie over het Schriftgezag en de Schrift zelf. We blijven in het geloof uit de Schriften leven als uit Gods eigen Woord. En we beseffen, dat wij hierin met zulk een machtig geheim te maken hebben, dat ons verstand dit niet in een theorie kan vatten. Dat komt vooral daardoor, dat het meest centrale van het Schriftgezag ligt verankerd in het werk van de Geest en door Hem in het werk van de Vader en de Zoon. Wij hebben hiervan een schetsmatige uitwerking gegeven in de artikelen De Heilige Schrift als Gods openbaring in de serie De Heilige Schrift in De Waarheidsvriend 68/15-18 (april/mei 1980). Van al het Werk van de Geest geldt, wat Jezus zegt in Joh. 3 : 8: de wind blaast, waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid; maar gij weet niet, van waar hij komt en waar hij heen gaat. Daarbij denk ik aan Paulus' woord uit 1 Cor. 2:11: niemand weet hetgeen Gods is dan de Geest Gods.
Dat wij niet kunnen komen tot een rationele afronding van ons vragen naar het hoe en wat van de Schrift, ligt ten diepste in het feit, dat wij hier bezig zijn het werk van de Geest te doorgronden. En dat gaat boven onze macht. Maar tegelijk is het toch zo, dat wij, juist omdat wij hier met de Geest te maken hebben, de kracht en de werkelijkheid van het spreken Gods in de Schriften mogen ervaren. Zoals wij de kracht van de wind voelen en zijn geluid wel horen zonder het te kunnen analyseren.
Als we nu ter afsluiting zoeken naar een min of meer theologische formulering van dit ondoorgrondelijke maar krachtige geheimenis, wil ik mij aansluiten bij wat J. G. Woelderink hierover heeft gezegd. Als Woelderink spreekt over de kracht van de beloften Gods omdat wij daarin te maken hebben met de belovende God zelf, komt hij in dit verband ook te spreken over het gezag van de Schrift. Dit verband op zichzelf is al veelzeggend, evenals het artikel, waarin hij het ter sprake brengt en dat handelt over Genadeverbond en Bevinding (Zie Verbond en Bevinding, Amsterdam, 1974, blz. 33). We merken hieruit op, dat Woelderink het gezag van de Schrift dus aan de orde stelt binnen het raam van de bevinding des geloofs als werk van de Geest in onze harten. En we menen, dat dit het enige juiste kader is, waarin dit Schriftgezag aan de orde gesteld kan worden (vgl. art. 5 Ned. Geloofsbelijdenis) Woelderink schrijft dan het volgende: 'Ook ten opzichte van het Genadeverbond stuiten we gedurig op het rationalisme, dat het groote wonder niet verstaat, dat Gods Woord in des menschen woord is ingegaan zonder nochtans in des menschen woord veranderd te zijn (curs. J. G. W.). Ook hier de fatale scheiding tusschen het Woord en God, tusschen de belofte en Hem, die belooft, waardoor het geloof ten slotte te doen heeft met waarheden en begrippen in plaats van betrekking te hebben op het Woord en de Openbaring des levenden Gods.'
Het gaat in de Schrift om de sprekende God zelf. En deze sprekende God blijft aan het Woord, ook al komt het tot ons in woorden van mensen. Het blijft Gods eigen Woord en wordt niet veranderd in des mensenwoord ook al komt het in mensenwoorden tot ons. Volgens Woelderink is dat het geheim van de inspiratie der Schrift, dat het werk is van de persoon van de Geest. Woelderink legt dan de nadruk erop, dat de Geest maar niet een kracht is (zie het rapport God met ons), maar 'een goddelijk Persoon, die met eigen getuigenis tot ons komt...' De beslissing valt eigenlijk in het verstaan van de persoon en het werk van de Geest, zegt Woelderink. En we menen dat ook in onze bespreking van het rapport te hebben geconstateerd.
Geen docetisme
Ik moet erkennen, dat wat Woelderink hierover gezegd heeft mij uit het hart gegrepen is. Betekent dit nu, dat Woelderink toch weer een mechanische inspiratieleer heeft vertolkt?
Nee, want ook een mechanische inspiratieleer is een rationeel beheersen van het geheim van de Geest en de Schrift. Woelderink wil echter het geheim voluit laten staan, terwijl alle gewicht komt te liggen op het spreken van God zelf, dat in de Schrift tot ons komt. Wie meent, dat dit een vorm van docetisme is, waarin met de werkelijkheid van de mens en de geschiedenis binnen het Schriftgetuigenis geen rekening wordt gehouden, is er gewoon naast. Want wie zo omgang heeft met de Schrift, zoals Woelderink dit tracht te verwoorden, ervaart, dat Gods spreken niet boven het menselijke bestaan uitzweeft, maar dat het juist het hart van mens en wereld raakt. Ook dan stuiten wij weer op het goddelijk geheim van de Schrift, dat dit spreken van God in mensenwoorden ook voor ons en in onze tijd met goddelijke kracht tot ons komt, zodat ons hele leven daarnaar wordt gereguleerd en geen enkele andere visie of opvatting daarmee in een concurrentierelatie kan staan. Ook onze ethische houding in onze tijd wordt dan geheel en al door wat God zelf in zijn Woord ons heeft gezegd, bepaald.
We sluiten hier af. Natuurlijk beseffen wij, dat het gesprek hierover lang niet geëindigd is. Het blijft de worsteling van de kerk om vanuit Gods Woord eigen woorden en daden zo te laten richten, dat ook de wereld van nu de boodschap van God opvangt. Het is echter onze diepe geloofsovertuiging, dat hoe dichter deze boodschap zich ophoudt in de buurt van Gods eigen Woord, hoe krachtiger en gezaghebbender zij doorkomt in onze wereld, hetzij tot gehoorzame onderwerping, of tot hevige tegenspraak. Maar het diepste criterium ligt niet daar, namelijk of het al of niet wordt aanvaard. Het diepste criterium ligt daar, of de christelijke gemeente getrouw gebleven is aan het getuigenis Gods.
C. Graafland
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juli 1981
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juli 1981
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's