De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

12 minuten leestijd

Pseudo-eenvoud

Eenvoud is het kenmerk van het ware. Maar er is, ook in de kerk en de theologie, een onecht beroep op de eenvoud die de zaken simplificeert. Prof. dr. J. T. Bakker wijst daarop in het Geref. Weekblad van 19 juni. Echte eenvoud is niet voor de hand liggend en allerminst simpel. De eenvoud is eerder een leidster dan een gegeven. Daarom opgepast met wat je zou kunnen noemen: de valse eenvoud. Bakker geeft het volgende voorbeeld:

Nog één voorbeeld van wat je kunt noemen 'pseudo-eenvoud'. Ik kwam het een tijdje geleden tegen in een advertentie. Er werd gevraagd naar een pastor, die bereid was een gemeente te gaan verzorgen 'in de joods-christelijke geest en traditie'. Ik weet, dat het mode wordt, via het simpele verbindingsteken de twee begrippen joods en christelijk aan elkaar te koppelen. Het is zeer modern. Maar er zou in elk geval wel eens op van toepassing kunnen zijn wat in een apokrief woord van Jezus is overgeleverd, toen hij op de sabbath een houtsprokkelaar tegenkwam: 'Zalig ben je als je weet wat je doet; vervloekt als je het niet weet!' Maar al te gemakkelijk worden via zo'n streepje echte spanningen weggewuifd. Het kan uiting zijn van het besef, dat wij onze joodse wortels verspeeld hebben en als heiden-christenen 'voor onszelf' begonnen zijn. Maar niet minder vaak is het een bewijs, dat men terug wil grijpen op het 'eenvoudige evangelie' van de joodse Jezus en daarbij weer eens de (even joodse) Paulus, die het allemaal nodeloos moeilijk gemaakt heeft als een grootse vergissing aan de kant schuift. Maar zo goedkoop komen we met onze oorsprongen niet klaar. Het is toch wel tekenend, dat een theoloog als Miskotte, die als bijna niemand anders gezocht heeft naar het blijvend maatgevende van het Oude Testament en heel zijn leven bezig bleef met de verhouding tussen jood en christen, dat gemakkelijke verbindingsstreepje niet kent. Misschien omdat hij ook bang was voor de zoveelste poging om het Jodendom te annexeren en zo van zijn eigen karakter te beroven.

Daar komt nog bij dat het toch een vreemde zaak is om over de Schrift als bron en norm voor prediking en pastoraat te spreken als over 'joods-christelijke traditie'. Versimpelen we zo niet het vraagstuk van de betekenis van de apostolische traditie en de relatie tot de openbaring Gods en dreigt de openbaring niet te worden tot neerslag van menselijke ervaringen?

***

Verantwoorde gemeentezang

Scheps Kerknieuws had een gesprek met drs. Jan Luth, kerkmuziekdeskundige van vrijgemaakte gereformeerde huize, die als theoloog en hymnoloog verbonden is aan het Instituut voor Liturgiewetenschap in Groningen, een instituut dat zich op wetenschappelijke wijze bezig houdt met de vragen van kerkmuziek, kerklied, liturgie en eredienst. Drs. Luth is van mening dat de Schriftgegevens over kerkmuziek en kerklied nauwelijks nog meetellen in de schatting van velen. Wat verstaan we nu onder hymnologie?

'Er zijn heel wat omschrijvingen in omloop. Maar ik zou het zo willen zeggen: hymnologie is een wetenschap die zich bezig houdt met alles wat er bij het jodendom en het christendom gezongen wordt. Je kunt ook zeggen: hymnologie houdt zich bezig met het loflied. Je moet er wel bij zeggen dat er een beperking is tot liederen die doorgaans in een gezangenboek te vinden zijn. Dat is in de praktijk wel de hoofdzaak.

De naam hymnologie is afgeleid van het Griekse woord humnos. Dat had te maken met lofzang voor de goden. Ambrosius heeft er een Latijns woord van gemaakt: hymnus. Zo komt het nog steeds in de r.k. eredienst voor. De Engelsen spreken van hymnus, de Duitsers van Lieder en de Fransen van psaumes en cantiques. Ook wij hebben psalmen en gezangen en die zijn inderdaad van de Fransen (en de Frans-Zwitsers) overgenomen. Onze eerste psalmbundel, die kerkelijk werd gebruikt, was een door Datheen slordig vertaald Geneefs psalmboek. Pas in 1773 komt daar een andere berijming voor in de plaats. Deze eeuw kent heel wat berijmingen, goede en slechte mag ik wel zeggen’.

- Houdt het instituut zich vooral met protestantse kerkmuziek bezig of probeert u ook in de praktijk het onderzoek zo breed mogelijk te doen zijn?

' Als je met dit vak bezig gaat, kom je vroeg of laat op een punt dat je verder terug moet. Wanneer je het Geneefse Psalter neemt moet je je afvragen hoe dat Psalter is ontstaan. Dan kom je met de Reformatie in aanraking en met de tijd daarvoor. Wat is er in de kerk van Rome gezongen vóór de Reformatie en wat is er na de Reformatie nieuw?

Bij de Geneefse psalmmelodieën is het zo dat er een hele sterke relatie is. Je zou kunnen zeggen dat negentig procent van de melodieën, zoals we die nu zingen en zoals die in de zestiende eeuw zijn geschreven, min of meer letterlijke adapties zijn van Gregoriaanse gezangen.

En we kunnen ook nog verder teruggaan. Het is nogal vaag, maar er zijn verbindingslijnen te trekken tussen de synagogale muziek, het Gregoriaans en het Geneefse Psalter.'

Hymnologie heeft te maken met bijbeluitleg, kerkmuziek, kerkgeschiedenis, en literatuurwetenschap. Van betekenis is deze tak van studie voor de praktijk van de kerkzang. Hiervan zegt drs. Luth:

‘Helaas niet zo best. In veel kerken wordt de kerkzang nog steeds als een bij wagen gezien. ledereen is bijzonder gespitst op de prediking - en dat is goed natuurlijk - maar dat zingen, ja... daar hou je van of daar hou je niet van, hè?

Dat klopt echter niet. Kijk maar wat de Schrift erover zegt. En heus niet alleen in het Nieuwe Testament! In het Oude Testament vind je heel mooie voorbeelden, die duidelijk maken hoe belangrijk de plaats van de kerkzang is in de eredienst. Men zegt weleens dat het Oude Testament vervuld is, maar dat wil niet zeggen dat de substanties van datgene dat er vermeld wordt, niet meer van kracht zijn. De gereformeerd-vrijgemaakte ds. G. van Rongen heeft eens een artikel geschreven over 'Het gebod van David'. Hij noemt daarin een aantal plaatsen waaruit blijkt dat er een rechtstreeks gebod aan David was gesteld om te zorgen dat het met de kerkmuziek goed zat. En al hebben wij nu geen levieten meer en geen trompetten, dat gebod blijft van kracht! Af gedacht van de praktische invulling en uitvoering blijft gelden: met de kerkmuziek moet het goed zitten! Waarom zouden we de zendingsopdracht wél serieus nemen en dit gebod niet? '

- Hoe is de situatie dan concreet?

'Wanneer ik zie welke bundels er op de markt zijn en vooral ook op welke wijze de vernieuwing van de bestaande bundels wordt aahgevat, dan is er wel reden om bezorgd te zijn. Maar laat ik naar de kerk kijken, waarvan ik lid ben. In de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt is men bezig met het beproeven van een bundel psalmen en gezangen. Op de generale synode van Arnhem, die op dit moment aan de gang is, is daaraan verder gewerkt. Men heeft duidelijk gekozen voor 'berijmen' in plaats van 'dichten'. De eis van Schriftuurlijkheid is dan eigenlijk de enige van belang. Maar wie zo spreekt, mag zich toch wel afvragen wat de functie van het kerklied is. Dat lied wordt in de eredienst gebruikt. Dat betekent dat het zingen direct voor Gods aangezicht plaatsvindt. Zeker, de eis van Schriftuurlijkheid is belangrijk. Maar doet de vorm dan niet ter zake?

Eigenlijk kan een synode hier niet goed over oordelen. Je kunt van een synode toch niet verwachten dat ze muziekwetenschappelijke of filologische uitspraken doet? De synode heeft oordelingsbevoegdheid over de inhoudelijke kant, hoe het theologisch zit, en over het gebruik. Verder moet je vakmensen inschakelen, hymnologen ook.'

Verderop in het gesprek wijst hij op Calvijns zorg in deze, voor goede en verantwoorde gemeentezang en de inschakeling van kinderen daarbij. 'Als je met kinderen begint heb je een generatie verder al veel gewonnen.' Terecht is de opmerking dat kerkzang en kerkmuziek nooit secundaire zaken mogen zijn als we er ernst mee maken dat God troont op de lofzangen van zijn volk. Niet alleen de opleiding van de dienaren des Woords, ook kerkeraden en kerkvoogdijen hebben hier mee te maken. Welke eisen stellen we aan te benoemen organisten? Aan een kerkorgel in een kerkgebouw? Vaak wordt hier alleen geredeneerd volgens het (aanvechtbare) principe: Over smaak valt niet te twisten. Maar er is goede smaak en wansmaak. Juist de reformatorische traditie geeft alle aanleiding om er zorgvuldig mee om te gaan, ten dienste van de gemeente en haar samenkomsten. Men behoeft echt geen aanhanger te zijn van een hoogkerkelijk liturgisch streven, om toch te pleiten voor verantwoorde liturgie. Soberheid in Calvijnse zin is wat anders dan slordigheid, waarbij ieder doet wat goed is in zijn ogen.

***

Twijfel als metgezel?

In de Friese kerkbode schreef ds. L. H. Kwast over prediking, zekerheid en twijfel. Zondag aan zondag heeft de prediker een boodschap door te geven.

'Dan luistert het nauw. Die boodschap is immers niet van mezelf maar van de Grote Chef. Daar mag ik niet aan sleutelen. Maar als ik zelf met die boodschap nu eens grote moeite heb, hoe dan? Zeg ik dan tegen het horende volk dat ik die boodschap niet of nauwelijks kan geloven? Gebiedt de persoonlijke eerlijkheid dat ik mijn twijfel in de etalage leg?

Verleidelijk is dat wel. Wie kan met overtuiging een boodschap doorgeven waarmee hij innerlijk overhoop ligt? Of hij vlucht in cliché's of hij overschreeuwt zichzelf. Is het niet veel eerlijker om voor de oren van de gemeente op te biechten dat men met de boodschap van de Heer geen raad weet?

Er zit echter ook een andere kant aan de zaak. Hoe benauwd de man op de kansel het met die boodschap ook heeft, is de gemeente bijeengekomen om een boodschap van menselijke twijfel aan te horen, of de Boodschap van de Heer? Over die vraag hoef je geen tien seconden na te denken.'

Ik meen dat dit terecht is. Zeker, in de gelovige is veel twijfel. En een pastorale prediking zal daarop hebben in te gaan. Maar wij mogen doorgeven wat onder ons volkomen zekerheid geeft (Luc. 1 : 4), het betrouwbare Evangelie. Het is goed om in een tijd waarin het bij velen weer alles ervaring is wat de klok slaat, toch nog eens nadruk te leggen op deze objectieve betrouwbare boodschap, waar de man op de kansel en de mensen eronder beiden van moeten leven. Wij mogen het horen, opdat wij vast verzekerd zouden zijn... Niet van onszelf. Maar van de genade van de Here God, de liefde van Christus, de troost van Zijn Geest.

***

De kerk en de groepen

Daarover maakt prof. dr. W. v. 't Spijker in het blad De Wekker de volgende opmerkingen:

'Het lijkt even duidelijk, dat er op een aantal punten de groepen meer schijnen te bieden dan de kerken. Wij mogen niet trachten sommige gebreken die het kerkelijk leven bedreigen te verdoezelen. Het is onvoorstelbaar hoe bijzonder fnuikend de kerkelijke verdeeldheid werkt. Ik wil niet zeggen, dat de geloofwaardigheid van het christelijk belijden uiteindelijk in mensenhand ligt. Maar zij wordt wel op een bijzondere manier verminderd door de kerkelijke verdeeldheid. Men moet wel de indruk krijgen, dat het de kerken meer om een eigen gelijk, dan om de waarheid van het evangelie te doen is. Natuurlijk zeggen wij, dat voor de echte kerk die twee niet van elkaar los zijn te maken: ware kerk en onvervalst evangelie. Maar wij moeten vrezen, dat dit naar buiten niet altijd even helder doorkomt.

Wat daarmee samenhangt is het tweede: de gemeenschap van de kerk, d.w.z. de gemeenschap der heiligen krijgt naar buiten weinig glans. De gemeente is in het beste geval een getrouwe luistergemeente. Zo hoort het ook. Immers, het geloof is uit het gehoor. Maar of de verminderde belangstelling voor de tweede dienst hier reeds geen boekdelen spreekt is een vraag, die we niet behoeven te beantwoorden. De gemeente snijdt zichzelf van de levende bron af, wanneer de bediening van het Woord steeds minder belangstelling krijgt. Wat mag men daarnaast of daarna nog van de gemeenschapsbeoefening verwachten?

Men mag hier beslist niet generaliseren. ledere pastor weet, dat de gemeente veel meer activiteiten ontplooit, dan er in het gemeenteblad wordt vermeld. Maar ieder weet ook, dat het, ook wanneer we dit in rekening brengen, toch nog vaak zo heel gebrekkig is.

Men moet vrezen, dat dit laatste weer samenhangt met het derde: het leven uit het meest centrale wonder van de vergeving der zonde. Ik bedoel hier nog niet eens, dat de grote rijkdom van Gods vergevende genade nimmer in haar volheid kan worden verstaan. De zekerheid der vergeving wordt veel gemist. Maar is het werkelijk een gemis? Zoekt men haar en tracht men er naar uit alle kracht? Of heeft men een zekere manier van leven gevonden, die deze armoede heeft ingebouwd alsof zij erbij hoort? Het geestelijk peil van de gemeente is doorgaans niet zo hoog. En hiermee hangt dan weer samen, dat de geweldige geloofswerkelijkheden die met het centrum van de vergeving der zonden onmiddellijk samenhangen in de ervaring van de gemeente niet een grote betekenis schijnen te hebben. Ik bedoel nu de toekomstverwachting: ik geloof de werderopstanding van het vlees. En ik bedoel de heerlijkheid van de toekomst hier en nu reeds: ik geloof een eeuwig leven. Wat de catechismus noemt: het beginsel van de eeuwige vreugde..., het wordt maar spaarzamelijk beleefd in de gemeente.

Op deze punten haakt de zuigkracht van de groepen in. En naar het schijnt met succes.'

Het is nodig om als kerk gedurig weer zichzelf te zien in de kritische spiegel van de Schrift. De zuigkracht van de groepen is wat dat betreft een teken aan de wand. Tegelijk bespeuren we bij de vrije groepen vaak een groot aantal eenzijdigheden. De groepen, zo merkt Van 't Spijker op, zijn te weinig algemeen, te weinig katholiek. We kunnen de Geest en zijn werk niet los denken van de kerk.

Wie door de Geest geleid wordt, is ingelijfd in het licht van Christus en behoort bij het gehele lichaam. Laten we biddend openstaan voor de Geest van Christus en zijn werk. Dat is 't beste, ja positieve, antwoord op de zuigkracht van de groepen. En waar de wind van de Geest waait in de kerken, zal dit ook groepsvorming in de kerken zelf tegengaan, aldus, terecht. Van 't Spijker. De relatie 'kerk en groepen' blijft ons in deze jaren terecht bezig houden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juli 1981

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juli 1981

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's