De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een gezegend prediker (12)

Bekijk het origineel

Een gezegend prediker (12)

7 minuten leestijd

Barneveld. Het besef daarheen te moeten gaan was voor mijn vader overduidelijk geweest.2 oktober 1919 had het afscheid in Delft plaats.

Barneveld

Het besef daarheen te moeten gaan was voor mijn vader overduidelijk geweest.

2 oktober 1919 had het afscheid in Delft plaats. Tot mijn spijt kan ik de afscheidstekst, ook na navraag aldaar, niet meer nagaan. Evenmin trouwens het Schriftwoord, waarmede hij in Barneveld zijn intrede deed op 2 november 1919. Dank zij de accuratesse van mijn broer weet ik, dat deze Psalm 119 : 38 als bevestigingstekst gekozen had: 'bevestig Uwe toezegging aan Uw knecht, die Uwe vreze is toegedaan'. De tekst staat vanzelf in verband met de stelligheid, waarmede mijn vader zich naar Barneveld geroepen wist.

Na een perfecte verhuizing waren we bewoners geworden van de nu niet meer bestaande pastorie aan de Gasthuisstraat. Ook de bijzonder mooie tuin langs de kleine Barneveldse beek, via een stuw in dit beekje en enkele duikers, verfraaid met twee vijvers, verbonden met rustieke bruggetjes; een tuin, rijkelijk voorzien van oud en jong loof-en naaldhout en velerlei vruchtdragend geboomte, bestaat niet meer. De Veluwehal en een kerkelijk verenigingsgebouw hebben alles opgeslokt. Alleen de bijzondere ceder is gespaard en steekt nog boven alles uit. Maar het was allemaal vorstelijk en we genoten er koninklijk van.

Twee predikantsplaatsen

Van de 5 predikantsplaatsen in Delft kwam mijn vader nu in de situatie van de twee kapiteins op één schip. Men zegt, dat dit, wat collegiale samenwerking betreft, de moeilijkste opgave is. Maar in Barneveld was daar geen sprake van. Daar stond toen de nog jonge ds. G. J. Koolhaas. De kennismaking was onmiddellijk zo geweest, dat mijn vader bij zijn intree zei: 'gemeente, als collega Koolhaas en ik ooit ruzie krijgen, dan ligt de schuld bij mij, hoor!' Het werd een ideale samenwer­king. Wat heb ik persoonlijk ook bijzonder fijne herinneringen aan deze nobele, trouwe, hardwerkende pastor en prediker, tot ik na veelvuldige contacten en samenwerking o.a. voor het Ned. Bijbelgenootschap, zijn opvolger werd als bejaardenpastor hier in Hilversum. Trouwens ook de verhouding met de opvolger van ds. Koolhaas in Barneveld, ds. J. H. Th. Rappard, was steeds uitstekend. Jammer, dat hij zo jong en zo plotseling werd weggenomen! In Hasselt, ten huize van zijn broer.

In het ziekenhuis

In Barneveld is mijn vader tweemaal ziekenhuispatiënt geworden. Eenmaal aan het begin, en voor de tweede keer aan het eind van zijn vijf Barneveldse jaren.

Ziekenhuispatiënt was hij nog nooit geweest. Ingewandsstoornissen en keelontstekingen hadden hem veel geplaagd. En nu tweemaal opgenomen in het oude Arnhemse Diaconessenhuis. Beide malen door een val. Beide malen op een zondag. Beide malen zo'n 20 minuten voor de avonddienst (5 uur).

De eerste keer was dat nog geen twee maanden na onze komst in Barneveld. Op zondag 18 januari 1920, de zestigste verjaardag van mijn moeder, viel hij van de trap en brak zijn arm. Mijn broer, die in verband met deze verjaardag juist thuis was, kon alleen maar haastig enkele noodzakelijke maatregelen nemen en naar de kerk draven om te preken over Hebr. 12 : 1 en 2: 'daarom dan ook, alzo wij zo groot een wolk der getuigen rondom ons hebben hijgende, laat ons afleggen alle last en de zonde, die ons lichtelijk omringt, en laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is, ziende op den Oversten Leidsman en Voleinder des geloofs Jezus, Die voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen, en schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand van de troon Gods.'

De breuk was gelukkig niet gecompliceerd, al klaagt mijn vader in een brief van 27 maart nog wel over wat pijn.

Hij had het goed gehad in het ziekenhuis. In meer dan één betekenis! Over de behandeling en de verpleging was hij zo dankbaar en zelfs enthousiast, dat het niet lang duurde of het niet erg florerende particuliere ziekenhuis werd verrast door een royale kerkcollecte uit Barneveld. Meer dan ooit was tot mijn vader doorgedrongen, dat zielszorg wel de voornaamste taak van de kerk was. Maar dat men in onze kringen tot dusver de lichamelijke verzorging als tweede-rangsaangelegenheid maar aan 'ethischen en zo' had overgelaten.

Weer aan de arbeid

Thuisgekomen en hersteld, zat mijn vader al gauw weer in het werk, vooral in het meest voor de handliggende werk van de belijdenis des geloofs. Die had plaats de laatste zondag van maart 1920. Niet minder dan 64 personen deden toen belijdenis. Van beide predikanten werden de catechisanten steeds in één dienst samengenomen. Onder die 64 was ook ondergetekende, toen dus nog student in Utrecht. De tekst was Daniël 9 : 4a: 'ik bad dan tot den HEERE, mijnen God, en deed belijdenis'. Achtereenvolgens werd gesproken over levens zonder gebed en zonder belijdenis; over een belijdenis der lippen zonder de achtergrond des gebeds; over bidden dat nooit belijden wordt, omdat het geloof er in gemist wordt; en over het samengaan van gebed en belijdenis als bij Daniël.

Vier en zestig nieuwe lidmaten - dat was een groot getal. Toch behoorde mijn vader niet tot degenen, die deze belijdenis aanmerkten als een in de kerk aanvaardbare uitspraak van een z.g. 'historisch geloof'. Hij kende het leven genoeg om te weten, dat niet alle ja-woord, een van harte gegeven 'ja' was. Hij waarschuwde daartegen ook. Maar hij hield echter altijd het wezen der kerk voor ogen en wilde daarom nooit aan de geestelijke dood een gewettigde plaats toekennen op het erf van Christus' kerk. Vandaar ook dat de doopouders aangesproken worden als 'geliefden in den Heere Jezus Christus'. Het roept de kerk voortdurend toe: 'wees, wat ge schijnt te zijn'. Hij maakte het daarom zichzelf en ook zijn catechisanten niet mak'lijk, maar verheugde zich ook in elk lente-uitspruitsel aan de oude stam, die God in ons land geplant en in stand gehouden heeft.

In datzelfde jaar 1920 viel het huwelijk van mijn broer met mej. Aaltje van Walsum uit Krimpen a/d IJssel, op een schitterende meidag (6 mei). Mijn vader bevestigde dit huwelijk in de Krimpense kerk. De trouwtekst was uit Genesis 24, hét hoofdstuk, dat in bijzonderheden de totstandkoming van een huwelijk vertelt, in bepaalde dingen inderdaad 'tijdgebonden', maar met voor iedere bruidegom en bruid nog altijd wenselijke achtergronden van verborgen gebed en duidelijke leiding.

Opnieuw Schoolwerk

De verhouding tot gemeente en kerkeraad (ik zou het een eind brengen met al de namen van de toenmalige kerkeraadsleden op te noemen) was bijzonder hartelijk.

Alleen - één ding kan mijn vader niet verwerken. Hij trof hier dezelfde situatie aan als destijds in Hasselt: bijna alle kinderen van Hervormde ouders bezochten de Openbare School. Vlak bij onze pastorie, aan de Kapteijnstraat stond het nog betrekkelijk nieuwe, trotse gebouw met z'n 12 lokalen in één breed front. Slechts een gering aantal ouders realiseerde zich de noodzakelijkheid van een opvoeding, waarin gezin en school elkander konden helpen bij de vervulling van de, voor Gods aangezicht gedane, doopbelofte en de kinderen de dingen van het tijdelijke en van het eeuwige leven onder de belichting van hetzelfde Woord Gods en in het besef van de afhankelijkheid van dezelfde Bron van alle goed, leerden zien. Er was inderdaad een christelijke school, een Gereformeerde, van vóór de gelijkstelling. Ds. Koolhaas had ook zijn kinderen daarheen gezonden. Ik zie de later zo bekende dr. A. A. Koolhaas, nog als schooljongen daarheen op weg.

Nu was het jaar 1920 juist het jaar van de nieuwe Lager Onderwijs-wet. Daar was jaren lang voor gestreden. Dit vergemakkelijkte de financiële problemen zeer. Toch verliep alles niet vanzelf. De liberale burgemeester, baron Van Nagell van de Schaffelaar beloofde mijn vader alle tegenwerking. Speciaal zou de bestaande school nooit worden afgestaan. Er moest een aanvrage worden ingediend voor het aantal leerlingen, dat officieel voor de nieuwe school werd opgegeven. En er moest een daarop berekend bestek en tekening worden ingediend. Toen bleek, dat Barneveld toch op dit ogenblik gewacht had. Voor de nieuwe Hervormde School werd een aantal leerlingen aangegeven, waarvoor 10 lokalen noodzakelijk waren. Voor de Openbare School bleven niet meer dan half zoveel leerlingen over. Het was toen toch maar wijzer, een kleine Openbare School te bouwen, al moest de Hervormde School toen wachten op het vrij komen van de bestaande school.

Wel had de gemeente-architekt, overeenkomstig de oorspronkelijk eis, bestek en tekening gemaakt voor de Herv. Kerkeraad. Toen het ingediende plan nu niet zou worden uitgevoerd, kwam het werk, dat de architekt gedaan had, niet voor subsidiëring in aanmerking. Hij heeft toen afgezien van het indienen van een nota en het gedane werk als pro Deo gedaan beschouwd. Een dankbare herinnering waard!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juli 1981

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Een gezegend prediker (12)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juli 1981

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's