Turen over de levenszee
Boek van een zeeman-dominee
Ooit uitte prof. dr. G. C. van Niftrik eens de overigens heus niet serieus bedoelde - klacht, dat er predikanten, theologen zijn, die zich bij de voornaam (mogen) laten noemen, terwijl hij als prof. dr. G. C. ... door het leven moest gaan. Men spreekt - zei hij - over Okke Jager, Jac. van Dijk en Piet Lugtigheid.
Het bij de voornaam noemen is thans veel algemener dan vroeger het geval was. Daaraan zitten positieve kanten. Het geeft meer vertrouwelijkheid. Er zitten ook negatieve kanten aan. Op z'n tijd kan het immers ook nodig zijn om kritische afstand te houden bij verschil van inzicht.
Hoe het ook zij, er waren in vroegere jaren toch ook predikanten, die bij de voornaam werden genoemd of zo bekend waren. Ook in hervormd-gereformeerde kring was een enkeling dit privilege beschoren. We spraken immers altijd over dominee Leen Vroegindewey! Waarom ik dit ter inleiding op dit artikel schrijf? Omdat dezer dagen een boek verscheen, waarvoor ik enige aandacht wil vragen. Het heet 'Turen over de Levenszee' en op de omslag staat vermeld dat 'Ds. Piet Lugtigheid vertelt over zijn leven en werk'. De voornaam Piet staat duidelijk op de omslag. Dat had moeilijk anders gekund. Ds. Lugtigheid was nu eenmaal Piet Lugtigheid!
Levenszee
Ik ga zijn boek niet bespreken. Het is namelijk geen boek om te bespreken. Het is een boek zoals de boeken van ds. T. J. Doornenbal. Stukjes bijeengesprokkeld uit de kerkbode van de classis Harderwijk. Ds. J. T. Doornenbal gaf daarin wekelijks onder zijn gemeenteberichten zijn overpeinzingen aan het papier prijs. Die zijn intussen in drie boeken gebundeld. Ds. P. Lugtigheid deed hetzelfde sinds hij, na emeritering in 1969 bijstand in het pastoraat werd in Veessen (gemeente Heerde). Hij gaf in wekelijkse stukjes zijn levensrelaas weer met allerlei dingen die hij opmerkte of ervaren heeft.
Een betere titel had het boek, waarin die wekelijkse pennevruchten nu gebundeld zijn, overigens niet kunnen krijgen. Lugtigheid heeft namelijk een merkwaardige loopbaan gehad. Geboren in 1904 in Delft. In 1920, toen hij zijn gymnasiumstudie moest afbreken om financiële redenen, jongste bediende bij 'Registratie en Domeinen' te Delft. Dan, in te Delft. Dan, in 1921, leerling van de zeevaartschool. In 1925 behaalt hij de rang van derde stuurman, en zodoende gaat hij de zee op. (De titel van het boek is hiermee wel verklaard.) Als hij zich echter verlooft met Cor ('mijn lieve vrouw, de onkreukbare getrouwe', aan wie hij dit boek opdroeg) moet hij de zeevaart prijsgeven; wordt eerst anderhalfjaar melkboer en begeeft zich dan op het pad van de theologiestudie. En zo is hij vanaf 1934 predikant geweest. Waar men Lugtigheid moet 'plaatsen' in hervormd kerkelijk Nederland zou ik niet weten. Hij was geen theoloog maar een dominee, die preekte en pastoraat deed op een eigen wijze.
Ik geef hieronder maar wat door uit dit lezenswaardige boek, zo maar uit het leven gegrepen.
Als het over zijn bekering en roeping tot het ambt gaat vertelt ds. Lugtigheid het volgende:
'Zoals u weet stam ik uit een gereformeerd gezin, loot van een zuiver-gereformeerde familie van de 'afgescheiden tak' (Hendrik de Cock, 1834). We gingen dus elke zondagmorgen trouw naar de Oosterkerk te Delft (ik heb daar twee jaar geleden mogen preken!) aan de Vlamingstraat, waar toendertijd o.a. ds. L. Kuiper predikant was, die later naar... Kampen vertrok. En dat was een 'verhaaltjesdominee'; nu weet u meteen, van wie ik dat preken, zoals ik dat meen te moeten doen, geleerd heb. Wij, kinderen, zaten in het gangpad - goed genoeg voor die 'aapjes' - en dus twee banken achter vader en moeder. Gedurende de dienst keken we die dus op de rug. Eerst, wanneer de dienst was afgelopen en vader en moeder een kwartslag zich gedraaid hadden, en de bank uitschuifelden, eerst dan zag ik moeders gezicht weer. En dan viel me telkens op wat kijkt moeder weer blij! Natuurlijk begreep ik: dat zat 'm in die preek van de dominee. Zodoende werd ik op een keer - ik zal negen, tien of elf jaar oud geweest zijn - gepakt door een fel en onontkoombaar verlangen, om later ook dat werk te mogen gaan doen: van achter zo'n bijbel op de kansel zo te staan praten, dat moedeloze mensen weer vrolijk - als moeder - huiswaarts kunnen gaan, de zorgen tegemoet en de strijd om het bestaan. En het zal op een verjaardag van mijn moeder geweest zijn, dat tante Jo me vroeg: 'En Piet, wat moet jij later worden? ' Met grote beslistheid antwoordde ik toen: 'Dominee, tante!'. Als ventje van een jaar of tien werd ik dus reeds geroepen tot het predikambt; en ook de inhoud van die roeping kreeg ik erbij te 'horen'; te zeggen aan mijn hoorders: 'Weest moedig en sterk; de Heer is met u'.
Ik was op kamers, of liever thuis bij een nicht en neef van me, een boer en zijn vrouw, in het kleine dorpje de Waal. Deze mensen gingen om negen uur naar bed. Maar dan was mijn huiswerk nog niet klaar. Dat werd wel tien uur of later. Op de hoek van onze dorpsstraat, tegenover de kerk bevond zich 'de beurs'. 'De mannen in de poort', zou de bijbel zeggen. Wat boeren en boerenjongens verhandelden daar de nieuwtjes van de dag. Een klaterende lach klonk van tijd tot tijd luid op in de verder doodstille dorpsstraat. Maar even over negen begaven ook de mannen van 'de beurs' zich ter ruste. Dan was het klos-klos door onze dorpsstraat. Want ze droegen natuurlijk allen klompen.
Telkens maakte zich één los van de groep; hij was thuis. 'Maf ze!' hoorde je dan van die éne, en 'welteruste' van de rest, die nog even verder moesten. Tenslotte was iedereen thuis. Dan viel er een weldadige, bijna hoorbare stilte in ons dorpje De Waal. In de verte alleen nog het blaten van een enkel schaap.
Alleen ik zat nog te werken onder de olielamp. Even tien uur ging dan ook ik als laatste naar mijn bedstee. Maar eerst bidden. Ik boog dan mijn knieën bij het trapje, waarmee ik mijn slaapstede beklom.
Die ogenblikken van gebed raak ik nooit meer kwijt in mijn herinnering. 'Zoek de HEERE, terwijl HIJ nabij is', zegt een tekst. In die ogenblikken was Hij dicht bij mij en ik bij Hem. Wat kon ik, terwijl heel het dorp sliep, dan fijn mijn dankbaar hart in zijn Handen leggen!
Wanneer ik in de jaren na de tijd van 1921-1923 nog eens op Texel ben en door De Waal rijd, dan moet ik altijd... even stoppen vóór dit raam van die slaapkamer, waar ik GODS nabijheid zo duidelijk speurde. Naar De Waal toegaan is voor mij nog altijd een pelgrimstocht, evenals voor de Mohammedanen een reis naar Mekka.
U zegt: 'Maar dominee, ik meende dat u pas in 1933 tot bekering kwam; dat vertelt u altijd'. Weet u, hoe ik dat zie? Toen ik op het gymnasium zat, werkten mijn twee op mij volgende broers bij vader op de boerderij. Vooral de direct op mij volgende broer Pieter (onze beide grootvaders heetten Piet!) - nu al 45 jaren boer in Canada - was een leuke guit.
Om 4 uur 's morgens kwam vader hem wekken. 'Pieter, kom je? ', was het dan. Maar Pieter sliep natuurlijk als een os. 'Pieter dan toch, kom er nou uit!!!', riep vader dan luider nog en een beetje boos. Dan dacht Pieter: 'Nu is het vader echt menens'. Hij sloeg de dekens van zich af, gooide zijn benen over de beddeplank en pakte zijn kousen. Gerustgesteld ging vader dan naar beneden. Maar vader was nog niet bij de trap, of Pieter kroop weer in zijn warme nestje.
- Kijk, dat is 'mijn verhaal'. Ik ben tot drie malen toe geroepen door de HEERE GOD:1. in de Oosterkerk te Delft (vertelde ik u eerder); 2. op mijn slaapkamer in De Waal (zie boven); 3. op de eerste Möttlinger conferentie in het zendingsdiaconessenhuis te Amerongen (1933, vertel ik u later over). De beide eerste keren heb ik 'ja" gezegd tegen GOD, maar ben ik weer 'in slaap gesukkeld'. Eerst in 1933 heb ik - ook weer- 'ja' gezegd, maar ben toen 'opgestaan en tot de VADER gegaan' als een verloren zoon: VADER, ik heb gezondigd...' Sindsdien weet ik mij 'een in genade aangenomen kind van GOD'. Mijn 'ja' sloeg van tijd tot tijd, tot op heden, om in een 'neen', soms heel fel zelfs, maar sinds 1933 kan ik bij dat 'neen' niet meer leven, zoals vroeger.'
Over zijn overgang naar de Hervormde Kerk vanuit de Gereformeerde Kerken, veltelt Lugtigheid het volgende:
'Ik 'vrat' het van mijn dominee op cathechisatie, dat onze kerk, de gereformeerde kerk, 'de zuiverste openbaring van het Lichaam van Christus' was. En dat de Hervormde kerk 'een valse kerk' was. Niet vals in de zin van: gemeen. Nee, vals in de zin van: onzuiver. Onze kerk, dat was een zuivere kerk. Daar vond je 'de zuivere prediking'. En die werd 'zuiver gehouden' door de tucht. Maar in die Hervormde kerk, zo leerden we, daar was immers geen tucht, geen toezicht. 'Je kon het in de Hervormde kerk beleven' aldus onze dominee, 'dat er 's morgens een gereformeerde leraar op de kansel stonden 's avonds een... godloochenaar!!' En ook kon men, aldus onze dominee, in de Hervormde kerk niemand van het Avondmaal weren, zelfs een dronkaard niet. Nou daaraan kon je toch zien dat de Hervormde kerk 'een valse kerk' was.
Wij jongetjes, geloofden dat allemaal. Ik in elk geval. En als wij 's zondagsmorgens naar 'onze eigen kerk' gingen, keek ik vaker met meewarrige blik naar die paar kerkgangers, leek het, die naar de Nieuwe Kerk wandelden. Arme mensen. Ja, en daar waren een oom en een tante van me bij! (Uit dat gezin zouden later drie domineesechtparen groeien'. Hervormde natuurlijk). Arme mensen. 'Als de Heere God', zo dacht ik, 'nu eens met zijn rechtvaardig oordeel komt, en het dak van die grote Nieuwe Kerk laat instorten...'. Die arme dwalende hervormden toch. En in gedachten bad ik: 'Heere, laat ze toch tot bekering komen en zich bij onze zuivere kerk voegen'. (...)
Op 2 september 1925 raakte ik smoorverliefd op het meisje, dat nu ruim 38 jaren mijn vrouw is. Maar ze bleek... hervormd te zijn. Natuurlijk moest daar, zo vond ik, verandering in komen. Immers 'twee geloven op één kussen, daar slaapt de duivel tussen'. Of, om het met een tekst te zeggen: 'een juk aandoen met een ongelovige', dat was fout. Na een paar dagen begon ik dus een ernstig gesprek met haar over gereformeerd-worden. In de stemming van: dat moet een peuleschilletje zijn: wanneer ik haar het schone beeld voorhoud van 'onze zuivere kerk', dan zal ze stellig ras haar 'valse kerk' loslaten. Maar wat kwam ik 'van een koude kermis thuis'!
'Moet je eens luisteren', zei ze heel bedeesd, 'ik heb dit voorjaar belijdenis van mijn geloof (ja, dat zei ze: geloof!!) afgelegd en toen heb ik o.a. trouw beloofd aan onze Hervormde kerk. Mag ik die gelofte dan zomaar verbreken? ' Het werd doodstil bij me van binnen, heel even. Ik dacht: wonen daar zulke serieuze christenen in die vermolmde kerk? Dat had ik niet verwacht vanzelf. Toch sloeg ik aan 't redeneren. En zal daarbij het geschut van de catechismus in 't geweer gebracht hebben: 'dat iedere ware christ-gelovige verplicht is zich als levende steen te laten invoegen in het vast gebouw van 'de zuiverste openbaring van het Lichaam van Christus.' Daar had 'het arme kind' niet zoveel verweer tegen zo direct. 'Je moet maar eens met mijn vader komen praten', antwoordde ze ter harer verdediging.
'O, dat wil ik best', antwoordde ik, stellig met enige branie van binnen. Zo in de trant van: 'die lust ik wel rouw'. Mijn catechisatiedominee had me wel zoveel materiaal verschaft, dat ik er geen been in zag. Mijn 'zuivere openbaring van het Lichaam van Christus', te verdedigen tegenover die eenvoudige ouderling van die 'valse kerk'. In die overwinnaarshouding stapte ik op een avond - was het niet op een donderdagavond? - binnen bij wat later mijn dierbare schoonvader zou worden. Vermoedelijk heeft de wijze man mij eerst mijn jubellied laten zingen over 'onze kerk'. En daarbij zal ik wel enkele zinnen hebben laten vallen over het 'valse' d.i. onzuivere van de Hervormde kerk. Na een minuut of 10, denk ik, greep vader Bregman in. En heeft toen zinnen gezegd, die me nog haarscherp in het geheugen gegrift staan.
'Ach Lugtigheid, die kerk van ons is nog zieker dan jij wel denkt'. Ik moet ogen als schoteltjes hebben opgezet. Een man, die zijn kerk niet verdedigt? Zoiets had ik nog nooit beleefd. 'En natuurlijk vraag je je af', zo vervolgde hij, 'waarom ik er dan nog in blijf'. Mijn ogen antwoordden gretig 'Inderdaad'. 'Wel', zei vaderBregman, 'omdat de Heere God er nog in is'.
Mijn ogen vroegen: 'Hoe weet u dat? !' 'Je zult zeggen: 'hoe weet u dat? ' vervolgde vader Bregman. 'Wel', omdat hier en daar op een enkele kansel nog het rijke evangelie van Gods genade voor een arme zondaar verkondigd wordt. En in dat, Woord komt God Zelf tot ons'. Eigenlijk was ik toen al verslagen. Ik had me ingesteld op een gevecht met een Hervormde, die zijn - in mijn ogen onverdedigbare - kerk zou gaan verdedigen. Maar de man verdedigde niets, getuigde slechts. Evenals zijn oudste dochter, enkele dagen geleden. Mijn 'wapentuig' bleek overbodig, ondeugdelijk. Nog nooit had ik een gelovige ontmoet, die niet - afgodisch!! - trots was op zijn kerk. 'Kijk eens', zo besloot vader Bregman, 'zoals God mijn Vader is, zo is de kerk mijn moeder. Als je moeder ziek is, heb je niets aan haar. Ze schilt geen aardappelen voor je. Ze stopt je sokken niet. Ze is, zou je zeggen, nutteloos en overbodig. Maar je doet ze dan toch immers niet weg? Het blijft toch je moeder! Welnu, en daarom doe ik mijn zieke Moeder, die de Hervormde kerk voor me is, niet weg. Begrijp je? '
Als een geslagen hond vertrok ik. En toen mijn 'meisje' me uitliet, vroeg ze bescheiden: 'En? !' Toen heb ik gezucht: 'Nou weet ik het niet meer'. Een half jaar later legde ik belijdenis van mijn geloof af, als militair, in de Hervormde Nieuwe kerk te Utrecht. Na de belijdeniscatechisatie te hebben gevolgd bij ds. Goslinga. Dit was 'de beste gereformeerde dominee in de Hervormde kerk hier', hadden gereformeerde kennissen van me gezegd op mijn vraag aan hen: 'Naar wie? ' Hij was toentertijd in Utrecht de enige 'bonder'.
Maar dit besluit. Hervormd te worden bracht uiteraard spanningen in mijn leven tussen mijn ouderlijk huis en mijn gereformeerde vrienden. Het eerste echte verdriet in mijn leven. Maar dat is Goddank alweer jaren voorbij.'
Ds. Lugtigheid vertelt in zijn boek het volgende uit zijn studententijd, toen hij de theologiestudie beoefende:
'(...) geestelijk ging ik er niet op vooruit in die studententijd, wél erg achteruit. Hoe dat zo kwam, daar kan ik het diepste antwoord niet op geven, behalve natuurlijk, dat ik God kwijtraakte, de rug toekeerde. Wel zie ik een paar oorzaken, die wat aan de oppervlakte liggen.
Zoals ik u de vorige keer vertelde, werkte ik gedurende de week ettelijke uren als assistent ambtenaar-voor-de-kinderwetten onder allerlei boefjes in Utrecht, Amersfoort, Baarn en op het Utrechtse platteland. De aanraking met die gezinnen-in-verval raakte me diep in het hart. Het gevolg daarvan was, dat ik 's zondags in de kerk zat te luisteren met de oren van mijn schoftjes en hun ouders.
En hoe vaak ontstak ik dan niet in woede op de dominee! Wat die daar op de kansel vertelde, daar konden mijn knulletjes immers geen snars van begrijpen. Overigens, ze zaten er natuurlijk ook niet. En ik ging er oog voor krijgen, dat de kerkdienst alleen maar een consumptietent leek voor een klein groepje vrome mensen, maar de greep op de massa kwijt was en er ook geen moeite voor scheen te doen, om het Woord te doen doorklinken 'tot aan de einden der aarde'.
God - toch de God ook van de kerk? - had immers de wereld lief. Dat las ik in mijn bijbel. Maar wat was er in die kerk van de liefde tot de wereld te vinden? Dat waren zo ongeveer de gedachtengangen, die in me rondwoelden tijdens en na de kerkgang.
Meestal kwam ik opgewonden en boos, bar boos - dus ongezegend! - uit de kerk. De liefde, althans jegens de kerk en de dominees, week uit mijn hart. En van de vreugde des heils was weinig of niets in me te vinden. Natuurlijk zong ik braaf mee 'geloofd zij God met diepst ontzag', maar zonder dat mijn innerlijk erbij betrokken was. Of trilde er in de onderste lagen van mijn ziel toch een tikkeltje heimwee naar het loflied ter ere van God?
U zegt: 'Maar u studeerde toch theologie, u was toch op de colleges met de bijbel bezig? ' Jawel, maar dat was toch veelszins een dorre bedoening zonder vuur, bezielend vuur. Eén voorbeeld. Ik liep in die tijd eens rond met de vraag 'Wat zou de Heilige Geest nu eigenlijk zijn? '
Ik naar één van onze professoren: 'Professor, de Heilige Geest, is dat nu eigenlijk niet, gewoon vroom enthousiasme? ' De professor klauwde wat met zijn vingers door zijn boordje en antwoordde: 'Ja, mijnheer Lugtigheid, de Heilige Geest is nog wel wat anders dan vroom enthousiasme'. Punt! Toen kon ik weer gaan. En ik bleef in de mist zitten met mijn toch wel zeer wezenlijke vragen. Verder kregen we op de colleges van alles te horen, wat ons vertrouwen in de Heilige Schrift als voertuig van het onvervalste Woord Gods duchtig ondermijnde. Dit alles werkte eraan mee, dat ik mijn geloof, als ik dat al bezeten had, geheel verloor. Toch moet ik zeggen, dat er drie professoren waren, die vuurtoren-lichten voor me waren: prof. Noordzij, prof. Plooij en prof. Van Rhijn. Maar ik miste de moed, op die vuurtoren-lichten af te varen en een gesprek met ze aan te vragen. Duidelijk heeft die éne ontmoetirig (zie boven) me doen afschrikken. Maar nóg hoor ik prof. Plooij zeggen, voordat hij met ons de lijdensgeschiedenis in het Grieks ging lezen: 'Mijne heren, de schoenen van de voeten, want de plaats, die we gaan betreden, is heilig land'.
En van prof. Van Rhijn herinner ik me nog: 'Weet, wat u doet, mijne heren, als u bidt om de Heilige Geest; dat kan gevaarlijk voor u zijn!' Daarna zweeg hij een minuut en keek met zijn grote, heldere ogen omhoog naar de rechterhoek van de collegezaal. En wat kon prof. Noordzij ons fijn de Psalmen uitleggen!
Zoals gezegd, dat waren vuurtoren-lichten voor me. Maar ik, ik bleef buitengaats liggen, zonder houvast aan de bolders van het Woord en boordevol met kritiek op de kerk. In geestelijk opzicht was het slecht met me gesteld.
Maar zodoende zat ik muurvast. Ik had intussen mijn kandidaatsexamen achter de rug. Dat zal geweest zijn in mei of juni van het jaar 1933. Nog ruim eenjaar en dan zou ik afgestudeerd zijn. Dan zou ik de kansel moeten bestijgen. Maar ik lag totaal overhoop met de bijbel. Ik had geen greintje liefde meer voor de kerk. En ik was totaal zonder geloof. Ik zat dus helemaal in de klem.
U zegt: 'Maar man, waarom ging je dan toch door met die studie? !' Dat heb ik toch verteld. Op mijn 10de jaar had de Heere God me toch geroeppen tot 'het treffelijk ambt'. Bovendien, ik was toen 29 jaar en al 8 jaar verloofd. Ik kon niet meer terug, hoe graag ik het ook gewild zou hebben. De Heere God had me compleet in zijn wurggreep. Ik moest wel voort, al kon ik het niet.
'Maar de Heere zal uitkomst geven', zegt die mooie regel uit de Psalmen.
En dat werd waar in de loop van de zomer van 1933.
Wat gebeurde? Op een goede dag vouw ik Het Doetinchems Weekblad open - u weet wel - dat orgaan van de Doetinchemse Inrichtingen - en daar vind ik een artikel in, waarboven staat: 'Möttiingen? Is dat de naam van een man? Is het een plaatsnaam? ' Het bleek geschreven te zijn door een collega-student, de heer F. J. Zuiderduyn. Het bleek de naam te zijn van een dorp in Zuid-Duitsland. En in dat dorp stond een huis, zo las ik, dat de naam 'Rettungsarche' ('Reddingsark') droeg.
En die 'Arche' stond onder leiding van éne Friedrich Stanger, een bekeerde dronkelap. In de loop der jaren had hij een reeks lekenbroeders verzameld, een boertje, nog een boertje, een leraar aan een Ambachtschool. En die mannen-broeders preekten in die 'Arche' elke dag twee keren en voerden daana met de luisteraars stuk voor stuk pastorale gesprekken. En het artikel van Zuiderduyn vertelde - ik zeg het nu maar met mijn eigen woorden - dat daar dagelijks mensen tot bekering kwamen; er werden ook boze geesten (vrome duivels soms) uitgebannen; ook kwamen er geloofsgenezingen voor, gevolg van handoplegging der 'broeders'. Dat las ik allemaal in dat artikel over 'Möttlingen'. Ik wreef mijn ogen uit en zei tegen mezelf: 'Dat lijkt warempel het Nieuwe Testament wel!!! Maar zou dat allemaal wel waar zijn? ' Ik pakte mijn fiets en ik naar de schrijver Fred Zuiderduyn, die ik wel vaag kende.'
De rest van dit verhaal kan de lezer raden.' Het werd de werkelijke omkeer. Men is geneigd het hele boek over te schrijven, maar dat kan natuurlijk de bedoeling niet zijn. Het is tenslotte bedoeld om het geheel als bóék te lezen. Het bevat boeiende leesstof, geschreven vanuit een duidelijk piëtistische inslag; een boek waarin het moeitevolle leven van alledag (voor Gods Aangezicht) klopt, maar waarin ook de vreugde om het heil, dat buiten ons ligt, doorklinkt. Mensen die het allemaal traditioneel verwoord willen zien moeten maar tussen de regels doorlezen. Het echte leven ligt in alle delen van de kerk.
Ik besluit met het verhaal hoe Lugtigheid in Veesen tenslotte bijstand in het pastoraat werd:
'of er ook een preekbeurtenlijst bestond. O, jawel! En hij (de koster) kwam aanzetten met de Kerkbode, die over heel de Veluwe gelezen wordt. 'Nee, houd u hem maar; ik heb er nog meer' zei hij. Wij met onze 'rijkdom' naar de bungalow. We keken de lijst na. Allemaal onbekende namen. Op één na: dominee Doornenbal te Oene. Daar wilde ik heen. Hij was een jaargenoot van me uit mijn studententijd. Wij erheen.
Na afloop van de dienst gingen we naar de consistoriekamer. Met een 'hallo, kerel' begroette ik hem. Maar hij keek me met grote vraagogen aan: 'Maar dan moet u zich wel voorstellen, want ik ken u niet'. Ik noemde mijn naam. Hij zei: 'Ik herkende je niet; u bent ook zo veranderd'. Terecht, want we hadden elkaar sinds 1934 niet meer gezien. 'Maar jullie gaan met me mee, een kop koffie drinken'. We reden dus achter de auto van de dominee en zijn huishoudster aan en kwamen, terecht in... Veessen!
De oude pastorie van Oene bleek afgebroken en de kerkvoogdij had voor enkele maanden de pastorie van Veessen gehuurd.
We hadden het eerste kopje koffie nog niet uit, of collega Doornenbal zei: 'Kun jij hier geen dominee worden? ' 'Hoe bedoel je? ' zei ik. 'Nou, gewoon hier dominee worden!', zei hij. 'Ben je gek, jongen! Ik ben nu emeritus al een poos!' Hij bleef maar aanhouden en heeft dat zinnetje wel tienmaal herhaald. En ik heb tienmaal 'neen' gezegd.
Het werd wel negen uur a half tien, voordat we wegreden. Via Heerde, Epe, Emst, Vierhouten, Elspeet, Garderen. O, wat was het heerlijk rustig in die bossen! Ik zag de bomen wegglijden in het licht van mijn koplampen. Toen begon mijn vrouw te praten: 'Zeg, jij zegt nou wel 'nee' tegen Doornenbal, maar zou het nu zo gek wezen? ' Ineens leek ik uit een slaap te ontwaken. Vermoedelijk werd ik me bewust, dat ik zelf 'nee' gezegd had, maar helemaal niet om het oordeel van mijn vrouw had gevraagd. En ik antwoordde: 'Meid, je hebt gelijk, dan zitten we weer dicht bij de IJssel, net als vroeger in Deventer'. Het idee ging me lokken. En ik herinnerde me, dat mijn vrouw vaker de wens te kennen had gegeven, ooit nog eens in een dorpspastorie te zitten. Tenslotte hadden we dat alleen maar die drie jaren in 'de Wieke' beleefd.
Nog dezelfde avond schreef ik Doornenbal van mijn koersverandering. Enkele dagen later belde de ouderling Gelderman: 'U zou toch eens een keer komen praten'. En we praatten met Gelderman. Ze zaten met het raadsel die Lugtigheid is toch geen 'bonder', als Doornenbal'. In maart 1971 preekte ik een keer in Veessen. Na afloop heb ik gezegd tegen de broeders: 'Nu, zegt u het nu maar als u er niet voor voelt, 'ik zit nog rustig in Den Haag'. Waarop Daan, één der kerkvoogden, zei: 'Dominee, we willen allemaal even graag, dat u komt'. Zo trokken we in de zomer van 1971 naar Veessen, om er in september met mijn 'ambtswerk' te beginnen. En daar ging ik weer: huisje-aan-huisje af door dat kleine dorp, de zieken in een Zwols ziekenhuis bezoeken, catechisaties, schoolcatechisatie op de openbare school. De vaart zat er weer in. 'Draaft u toch niet zo hard', heeft Daan wel duizend keer gezegd. Maar ik had er de smaak weer van te pakken, van het dorpsdominee-zijn. En het liep fijn. (...)'
En wat de inhoud van de prediking betreft:
'Eens zaten we als een groep evangelisatie-predikanten bijeen onder het presidaat van ds. F. J. Pop. En toen stelde hij ons man voor man de vraag: 'welke boodschap brengen jullie nu, kort gezegd, de mensen? ' Toen heb ik gezegd: 'God is genadig met ons'. In 't Hebreeuwse overgezet is dat: Immanuël En dat is Jezus Christus.
Dat 'Zaad' gebruikte ik. (...)'
Beter Zaad is er niet!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juli 1981
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juli 1981
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's