Waarmede verschijnen wij voor de Heere?
'Waarmede zal ik de Heere tegenkomen, en mij bukken voor de hoge God? ' (Micha 6 : 6)
Hebben wij ons al eens met deze vraag beziggehouden? Of moeten wij eerlijk in ons hart bekennen dat wij over deze vraag nog weinig of zelfs nooit hebben nagedacht.
Wij hebben ons misschien wel beziggehouden met vele vragen en problemen van deze tijd, maar niet met deze ene noodzakelijke vraag.
Om deze vraag kunnen wij niet heen. Zij moet gesteld worden. Want wij zullen allen eens voor de Heere moeten verschijnen. De grootste en felste atheïst, die al zijn levensdagen met grote hardnekkigheid het bestaan van God heeft ontkend, zal toch God eenmaal ontmoeten en dan moeten erkennen dat God er werkelijk is. Maar dit zal voor hem vreselijk zijn. Hij zal neerzinken in de diepten der hel. Dit zal de plaats zijn van alle godloochenaars. En niet alleen de godloochenaars zullen daarin terechtkomen, maar ook allen die hier niet tot de Heere wilden komen en niet wilden bukken voor Zijn heilig aangezicht. Laat deze vraag dan ook op ons hart gebonden mogen zijn.
Een onbekeerde wil God niet tegenkomen en wil niet voor Hem bukken. Hij is op de vlucht voor God. Met alles en nog wat wil hij zich bezighouden, maar niet met deze ene noodzakelijke vraag. Dat maakt het hart maar onrustig en angstig. En daarom moet het maar verdrongen worden uit de gedachte. Wat een dwaasheid toch. Dat verdringen kan onze eeuwige dood betekenen. Verhardt u niet, maar laat het eens goed op u inwerken.
Het is te hopen dat het in uw ziel gaat branden: Waarmede zal ik de Heere tegenkomen?
In het hart van een ontdekte zondaar begint deze vraag te leven. Hij is zichzelf bewust geworden dat hij niet kan bestaan voor Gods Aangezicht vanwege zijn zondeschuld.
Verzoening voor al zijn overtredingen heeft hij nodig. Er komt verlangen naar de Heere. Hij dorst naar God, naar de levende God. Hij zoekt gemeenschap met God. Hij kan God niet missen. Hij moet naar God toe.
En toch is er een heilige vrees in zijn hart, als hij op zijn verzondigd leven ziet. Dit geeft spanning in de ziel. Aan de ene kant een diep verlangen naar de gemeenschap met God en aan de andere kant een heilige vrees om voor de Heere te verschijnen.
Waarmede zal ik, een zondig mens, de Heere tegenkomen en mij, bukken voor de hoge God? De Heere God is immers hoog en verheven. Hij woont in een ontoegankelijk licht. Wie kan Zijn Aangezicht zien en leven?
De profeten zijn telkens diep onder de indruk gekomen van Gods majesteit en heiligheid. Wij denken aan Jesaja, die de heiligheid des Heeren heeft gezien bij zijn roeping in de tempel.
Al Gods kinderen hebben diepe eerbied voor de hoogheid van God. Laten wij maar nederig onze knieën buigen. Hij is God, Heere der heirscharen, de Allerhoogste, Die troont boven alle schepselen.
Waarmede zal ik de Heere tegenkomen en mij bukken voor de hoge God? Zal ik Hem tegenkomen met brandofferen, met eenjarige kalveren? O, neen. De brandofferen kunnen onze grote schuld voor God niet verzoenen. Al zou het bloed van duizenden rammen vloeien op het altaar des Heeren, daarmee kan de zware schuld niet betaald worden. De Heere heeft geen welgevallen aan duizenden rammen.
Moet de mens dan tienduizenden oliebeken geven als offer voor zijn zondeschuld? Ook dit is onvoldoende om de grote schuld af te lossen. Hoe kostbaar de olie ook is, wij kunnen daarmee niet voor God betalen.
Onze hele welvaart hangt voor een groot deel af van de olievoorziening. Zouden wij onze welvaart willen opofferen om vrede en verzoening met God te verkrijgen, indien dit op deze wijze mogelijk zou zijn?
Ik denk dat velen, van nature allen, de welvaart en de olie belangrijker vinden dan de verzoening met God.
En toch al onze welvaart en rijkdom is van zo weinig waarde dat wij daarmee onze ziel niet kunnen verlossen van het eeuwig verderf.
Zelfs niet door het offer van het eerstgeboren kind, de vrucht van de moederschoot. De zonden kunnen niet verzoend worden door een kinderoffer.
En gelukkig maar. Stel eens voor dat de ouders hun liefste en teerste bezit ten offer moesten brengen om vrede bij God te verkrijgen. Zo'n offer is toch haast niet te brengen.
Het leven van je kind is toch alles waard. En toch ook dat offer is veel te klein om ermee voor God te kunnen verschijnen. Het kan zelfs niet.
Er is slechts één Offerande, dat voor Gods heilig Aangezicht kan bestaan. Dat is Gods eigen lieve Zoon, onze Jezus Christus.
Dit offer heeft God de Vader Zelf gebracht als het liefste en teerste bezit. Onbegrijpelijke liefde Gods. Hij heeft Zijn Zoon op het altaar gelegd.
En alleen op grond van deze Offerande kunnen wij voor de Heere verschijnen. Dus niet met onze offeranden, hoe groot die ook mogen zijn, maar alleen pleitende op Christus' offerande. Dat is de enige genoegzame grond van ons behoud.
In Christus hebben wij alles. Niet alleen onze rechtvaardiging maar ook onze heiliging. Vanuit Christus' offerande mag de heiliging des levens opbloeien tot eer en verheerlijking van Gods Naam. Wij gaan het goede doen, wat de Heere van ons eist: recht doen, weldadigheid liefhebben en ootmoedig wandelen met God.
En de krachtbron waaruit wij het doen, is en blijft Jezus Christus.
In geloofsverbondenheid met Hem dragen wij vruchten tot Gods eer.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 augustus 1981
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 augustus 1981
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's