Uit de pers
Constantinopel en Middelburg
Dat lijkt een wonderlijke combinatie, maar voor diegenen die wat thuis zijn in de kerkhistorie zal de combinatie met zo vreemd zijn. In 381, dus 1600 jaar geleden werd op het concilie van Constantinopel een belangrijke uitspraak gedaan over de Heilige Geest. Prof. Van Itterzon schrijft hierover in het Hervormd Weekblad van 25 juni.
In Nicea had de kerk met kracht beleden, dat Jezus Christus de Zoon van God was. Zoon des mensen. dat ook, maar Zoon van God evenzeer. Geen geschapen mensenkind, dat later om zijn gehoorzaam leven en lijden de eretitel 'Zoon van God' ontving, maar (zoals het concilie van Nicea beleed): 'de eniggeboren Zoon van God, geboren uit de Vader vóór alle eeuwen; Licht uit Licht; waarachtig God uit waarachtig God; geboren en niet gemaakt; van hetzelfde wezen met de Vader.' Over de Heilige Geest beleed Nicea, dat Hij 'gesproken heeft door de profeten'. Meer niet. Toen dan ook in de vierde eeuw (na Nicea) de leer werd verbreid, dat de Heilige Geest een schepsel was, ongeveer op het niveau van een engel, is het juist het concilie van Constantinopel geweest, dat hier duidelijke taal heeft gesproken. Het beleed en voegde dit in de belijdenis in, dat de Heilige Geest 'Heer is en levend maakt, die uitgaat van de Vader, die met de Vader en de Zoon tezamen wordt aangebeden en mede grootgemaakt'. Later heeft de Westerse Kerk er in het Latijn nog één woordje aan toegevoegd (filioque - en van de Zoon) om daarmee te belijden, dat de Heilige Geest uitgaat van de Vader 'en de Zoon'.Tot op de dag van vandaag wenst de Oosterse Kerk deze aanvulling niet te aanvaarden: het is nog altijd een punt van verschil, waar men in het Oosten (evenals in het Westen) zwaar aan tilt. We gaan op de diepte van dit verschil thans niet in: in Constantinopel bestond het nog niet. Maar van groot belang was, dat met deze belijdenis van de Heilige Geest als 'persoon' de belijdenis der Drieëenheid klaar en onomwonden door de Kerk werd betuigd.
Geheel in de lijn van de Heilige Schrift. Want de Heilige Geest woont in ons, zodat we een tempel van de Heilige Geest worden. Hij onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods. Hij is het, die voor ons bidt. Hij is de Trooster, die in al de waarheid leidt. Hij is gezonden door de Vader en de Zoon en is op het Pinksterfeest in rijke mate uitgestort. Men kan Hem ook bedroeven en tegenstaan, en zelfs is er een zonde tegen de Heilige Geest (de ergste verharding en moedwillige verblinding, die men zich denken kan).
Van 381 naar 1581 is een hele sprong. In dat jaar vergaderde in Middelburg de nationale synode van de nog jonge gereformeerde kerk in ons vaderland. Het waren spannende tijden. In 1581 werd immers ook het besluit genomen tot afzwering van Filips II. Toch weerhield dat de mensen niet om na te denken over de kerkorde en de verhouding van de kerk tot de overheid. De synode probeerde zich aan de greep van de overheid te ontworstelen en wilde voorkomen dat de overheid in strikt kerkelijke zaken de hoogste bevoegdheid zou hebben. Wat bewoog hen tot een dergelijke gereformeerde kerkorde?
Hierover schrijft prof. Van 't Spijker in De Wekker
Men heeft op de synode nu vierhonderd jaar geleden expres deze vorm aan het kerkelijke leven gegeven. Men stelde zich breed gereformeerd op. In contact met de Franse en Duitse gereformeerde kerken wilde men komen tot een 'corpus doctrinae', d.w.z. een 'samenstel van de leer'. Maar daarnaast zocht men te komen tot een 'corpus disciplinae', een 'samenstel van de tucht'. Die twee horen bijeen. Ze zijn op elkaar betrokken; leer en tucht. Het Woord moet worden verkondigd. Het moet ook gestalte krijgen in het kerkelijke leven. Nu vragen we ons af, wat de vaderen bewoog om zo vasthoudend te staan op dit model van kerk-zijn en zich, ook met door een gereformeerde overheid daarvan te laten afbrengen. We zagen reeds dat het de opgedane praktijk was in de eerste plaats. Ik bedoel daarmee, dat de kerken onder het kruis op deze manier hebben kunnen staande blijven. Zij hadden blijkbaar een organisatie, die hecht genoeg was, om de storm van de vervolging te overleven. Wij mogen daarover niet gering denken. Het zou kunnen zijn, dat ook in de toekomst de vraag van de 'overleving' van de kerk een kwestie blijkt te zijn van de vorm van het kerk-zijn. Die vorm doet er veel toe. Laat men niet zeggen, dat de kerk alleen door het Woord kan overleven - want de Gereformeerde kerkvorm wil niets anders dan ruimte bieden aan het Woord. Zij komt voort uit de overtuiging dat het Woord deze vorm vereist.
Deze overtuiging is vooral gegroeid in de gereformeerde traditie, die op Geneve was georiënteerd, Men wilde hier een kerkelijke vorm, die recht deed aan het derde kenmerk van de kerk: de zuivere bediening van de kerkelijke tucht. Men zag die kerkelijke tucht vooral in betrekking tot het heilig avondmaal. Daarom hadden de gereformeerde reformatoren de wacht betrokken, niet alleen bij de zuivere leer, maar ook bij de zuivere tucht. Daar staat de ouderling. In de gereformeerde traditie heeft de ouderling een taak ten opzichte van de preek. Maar veel meer nog ten opzichte van de avondmaalsbediening. Zó is het historisch gegroeid. De gereformeerde gemeente is niet alleen maar zoals bij de Luthersen een luistergemeente. Zij is een avondmaalsgemeente. Wie de geschiedenis onderzoekt van de gereformeerde kerkeraad komt bij het avondmaal terecht. Alle pastorale werk in de gemeente staat dan ook in zekere zin in verband met de tafel des Heren. De opbouw van de gemeente is daar op gericht. En het wezen van de gemeente zelf is daarmee gemoeid. Zó is het van den beginnen in de gereformeerde traditie geweest. En zullen we van die traditie met wezenlijk vervreemden, dan moet het zo blijven - of weer opnieuw zó worden. Het kerkmodel, zoals het in de gereformeerde kerkorde werd getekend, vinden wij hier terug: bij het Avondmaal.
Het eigen karakter van de kerkregering staat in verband met het gemeente-zijn rondom het Avondmaal. De zorg daarvoor is aan de ambtsdragers toevertrouwd. Dat recht heeft de overheid te erkennen.
Constantinopel en Middelburg... twee namen uit het verleden. Is dat vandaag nog actueel? Velen halen hun schouders op. Bezinning op de kerkorde staat niet hoog genoteerd. En van het dogma wordt al gauw gezegd: Wat is het praktisch nut! Maar het is wezenlijk oecumenisch en gereformeerd om zich bezig te houden met de rechte leer en de rechte orde. Hier gaat het gereformeerde denken een eigen weg. Tegenover het huidige modernisme handhaaft ze de zorg voor de rechte leer, terwille van de bijbelse prediking. Tegenover evangelische kringen en opwekkingsbewegingen houdt ze ambt, instituut en kerkorde hoog. Terwille van het gezond functioneren van de gemeente. In die zin hebben beide jaren ons ook nu veel te zeggen. Ziende op het verleden mogen we God danken voor het spoor wat toen is uitgezet.
***
De fundamentele tegenstelling
Dat is ook vandaag die tussen geloof en ongeloof, schrijft dr. B. Rietveld in het Centraal Weekblad van 24 juni. Zonder iets af te doen overigens van de belangrijke tegenstelling tussen rijk en arm. Die geeft ons - terecht - handenvol werk. Maar fundamenteel is ze niet. Fundamenteel wil zeggen: de ene keus leidt ten leven, de andere ten dode. En zeker, rijken worden gewaarschuwd, maar niet vanwege hun rijkdom verdoemd. Armen worden niet altijd zaliggesproken. Fundamenteel is de houding voor of tegen Christus. Zie Johannes 6. In dat verband schrijft Rietveld het volgende, wat we graag onder uw aandacht brengen.
Ik breng die fundamentele tegenstelling tussen geloof en ongeloof in herinnering in verband met de betreurenswaardige kortsluiting, die er is in het werk van de evangelisatie in Nederland. Er is een plan van de Evangelische Alliantie voor een grootscheepse evangelisatiecampagne in 1982, waaraan zal worden deelgenomen door het Instituut voor Evangelisatie, de Bond voor inwendige zending IZB, Youth for Christ, Stichting Réveil, Bijbel Kiosk Vereniging, Continental Sound, Tear Fund, Navigators e.a.
De officiële kerkelijke instanties van de kerken, aangesloten bij de Raad van Kerken, doen er niet aan mee. Ook ons evangelisatiecentrum dus niet.
De volgende kritische vragen zijn gesteld:
- wordt zorgvuldig omgegaan met de bijbel als Gods levend woord?
- wordt zorgvuldig omgegaan met mensen als partners in Gods heilsplan?
- wordt het geloof niet geïsoleerd van maatschappelijke verhoudingen?
- draagt de evangelisatie bij tot opbouw van de gemeenschap tussen christenen en niet-christenen?
- getuigen de gehanteerde methoden van zachtmoedigheid of eerder van agressiviteit?
Pijnlijk
De brief, waarmee de kerkelijke instanties zich tot de kerken en predikanten gericht hebben, heeft mij pijnlijk getroffen. De christelijke kerk is in deze snel seculariserende wereld niet zo sterk, dat zij zich een onderlinge strijd, nota bene over het woord voor de wereld, kan veroorloven. Het conflict van gedachten moet wel heel scherp en onontkoombaar zijn om voor het oog van degenen, die wij zouden willen bereiken, uit elkaar te gaan. Natuurlijk is het zo, dat waar zovelen van verschillende geestelijke herkomst zich verenigen, onderlinge verschillen voorkomen en ik zou ook niet graag al wat er in de verschillende groepen gezegd wordt voor mijn rekening nemen. Maar in de ene bedoeling, met het evangelie tot de mensen te gaan, zou er toch verbondenheid kunnen zijn. Onwillekeurig denk ik aan wat Paulus schrijft in Fil. 1 over een evangelieprediking zelfs uit nijd en twist, of met de boze opzet zijn gevangenschap te verzwaren. Paulus zegt: Wat doet het er toe? In elk geval, hetzij met een bijoogmerk, hetzij in oprechtheid, wordt Christus verkondigd; en daarin verblijd ik mij...' (Fil. 1 : 18). Zelf durf ik te veronderstellen, dat er methodisch en inhoudelijk ook wel wat aan te merken zal zijn geweest, maar Paulus is ver van een benauwdheid en angstvalligheid, die ik toch tot mijn spijt meen op te merken in de brief. Of men moest van mening zijn, dat er inderdaad niet slechts verschillen van methode, van tactische aanpak en van accenten te constateren vallen, maar dat 'Christus niet meer gepredikt wordt'. In dat geval is er sprake van een fundamenteel verschil, dat volle aandacht moet hebben. Bij ieder der vragen van de kerkelijke instanties meen ik wel te begrijpen wat men bedoelt. Natuurlijk moeten wij zelf het evangelie goed verstaan. Natuurlijk moeten wij met respect de mensen bejegenen. De gedachte aan hun partnerschap in Gods heilsplan komt echter niet het allereerst bij mij op, wanneer ik denk aan het zoeken van het verlorene.
De maatschappelijke verhoudingen zijn zeker van belang. Ik zou ze dezelfde plaats willen geven als de apostelen bijvoorbeeld aan de slavernij gaven. De gemeenschap tussen christenen en niet-christenen zou mij minder bewegen dan de pinksterwoorden: laat u behouden uit dit verkeerde geslacht (Hand. 2 : 40). Ik zou die woorden in ieder geval evenzeer en met nadruk in overweging willen geven aan de kerkelijke evangelisatie-instanties. Ten aanzien van zachtmoedigheid of agressiviteit staan we natuurlijk voor een vraag, die we onszelf altijd te stellen hebben. Daarbij dient ook bedacht te worden, dat Christus zelf soms nogal agressief kon optreden (adderengebroed!).
Noties honoreren
Belangrijker dunkt mij echter het volgende. Christus spreekt in Johannes 6 van dingen, die boven het tijdelijke uitgaan en het hart van de enkeling betreffen. Hij roept tot geloof. Hij spreekt van de Vader, die Hem de zijnen geeft. Hij noemt de Geest, die levend maakt en Hij spreekt van zijn werk als het eeuwig-leven-geven en opwekken. Ik zou het echt op prijs stellen, wanneer de kerkelijke evangelisatie-instanties blijk zou geven deze noties ten volle te willen honoreren. Wanneer zij dat doen zouden (en hoe zou ik mij verblijden dergelijke klanken te mogen vernemen!), dan zou naar mijn mening een nadere samen werking tussen de christelijke groeperingen in Nederland niet uitgesloten zijn.
De tegenstelling arm en rijk is belangrijk. Wij zullen geoordeeld worden naar onze houding als rijken tegenover de armen. Niet voor niets is er een ambt (de diakonie) ingesteld speciaal voor de verzorging van de armen. De tegenstelling arm en rijk is echter niet fundamenteel. Men kan van zijn armoe verlost worden en verloren gaan. Men kan al zijn goed aan de armen uitdelen en er niets mee opschieten in het oordeel Gods. Wie een betere verhouding tussen rijk en arm weet te scheppen, gerechtigheid op dit punt weet te bevorderen, heeft iets goeds gedaan, maar heeft niet verlost in evangelische zin. Wie de ander heeft gebracht van ongeloof tot geloof, die heeft iets beslissends tot stand gebracht, ook al vergeet hij niet, slechts instrument te zijn in de handen van Hem, die het wezenlijke doet.
Is het niet goed, dat de kerk springt in de strijd om zuivere verhoudingen, tussen rijk en arm, tussen onderdrukte en onderdrukker, tussen recht en onrecht? Het is heel goed! Maar zij moet niet suggereren, dat zij daarmee haar boodschap brengt en het fundamentele onderscheid aan het licht gebracht heeft. Zij moet niet de gedachte laten postvatten, dat zij menen zou met maatschappij ver nieuwing de christelijke verlossing te brengen. De kerk is aan de wereld de christelijke boodschap van het evangelie met al de elementen van een hoofdstuk als Johannes 6 schuldig. Dat zij daarbij gehoor vindt niet bij de wereld in haar geheel, maar bij enkelingen is in overeenstemming met de gang van zaken van het begin van de evangelieprediking af. Laat ik het ouderwets zeggen: het gaat wel degelijk om zielen! Laat de kerk zich intensief bekommeren om zielen. Dan zorgt het koninkrijk voor zichzelf.
Naar mijn mening worden hier fundamentele dingen gezegd die diep ingrijpen in wat ons als kerken en binnen de kerken zo verdeeld houdt. Het is m.i. de oude kwestie of we het Evangelie van zonde en genade nog prediken of dat we dat inruilen voor een sociaal evangelie. Wie dat laatste afwijst, laat terstond de verdenking op zich, niet sociaal bewogen te zijn, enz. enz. Dat is in geen geval iets wat dr. Rietveld aangewreven kan worden. Hij is diep doordrongen van de diakonale roeping van de kerk en ik deel dat met hem. Maar we verschralen de boodschap als we de tegenstelling arm-rijk tot het een en het al maken. De zaak van het evangelisatorisch jaar kan wat dat betreft wel eens een testcase zijn. Hoe zien we het Evangelie? Laat men zich niet laten verleiden tot achterhoedegevechten inzake methoden en aanpak. Maar laat men de wezenlijke vraag naar de essentie van het Evangelie bespreken. Het ware vurig te wensen dat Leusden, Driebergen en Amersfoort elkaar op die punten zouden kunnen vinden. Want het gaat om zaken van levensbelang. Maar wie let op de fundamentele tegenstelling kan op dit punt niet toegeven aan het verlangen van hen die het evangelie laten opgaan in maatschappijkritiek.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 augustus 1981
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 augustus 1981
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's