De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een gezegend prediker (14)

Bekijk het origineel

Een gezegend prediker (14)

9 minuten leestijd

Op één brief wil ik toch wat nader ingaan, in verband met de verschillende taxatie van de waarde van het 'bekommerde leven' vergeleken bij de meer bevestigde en verzekerde geloofsgetuigenissen van sommigen.

Zijn briefwisseling

We zijn nogal eens citaten tegengekomen uit brieven, die mijn vader vroeger geschreven had vooral aan familie, die deze bewaarde. Hij heeft ook heel wat geschreven aan zijn beide zoons, aan de oudste, ook toen deze zelf de pastorie was ingegaan, aan de jongste vooral in diens studententijd.

Maar er zijn vanzelf ook veel brieven geschreven aan mijn vader. Ze allemaal te lezen, was voor mij niet weldoenlijk. Er is ook nog al wat van verloren gegaan. Sommige brieven zijn zo maar op zichzelf staande, naar aanleiding van ontvangen zegeningen; sommige zijn van geregelde correspondenten. Bij die laatsten zijn er, die zich wel zeer nauw aan mijn vader verbonden gevoelden en hem als hun geestelijke vader beschouwden; en hem ook wel zo noemden, soms met verwijzing naar een woord als 1 Cor. 4 : 15 en Filemon:10, of denkende aan de manier, waarop Paulus Timotheüs 'zijn zoon' noemt. Onder die brieven zijn er nog al wat, die afkomstig zijn van schrijfsters vooral, die een bijzondere levensweg moesten gaan. Soms jaren en jaren bedlegerig, met, als een zeldzame verrassing, soms een mogelijk gemaakte kerkgang of Avondmaalsviering. In deze brieven worden we getroffen door de sterke concentratie op de kleine levenskring, waar deze levens zich in moesten bewegen en daarin op alle wisselende gestalten van duisternis en licht, van zuchten en zingen in hun hart. Soms komen er wel eens erg veel 'vóórkomende teksten' in voor. Ds. I. Kievit heeft eens een boekje geschreven over dat 'teksten krijgen'. Hij heeft daarin een waarschuwend geluid laten horen. Het is niet alleen mogelijk, maar ook naar de zeer speciale leiding, die God soms aan Zijn kinderen geven wil, dat Hij hen op bepaalde momenten indachtig maakt wat Hij in Zijn Woord gezegd heeft. Dat behoort tot het werk van den Heiligen Geest.

Maar ds. Kievit wijst er op, dat wij ook rekening moeten houden met het nuchtere feit, dat onze eigen geest soms bezig is uit de voorraad woorden der Schrift, die we van jongsaf meegekregen hebben combinaties te vormen, met gevaar van willekeur. Daarbij kan de wens de vader van de gedachte zijn; de woorden worden soms wel erg losgemaakt van hun verband, waarbij de betekenis anders wordt dan oorspronkelijk bedoeld. Het gevaar ontstaat daarbij dat het normale, regelmatige bijbelonderzoek tekort komt en we duidelijk op onze situatie passende Schriftwoorden over het hoofd zien, die ons voldoende Gods weg konden leren.

Verscheidenheid

Ik kan onmogelijk op al deze brieven ingaan. De één is veel hooggestemder dan de ander. Soms hoor ik de taal van de bruidsmystiek van het Hooglied. Naar de instelling van de lezer, zou de waardering wel verschillend zijn. Bovendien blijft er iets zuiver persoonlijks in al die brieven aanwezig. Ik weet, dat sommige van deze briefschrijfsters bekendheid hebben gekregen in bredere kring; andere niet.

Op één brief wil ik toch wat nader ingaan, in verband met de verschillende taxatie van de waarde van het 'bekommerde leven' vergeleken bij de meer bevestigde en verzekerde ge­loofsgetuigenissen van sommigen. Het is een brief van een oud-catechisant van mijn vader, al is het uit een gemeente, waar hij alleen consulent is geweest.

De aanspraak luidt: 'Weleerwaarde ds. en Vader in Christus Jezus onze Heere'. Er is dus wel een bijzondere geestelijke band. Toch is zij blijkbaar bang, dat er wat 'tussen' zit. Speciaal wat betreft de waardering van het leven van de 'kleinen' in de genade. Van haar kant wil zij deze kleinen beslist niet verachten. Zij schrijft dan: 'een kind dat geboren is, is een kind, en heeft alle voorrechten van een kind. Doch dit kind weet zelf niet, dat het kind is.' Toch vindt zij, dat die kinderen hierbij niet moeten blijven. Ze moeten leren verstaan, wat het kindschap inhoudt en daaromtrent vaster zekerheid hebben. 'Als iemand tegen ons zegt: ge zijt een koningszoon, zouden we dan niet naar de bewijzen vragen? ' De schrijfster meent degene, die naar dit bewijs vraagt, te moeten wijzen op Christus. Want zekerheid is er alleen in Hem, in het met Hem begraven worden, waarbij ons letterlijk alles ontvalt; en in het met Hem opgewekt zijn en in de hemel gezet zijn (met verwijzing naar Efeze 2 en Rom. 6) 'al zullen velen (verre de meeste) dit eerst in de overgang van de tijd naar de eeuwigheid beleven'. Voor dat het tot die bewuste overgang in Christus gekomen is, kan er wel allerlei troost en hoop wezen, maar die zijn nooit duurzaam. Zij noemt dit het 'standelijk' leven, d.w.z. geestelijk leven met vaak zeer wisselend niveau, zonder met bewustheid van 'staat' te zijn verwisseld d.w.z. zonder bewust door de aanvaarding van het volbrachte werk van Christus overgegaan te zijn van de staat van veroordeelde in die van vrijgesprokene. Zij verwijst dan naar de bekende dr. Alexander Comrie, die o.a. in zijn behandeling van de eerste 7 zondagen van de Catechismus van het leven óp ons gevoel en het zoeken van onze zekerheid in de levendigheid van dat gevoel, ons wil leiden tot het leven des geloofs, om enkel de grond onzer zaligheid in Christus te hebben. Zij zegt dan: 'het gevoel ziet op wat men van Christus heeft, het geloof op dat, wat Christus is. Het geloof in Christus wordt niet bewogen, omdat Christus Dezelfde is. Hij is de Rotssteen, Die onbewegelijk is.'

Maar dan is ook alles, wat die God, Die tegenover ons in Zijn recht staat, ons schenkt, boven de hel, die wij ten volle verdiend hebben, alleen maar genade, onverdiende goedheid. Dan zijn we niet in de buurt van de Vrijstad, maar erin. De schrijfster doet een beroep op het verleden van mijn vader, die ongetwijfeld deze periode van leven bij het gevoel en daarom van onzekerheid (omdat het gevoel zulk een onzekere factor is) beslist evenzo zal hebben doorgemaakt. Maar toch vreest zij, dat deze beschouwingen niet helemaal door mijn vader gedeeld worden. Ze vreest dan, dat er tussen haar en hem, (die zij nogmaals aanspreekt met 'geliefde Vader', die mij door het Evangelie geteeld hebt) een scheiding zou ontstaan. Hoewel - al zou dit zo zijn, zij hem toch van harte zou blijven liefhebben en hoopte eenmaal met hem God groot te maken met allen, die door de Evangeliebediening van mijn vader tot nieuw leven zijn gebracht.

Andere Kijk

Tot zover deze brief, die het voordeel heeft van een regelmatige weergave van een bepaalde voorstelling van de gang van het geestelijk leven en waarin geen toon van verwijt of verwijdering klinkt.

Toch meen ik, dat inderdaad de 'kijk' van mijn vader wat anders was. Wel erkent de schrijfster, dat de getekende 'kleinen' metterdaad in Christus zijn, al zijn ze zich dat nog niet bewust. Dit in tegenstelling met allen, die van geen geloofsleven en daarom van geen deel aan Christus willen weten voor men dat beslissende ogenblik van de bewuste rechtvaardiging heeft beleefd.

Ik heb mijn vader eens gevraagd of hij zulk een apart moment in zijn leven had ervaren, zodat hij daarvóór niet gerechtvaardigd was en daarna wel. Hij heeft zulk een concentratie op één moment toen ontkend. De gerechtigheid, die in Gods gericht bestaan kan ligt immers in Christus. En in het Evangelie wordt de gehele Christus met al Zijn weldaden aangeboden en door het oprecht geloof, hetzij klein of groot, toegeëigend.

Ik heb nog zijn exemplaar van Comrie's Verklaring van de eerste 7 zondagen van onze Heidelberger.

Comrie maakt daarin inderdaad ook onderscheid tussen de verzekering des geloofs en de verzekering van het gevoel. De eerste rust louter en alleen op Gods waarheid, tegen alle zwarigheden en onmogelijkheden, omdat wij op de belovende God zulk een vertrouwen stellen, alsof wij het door Hem beloofde reeds in bezit hadden.

De verzekering van het gevoel beschrijft hij als een blijde aandoening die in het hart oprijst, uit een overtuiging, welke de Heilige Geest (cursivering van mij, v. d. W.) in het hart werkt, dat wij alles, wat beloofd is, dadelijk (d.w.z.) metterdaad hebben, bezitten en genieten. Hij beschrijft het aangename, maar ook het ongestadige en soms ook hevig bestredene van zulke hoge gevoelens.

Grond van ons vertrouwen

Niet het hebben en genieten van zulke gevoelens bestrijdt hij, maar het gevaar dat wij ons vertrouwen daarop laten rusten in plaats van op het Evangelie van Godsgenade in Christus. Want wij zijn veranderlijk. God de Heere niet. Iemand zei eens tegen mij: het gevoel is aangenamer, maar het geloof is zekerder.

Daarom is het niet juist het genieten van de omgang te beschouwen en te beperken tot een vroeger, lager stadium van geestelijk leven en daartegenover het pure, onvermengde geloofsleven te stellen. Bij mijn vader nam het gevoelsleven zulk een grote plaats in mede, omdat het gemoedsleven in heel zijn bestaan zulk een brede plaats innam. Maar ik herinner vanuit mijn jeugd reeds, dat hij waarschuwde voor het bouwen op datzelfde gevoel, omdat dit 'op zichzelf' niet meer zou zijn dan drijfzand. Dat wil niet zeggen, dat men voor het gevoel niet dankbaar zou mogen zijn. De Bijbel spreekt niet zoveel speciaal over het gevoel, al beschrijft die wel verscheidene gemoedstoestanden, die het gevoelsleven raken. Maar dan niet als geklassificeerde stadia van het geestelijk leven.

Comrie waarschuwt zelf tegen het ingewikkeld maken van het geloof, dat alleen een Amen zeggen is. Met dat Amen eindigt hij ook de laatste bladzijde met daaronder (in hoofdletters): Gode alleen zij de eere. En - opmerkelijk - daaronder plaatst mijn vader zijn eigen handtekening. Zo is mijn vader tot het laatste (dit was in 1923) bezig geweest met de verhouding geloof en gevoel. Daarbij is het eerste het volstrekt onmisbare, zoals de levende wortel van een boom of plant. Die wortel ontvangt ook de levenwekkende krachten en sappen uit de diepe grond. Daar blijft het leven, ook in de dorre winter. Maar we verheugen ons toch in blad en bloem en al wat bloeit en vruchtdraagt. Om hetgeen voor ogen is mogen we in de zomer de wortel niet vergeten; terwijl we in de winter niet hopeloos naar de kale takken behoeven te staren. Alle vergelijking gaat ook hier mank. Want de grond, waarop het geloof rust en waaruit het put is niemand minder dan Christus alleen, in Wien alles gegeven is en Die niet verandert.

Maar mijn vader was bang voor alle dode schematisering. Men moet van Gods plantwerk geen herbarium (kruidenboek) maken. Preek-en catechisatiewerk bedoelen allerminst een soort geestelijke anatomische les te zijn, terwijl we de ruimte en de verscheidenheid van het werk des Geestes niet mogen inperken. Het ging hem om de levende verbondenheid aan den levenden Zaligmaker, met hoofd en hart. Het laatste krijgt een extra accent, omdat daaruit de uitgangen des levens zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 augustus 1981

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Een gezegend prediker (14)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 augustus 1981

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's