De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een gezegend prediker (16) (slot)

Bekijk het origineel

Een gezegend prediker (16) (slot)

8 minuten leestijd

Hij heeft zijn gemeenten liefgehad, jong en oud en zijn werk met hart en ziel, biddend gedaan.

Hij heeft zijn gemeenten liefgehad, jong en oud en zijn werk met hart en ziel, biddend gedaan. Hij had de gave mensen te kennen en met hen om te gaan. Hij heeft naast vrienden ook vijandschap ondervonden. Van 'links', dat sprak vanzelf. Soms ook van 'rechts'. Na een preek over Rom. 8 : 1: 'zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn', had mijn vader in de preek soms gezegd: een verdoemenis 'meer'. Na de dienst beklaagde een ouderling zich over de pijn, die mijn vader hem gedaan had. Want 'voor Gods kinderen was er nooit verdoemenis geweest'. Deze man vergat het woord van Paulus: wij waren van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen. In een brief noemt mijn vader hem een wijsgerige supralapsariër. Eens werd hem de hand geweigerd door de dienstdoende ouderling. De tekst was geweest de geschiedenis van de kindermoord in Bethlehem. Mijn vader was gegaan in de richting van Vondel's: Uw kind-'ren sterven martelaren. De ouderling wilde later ook niet overtuigd worden door de profeet Jeremia, die in Mattheüs aangehaald wordt en die in Jeremia 3l : 16 zegt: 'bedwing uwe ogen van tranen' en 'daar is verwachting voor uwe nakomelingen'. Trouwens, het mooie gedicht van de onverdacht Gereformeerde Revius laat geen andere geluid horen. Zo heeft ieder zijn goed gerucht en zijn kwaad gerucht.

Toch voorbereid

Boven vertelde ik al van het hooggestemde van zijn prediking in de laatste maanden, waarin hij het Woord mocht bedienen. En met schroom deel ik hier iets mede, uit zijn laatste brief naar Groot-Ammers, van 22 november 1924. Hij was toen al weer thuis met het been in het gips. De val zo plotseling vlak voor kerktijd was niet alleen een lichamelijk gebeuren geweest, maar had hem ook van binnen hevig aangegrepen. Maar in al zijn beroering en angst, waarin hij opnieuw als een onbekeerde voor God kwam, zocht God de Heere hem op en deed al Zijn leidingen in het verleden weer voor hem heengaan. Het werd daar in het ziekenhuis een nacht van bijzonder innige en nauwe omgang met God. De werking van de Heilige Geest was kennelijk aanwezig. Hij schrijft dan: 'ik heb nog nooit zoo de innige vereniging met Christus in beoefening voor mijn hart gehad als in die nacht in Arnhem. Wat Paulus schrijft in Galaten 2 : 20 werd levendige realiteit. Ik was nu net als een kind, dat door smartelijk leed getroffen in de eenzaamheid hulp behoeft en bezocht wordt door een liefhebbende moeder, die het omhelst en kust'. En verder: 's Zondags werd mijn ziel andermaal bepaald bij de eeuwige bescherming en vastheid in den Heere. Daarvoor moest dienen het zingen van Psalm 121 door de zusters. Zij vormen een zangkoor, dat 's zondagsmorgens van 8 tot half negen zingt. Psalm 121 was het eerste lied. O, wat heb ik de veiligheid in Hem gevoeld in Arnhem. Ik kon niet naar de kerk gaan, maar 's morgens om 11 uur hoorde ik ze zingen Psalm 73 : 13, en met volle instemming en dankbetuiging mocht ik den helen inhoud van dit lied doorleven. Toen de kerk uit was, hoorde ik, dat de tekst was geweest: 'dankt God in alles, want dit is de wil Gods in Christus Jezus over U'. Gij kunt be­grijpen, hoe de Heere hier die tekstwoorden toepasselijk voor mijn zieleleven kwam voor te stellen. Hij schrijft dit allemaal al weer uit Barneveld. En dan nog: 'ik ben heel opgewekt, heb geen pijn, eet goed en slaap goed. Gisteren heb ik zowat den helen dag gezongen' . En dan schrijft hij over zijn gebed in de nacht, waaruit ik nu verder niet meer aanhaal.

Aan het einde van de brief schrijft hij nog: De Heere leide ons door kruis en leed aldoor maar verder en dichter tot de Stad der Heerlijkheid. Straks de wateren van de dood nog door en dan... eeuwig bij Hem.

Dat ogenblik was voor hem aangebroken in de vooravond van de 13de december 1924.

De begrafenis

Ds. Rappard hield eerst bij ons aan huis een korte dienst, sprekende over Psalm 121 'het reislied der kinderen Gods'.

Daarna hebben Kerkeraadsleden en leden van de J.V. mijn vader uitgedragen. Aan het graf, waar allerlei college's, besturen, verenigingen, afgevaardigden, collega's, vrienden en zeer vele gemeenteleden aanwezig waren, heeft ds. Rappard alleen Openbaring 5 gelezen, waarna wij Psalm 68 : 2 gezongen hebben.

Vanwege het kille jaargetijde werd op de begraafplaats alles kort gehouden. De eigenlijke rouwdienst volgde in de geheel gevulde Barneveldse kerk. Wij kwamen binnen onder het zingen van Psalm 103 : 8. Uit het gelezen Schriftgedeelte 1 Thessalonicensen 5 : 18-24 koos ds. Rappard de eerste woorden van vers 18: Dankt God in alles, het woord dat mijn vader ook in het ziekenhuis bijzonder getroffen had. Hij sprak over de grondstemming, die ons tenslotte moest vervullen; over Hem op Wien die dankbaarheid zich alleen maar mocht richten; die dankbaarheid gold ten slotte alles wat God aan en in hem, die heengegaan was, gedaan en gegeven had.

Dat danken kan niet zonder het onmiddellijk voorafgaande: bidt zonder ophouden (vs. 17). Hij herinnerde er aan, dat op die gedenkwaardige 2de november mijn vader met dank in zijn hart daar gestaan had, omdat hij die 5 jaren in dit deel van Gods wijngaard had mogen dienstbaar zijn en toen had mogen betuigen, dat hij in die jaren de volle raad Gods gebracht had. Dood en leven, vloek en zegen, recht en genade, het kwalijke voor den goddeloze, het wél voor den rechtvaardige, had hij de gemeente voorgehouden. Indien iets van zijn waarschuwend of van zijn nodigend en bemoedigend woord in de harten van jongere of oudere gemeenteleden een blijvende en beslissende plaats gevonden had, dankt er dan God voor.

Danken in alles - kan dat? Ook voor de familie, die zo plotseling voor dit grote verlies geplaats wordt? Laat niemand van hen uit het oog verliezen, dat hij, die is heengegaan, nu als het ware ook uit zijn mond ook hun dit: 'dankt God in alles', toeroept.

Allerlei arbeid werd nog speciaal genoemd, waarna werd gezongen het bekende lied, dat niet de mens, maar God verheerlijkt:

Zijn Naam moet eeuwig eer ontvangen! Men loov' Hem vroeg en spa. De wereld hoor, en volg mijn zangen Met Amen, Amen, na!

Dat was ook de grondtoon van allen, die daarna nog spraken. Dat waren er vele. Ik zal ze niet allemaal opnoemen. Vanzelf uit de kringen van het onderwijs, zowel wat de besturen als het personeel betreft, verenigingswerk, classis en ring, collega's, van wie ik alleen ds. A. Dekker even noem, omdat hij sprak als bloedverwant, als opvolger van mijn vader in Hoevelaken en als gewezen consulent van Lunteren, waar mijn vader ook consulent was geweest en nog niet vergeten.

Namens de gemeente Hasselt sprak de heer G. v. d. Klocht en als vriend ten slotte de heer Wouter Rosendal, een van onze zondagavondgasten.

Mijn broer heeft bedankt en daarbij onderstreept, dat het hart, waarin de liefde van Christus woonde, het middelpunt was geweest, van het leven en werk van onze overleden vader.

Ds. Rappard eindigde met het gebed des Heeren, liet ons als familie door de staande gemeente Ps. 121 : 4 toezingen, waarop wij de kerk verlieten.

Het geheim

Wat zal ik aan dit alles nog toevoegen? Mijn broer had wel terecht gewezen op het hart, met al wat God in Zijn genade daarin gelegd en gewerkt had, als het geheim van de grote aantrekkingskracht, die er van hem uitging, die maakte, dat zovelen prediking en prediker samen liefhadden en dat zovele gemeenten hem begeerden.

Dat hart was groot geweest en ruim en warm. In zijn omgang met God werd de kracht er van voortdurend vernieuwd. Hij had het Woord en bovenal de God van dat Woord lief, omdat Die hem eerst had liefgehad. Onwillekeurig streelde het hem, dat zovelen onder zijn gehoor kwamen. Maar ik herinner me, dat hij eens zei: ik zou het kunnen hebben, dat ze allemaal wegbleven, als Gods goedkeuring maar mocht rusten op de verkondiging van Zijn Woord.

Hij heeft zijn gemeenten liefgehad, de ouderen en niet minder de jongeren, omdat hij bij al zijn werk zo jong van hart bleef.

Hij heeft ons liefgehad. Ik besef, dat nu, op mijn eigen hoge leeftijd, nog veel meer, dan vroeger. Je gaat je zelf bij zo'n leven ook veel kleiner gevoelen. Er is bij dat woord: dankt God in alles, ook alle reden om te denken en te zeggen: dat je zo'n vader hebt gehad, die ons op een weinig wettische wijze opgevoed heeft, maar met veel liefde en gebed omringde. Voor dit alles is het schrijven van deze levensbeschrijving alleen een klein bewijs van dankbaarheid geweest.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 1981

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Een gezegend prediker (16) (slot)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 1981

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's