De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

13 minuten leestijd

Antisemitisme in liet Nieuwe Testament?

Antisemitisme in liet Nieuwe Testament?

De gruwelen door de nazi's bedreven aan de Joden in de jaren 1933-1945 hebben velen opnieuw er toe gebracht zich te bezinnen op de wortels van het antisemitisme. Hoe is het mogelijk dat in een land, waar eeuwen lang de Evangelieprediking geklonken heeft, Auswitzsch en Mauthausen, Treblinka en Bergen-Belsen zijn opgezet en op zo'n verschrikkelijke wijze uitvoering gegeven is aan de geplande 'Endlösung' van het joodse volk? Men kan wijzen op de ideologie van het nationaal-socialisme, maar dan blijft toch de vraag: waarom heeft het Duitse volk en hebben de kerken in Europa niet feller geprotesteerd? Vooral van joodse zijde zijn kritische vragen gesteld aan het adres van de christenen, niet alleen vanwege Holocaust, maar ook gezien het nameloos vele dat joden de eeuwen door van christenen hebben moeten lijden.

Men wijst dan op de weergave van de lijdensgeschiedenis in de Evangeliën. Een woord als Mattheüs 27 : 25: 'Zijn bloed kome over ons en onze kinderen' heeft vaak een zeer tendentieuze uitleg gekregen. De beschuldiging van Godsmoord is vaak geuit. Men wijst op de tekening van Judas, en allerlei details uit het verhaal van Jezus' kruisiging. Waarbij men dan concludeert dat de wortels van het antisemitisme in het Nieuwe Testament liggen. Niet alleen joodse geleerden komen tot deze stellingname, maar ook christelijke theologen die naar een nieuwe relatie tussen Joden en Christenen streven, neigen er toe te spreken van antisemitische uitlatingen in het Nieuwe Testament. Enkele jaren geleden verscheen er een proefschrift vandr. H. v. d. Kwaak waarin de stelling verdedigd werd dat de evangelisten een verdraaide en tendentieuze weergave van de feiten inzake Jezus proces en kruisdood gaven, waarbij de rol van Pilatus onschuldig voorgesteld werd en alle schuld de Joden in de schoenen geschoven werd.

Ook de in Amsterdam benoemde hoogleraarvoor de bestudering van het Jodendom, prof. dr. C.J. den Heyer gaat die richting uit, zij het minder ver dan V. d. Kwaak. Den Heyer meent dat woorden als Joh. 8 : 44 en de felle uitval in 1 Thess. 2:15 uitspraken zijn die niet in de geest van Jezus en Paulus zijn, en voor ons dus niet meer relevant zijn.

Nu zal ieder begrijpen dat het hier gaat om een uiterst gewichtig vraagstuk. Vooreerst kan de christelijke kerk er niet omheen zich kritische vragen te laten stellen gezien haar vaak beschamende geschiedenis.

In de tweede plaats is er een nieuwe bezinning op gang gekomen waarbij met name Romeinen 9-11 weer nieuwe aandacht krijgen.

Maar terzake van de vraag naar het antisemi­tisme staat - en dat is de derde reden waarom ik spreek van een belangrijk vraagstuk - de betrouwbaarheid van de Schrift op het spel. Geven de Evangeliën inderdaad een vertekend beeld? Of hebben we hier te maken met een wijze van Schriftgebruik waarbij niet het gezag van de Schrift vooropstaat, maar het kritische denken van de mens? Persoonlijk ben ik er van overtuigd dat de weg die b.v. door v. d. Kwaak gewezen wordt onbegaanbaar is en afbreuk doet aan het gezag van de Schrift. Maar ook dan staan we voor de vraag hoe we de door hem en anderen geponeerde stellingen hebben te beantwoorden.

In het Hervormd Weekblad heeft dr. G. de Ru in een drietal artikelen de beschuldiging van antisemitische uitlatingen in het Nieuwe Testament weerlegd. Ik zou ook nog kunnen wijzen op de rede van prof. dr. H. Baarlink, bij diens aanvaarding van zijn hoogleraarsambt: Anti-judaisme in het oudste Evangelie? , uitgegeven bij Kok.

Geen gesmeentetheologie

Hier willen we graag iets doorgeven uit de artikelen van De Ru. Allereerst wijst De Ru op het feit dat de schrijvers van het Nieuwe Testament overwegend Joden waren. Is het dan niet vreemd om te spreken van anti-semitisrne?

Nu is het op ' t eerste gehoor al uiterst vreemd om te spreken van 'antisemitisme in het Nieuwe Testament'. Want dat zou betekenen, dat overwegend Joden van origine - Marcus, Mattheüs, Johannes, eerder al Paulus en Petrus; Lucas is een uitzondering - die zich op grond van de beloften Gods ook na kruis en opstanding van de Heer ten nauwste verbonden wisten met hun volk, nochtans - in variërende volgorde en mate - antisemitische 'uitvallen' en 'aanvallen' in hun relaas van het gebeurde verwerkten, tot zelfs in de woorden van Jezus toe (Joh. 8 : 44 geldt als zo'n antisemitisme!). Een wel zeer ongerijmde stelling! Een andere mogelijkheid is, dat hun oorspronkelijke (mondelinge) berichten in de loop van enkele decennia op talloze plaatsen zozeer zijn vertekend, dat zij tenslotte op de meest essentiële punten in strijd zijn met wat werkelijk gebeurde. Men is dan wel genoodzaakt, met behulp van de 'redaktionsgeschichdiche en formgeschichdiche' methode, de 'vaticinia ex eventu' (profetieën achteraf) en de 'gemeente-theologie', zowel de christologie van de evangeliën (het Schriftbewijs; Jezus als de Lijdende Knecht des Heren; zijn Messias-bewustzijn en zijn Zoonschap Gods) als ook de felle conflicten met de joodse leidslieden (t.a.v. de wet, de tempel, de sabbath, de goddelijke volmacht, die Jezus pretendeerde te bezitten) grotendeels op rekening te stellen van latere bewerkers - geen 'compilatoren, maar creatieve mensen' - die met hun redactionele retoucheringen, vertekeningen en toevoegingen ('editorial accretion') de geschiedenis geweld aandoen.

Zo komt men er dan toe de rollen om te draaien en Pilatus, die volgens de canonieke gegevens geen middel onbeproefd heeft gelaten om zich van de hem opgedrongen gevangene te ontdoen en tot driemaal toe met klem Jezus' onschuld heeft betuigd, tot hoofdschuldige te verklaren en het joodse volk, dat opgezweept door de haat der overpriesters schreeuwend en dreigend als uit één mond Jezus' dood heeft geëist, in feite volledig te disculperen.

Men realisere zich dan echter ter dege, dat de christelijke Kerk, na enkele eeuwen van wegen en overwegen - bij alle menselijke invloeden nochtans onder de leiding van de Heilige Geest - als haar Heilige Schrift, als canon voor geloof en leven, een 'bundel reacties op Jezus', een aantal gevarieerde geloofservaringen zou hebben gelegaliseerd, die én in de evangeliën én in de brieven door toedoen van de auteurs zelf of van latere bewerkers op zijn zachtst gezegd een vertekend beeld geven van geboorte, leven, sterven, opstanding en hemelvaart van Jezus van Nazareth. Een wel zeer ongerijmde situatie!

Meer en meer blijkt echter, dat het een hachelijke onderneming is een groot deel van de evangeliën als 'legendarisch', als 'onbewuste of opzettelijke vertekening' te brandmerken, vooral ook omdat de geleerden het zelden eens zijn over welk deel het dan gaat! Nieuwtestamentici uit Engeland, Skandinavië en Duitsland, die zich hebben verdiept in de geschiedenis der verschillende traditiefazen, zijn tot de conclusie gekomen, dat iedere synoptische bron van meetaf haar eigen karakteristieke vorm had (men denke aan de mnemotechniek, de kunst van het letterlijk uit het hoofd leren, in de oosterse religieuze wereld), dat dus de schriftelijke fixering van de overlevering niet het eindpunt van een ontwikkeling betekende en dat er van een 'tradierende Gemeinde' (overlevering van een creatieve gemeente) geen sprake was. Daarom slaan wij de historische waarde van de evangeliën aanzienlijk hoger aan dan men bij de in deze eeuw, vooral onder invloed van Rudolf Bultmann, tot bloei gekomen 'redaktionsgeschichtliche' methode ook in ons land pleegt te doen. Men denke bijvoorbeeld aan E. Schillebeeckx, C. J. Labuschagne, Tj. Baarda, terwijl ook het rapport van de gereformeerde synode over de aard van het schriftgezag, bij veel waardevolle passages, toch meer nadruk legt op de menselijke factor in de Schriften, op de geloofsbeleving en het geloofsgetuigenis (op zichzelf nog geen normerende gezags-categorieën) dan op de openbaring van Godswege, of, zoals professor Herman Ridderbos het zegt: De opstellers van het rapport 'hebben het meer over de geloofszijde van de openbaring dan over de openbaringszijde van het geloof. Het denkkader, waarin het (rapport) ons het bijzondere van de Bijbel en zijn gezag wil doen verstaan, is dat van het geloof en niet dat van de openbaring'.

1 Thessalonicenzen 2 : 15

We kunnen in dit persoverzicht niet aandacht schenken aan alle argumenten die De Ru aanvoert. Ter illustratie wijzen we op wat hij schrijft over wat Den Heyer noemt 'een felle uitval naar de Joden' in Paulus eerste brief aan de Thessalonicenzen. Stellig moeten we de scherpte van deze tekst niet verzwakken. Maar is ze daarom strijdig met Romeinen 9-11? Kunnen we zeggen dat de vraag naar de historische schuld van de Joden aan Jezus' kruisdood voor Paulus een bijkomstige kwestie was?

Een these, die alle grond mist! Het feit, dat Paulus in zijn brieven weinig historische bijzonderheden vertelt over Jezus' leven op aarde hangt begrijpelijkerwijs samen met het briefkarakter van zijn geschriften in een periode, dat de herinnering aan leven, sterven en opstanding van Jezus van Nazareth bij de tijdgenoten nog levend was. De brieven behandelen veelal praktische zaken in verband met geloof en leven van de gemeenten. Zij bouwen voort op de prediking, waarin Paulus - geen geïsoleerde figuur, maar in voortdurende relatie met de eerste getuigen (1 Cor. 15 : 3-8) - de apostolische overlevering (1 Cor. 15 : 1: het Evangelie') aan haar heeft bekend gemaakt. De brieven zijn van dit 'Evangelie' niet meer de eerste aankondiging, maar veeleer 'de nadere uiteenzetting en toepassing, de proclamatie en explicatie van de met Christus' komst, dood en opstanding ingegane eschatologische heilstijd'. De apostel gaat er bij zijn correspondende terecht van uit, dat de geadresseerden bekend zijn met de historische feiten van Jezus' leven, sterven en opstanding, die toch de dragende grond van de apostolische prediking vormen.

Uit talloze bewuste of onbewuste herinneringen, zinspelingen en opmerkingen over deze feiten, blijkt voor Paulus - mede in aanmerking genomen zijn eigen aandeel als Jood in de vervolging van de discipelen des Heren - de schuld van zijn volk aan Jezus' kruisiging toch wel aan geen twijfel onderhevig te zijn. Bovendien stelt de apostel bij de slechts 5 historische gebeurtenissen, die hij noemt, eenmaal de collectieve schuld van het joodse volk aan Jezus' gewelddadige dood met duidelijke woorden - het Grieks is hier zeer expressief - vast. Dat doet hij in zijn oudste, meest authentieke brief (plm. 50); 1 Thess. 2:15 geeft wel het scherpste vonnis, dat Paulus ooit over de Joden in Judea heeft geveld! Dr. v. d. Kwaak zegt nu, dat bij deze 'felle veroordeling van de Joden' de nadruk niet valt op de beschuldiging van het doden van Jezus, maar op die van de afwijzing en tegenwerking van de evangelieprediking. We zouden te doen hebben met een 'incidenteel bepaalde' uitlating, een afreageren door Paulus van een stuk teleurstelling over de houding der Joden jegens hem persoonlijk. De opmerking over het doden van Jezus maakt een 'terloopse en stereotype indruk'. Een wel vreemde constatering! Alsof de apostel een dergelijke krasse beschuldiging ten aanzien van zulk een alles beslissend gebeuren als de Kruisiging van Jezus zomaar, uit dépit (spijt en teleurstelling) zou hebben neergeschreven!

De hier gesignaleerde uitval kan niet gelden als één van de wortels van het 'antisemitisme'; de apostel meent volledig ernstig wat hij schrijft en bevestigt daarmee het getuigenis van alle evangelisten! Zijn woorden herinneren duidelijk aan plaatsen als Matth. 23 : 23e.v., waar ook van een 'afsluiting', een volgroeidzijn van het zondeproces van Israël wordt gesproken en van een daardoor komend onafwendbaar oordeel. Dit 'volle' oordeel ziet Paulus nu ook (vs. 16) gekomen over degenen, wier misdaad hij in het voorafgaande heeft beschreven en het is wel 'zeer duidelijk, dat hij van enige bijzondere verschoning der Joden, omdat zij het volk Gods zijn, niets weten wil'.

Moeten we een dergelijke uitspraak ook niet verstaan tegen de achtergrond van de Oudtestamentische profetie waar vaak in felle woorden het oordeel aangezegd wordt aan het volk van het Verbond.

Met De Ru ben ik van mening dat de beschuldiging van anti-semitisme in het Nieuwe Testament onjuist en ongegrond is. Wel zal de kerk in haar uitleg, prediking en catechese zeer behoedzaam te werk moeten gaan, omdat vaak verkeerde conclusies en interpretaties vreselijke gevolgen gehad hebben. We zullen 1 Thess. 2 en Rom. 9-11 beiden moeten laten gelden.

't En zijn de Joden niet...

We kennen dat bekende gedicht van Revius.

Wordt hiermee Israël vrijgepleit van schuld aan Jezus' dood? Ik meen van niet. Wel kunnen we zeggen dat we in de spiegel van de schuld van het verbondsvolk onze eigen schuld zien. De felste aanklachten geschieden immers altijd weer binnen de lichtkring van het Verbond. De Ru schrijft naar aanleiding van Revius' lied:

Het is een misverstand te menen, dat Revius met zijn "t En zijn de Joden niet, Heer Jesu, die u kruisten' het joodse volk van schuld aan Jezus' dood wilde vrijpleiten. Hoe kunnen wij hier ooit schuldig zijn, als de Joden niet schuldig waren? 'Maar deelhebben aan het verachte Israël, daartegen komt onze hele natuur in opstand'. Staan wij bij onze keuze ten aanzien van Christus niet voor hetzelfde alternatief als de Joden? Als wij ons in woord en daad verzetten tegen Jezus de door God gezalfde Koning, het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegdraagt, de lijdende Knecht des Heren, die in onze plaats stierf, de Verzoener onzer zonden en de Vernieuwer van ons leven, maken ook wij ons schuldig. De exemplarische betekenis van Israël werpt een heilshistorisch licht op de volken der wereld: schuldigverklaring, goddelijke toorn, verblinding, verwerping, oordeel, dat in het Oude Testament al is voorzegd en... tegelijk hoopvolle verwachting van heil voor geheel Israël en 'de volheid der heidenen' (Rom. 11 : 25).

Antisemitisme signaleren in het Nieuwe Testament is een heilloos ondernemen, dat een ongerechtvaardigd negatief accent geeft aan de geloofservaring en het geloofsgetuigenis der apostelen. Het is heilloos, ook al berust het op het vurig verlangen alle jodenhaat en jodenvervolging voor de toekomst uit te roeien. Het historisch-critisch bijbelonderzoek moet dan dienen om de auteurs der evangeliën a.h. w. te ontmaskeren als getuigen, die door hun situatie en theologie bevooroordeeld, vanuit een anti-joodse gezindheid de feiten hebben vertekend ten nadele van de Joden. Vanuit die veronderstelling heet dan al wat tégen de Joden pleit spoedig legendarisch of gekleurd.

Zo wordt het levend getuigenis der evangelisten over Jezus' lijden en sterven volledig stuk-geanalyseerd, zodat er eigenlijk alleen maar een reeks fatale vervalsingen overblijft, waarachter men het historisch gebeuren, de werkelijke feiten niet of nauwelijks en in ieder geval nooit meer met zekerheid kan ontdekken. Een duidelijke visie op de heilshistorische dimensie van de evangelie verhalen - een stuk van Gods openbaring in Jezus Christus - is dan wel totaal onmogelijk geworden. Paulus wijst ons in zijn 'evangelie des kruises' (in Rom. 9-11 en elders) een betere weg ter bestrijding van het verfoeilijke antisemitisme dan het ontkennen van een schuld, die door alle evangelisten - in welke nuancering dan ook - als onomstreden wordt betuigd: de weg van solidariteit met het joodse volk in schuld én deelgenootschap met hen in de ontferming Gods.

Laten we bedenken dat de God van Israël goddelozen rechtvaardigt om niet door het geloof in de Messias Jezus. Zo lezen we ook Romeinen 9-11 in het verband van de Romeinen brief. De toekomst van Israël rust niet op prerogatie van Israël, maar op de trouw van de God van het Verbond die door het oordeel heen de genadige is. Want het heil is uit de Joden, en het draagt geen andere naam dan de naam Jezus, overgeleverd om onze zonden, opgewekt om onze rechtvaardiging (Rom. 4 : 25).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 1981

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 1981

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's