De Heilige Schrift en de prediking (2)
De Heilige Schrift
Is er geen tegenstelling tussen de Schrift en de prediking? Moeten we de boodschap van de Schrift niet zien als een gestolde materie, terwijl het dan in de prediking gaat om levend water? Men heeft wel gezegd dat de prediking Gods Woord is, terwijl men dat eigenlijk niet kan zeggen van de Schrift. En dan maakt men vooral de orthodoxie het verwijt dat zij veel te gemakkelijk het Woord van God met de Heilige Schrift identificeert. Het is daarom van belang nader in te gaan op de verhouding Schrift en prediking.
Schrift en prediking
Is er geen tegenstelling tussen de Schrift en de prediking? Moeten we de boodschap van de Schrift niet zien als een gestolde materie, terwijl het dan in de prediking gaat om levend water? Men heeft wel gezegd dat de prediking Gods Woord is, terwijl men dat eigenlijk niet kan zeggen van de Schrift. En dan maakt men vooral de orthodoxie het verwijt dat zij veel te gemakkelijk het Woord van God met de Heilige Schrift identificeert. Het is daarom van belang nader in te gaan op de verhouding Schrift en prediking.
Berkouwer wijst in dit verband op Luther. Deze reformator wordt nog al eens te hulp geroepen om te overtuigen dat de Schrift op de tweede plaats komt en de prediking op de eerste. Hij heeft er inderdaad op gewezen dat de apostelen predikers waren en pas daarna schreven. En niet allen hebben geschreven. Ze waren geroepen om te prediken aan Joden en heidenen. Het schrijven was een secundaire noodmaatregel om de boodschap vast te houden. Dit is waar, maar dit houdt reeds in dat men er goed aan doet geen inhoudelijke tegenstelling te maken tussen Schrift en prediking. Dat was dan ook de bedoeling van Luther niet. Zijn aandacht voor het primaire karakter van de prediking als gesproken woord ging niet ten koste van zijn aandacht voor het geschreven Woord van God. Het Woord is geschreven om niet onder te gaan in de verwarring van de ketterij. Luther wil er juist op wijzen dat men de Schrift niet moet laten verworden tot een dode letter. De Schrift is een levend instrument, dat God in de verkondiging dient. Het gaat niet om minder of meer, of om de tegenstelling dood en leven, want dan zien we de zin van de Schrift over het hoofd. Maar de Schrift wil als Woord van God bewaard worden en moet daarom worden gepredikt. Het geschreven woord is naar zijn oorsprong en gerichtheid gesproken woord, een levende boodschap. Het Woord heeft de geschreven gestalte verkregen om van geslacht tot geslacht aan de orde te blijven in levende verkondiging. Het gesproken woord draagt als gelovig getuigenis het evangelie der Schriften uit. Zo komt het door in alle tijden. Het vraagt om meegenomen te worden in het leven, het is er voor. Zalig hij die het hoort en bewaart, die het opneemt in zijn leven. Schrift en prediking horen bij elkaar als bron en rivier, ze zijn niet te identificeren, rnaar behoren allerminst een tegenstelling te vormen. We zien het reeds in de Schrift zelf. Jezus verkondigde de vervulling van de Schrift en het hart van Klopas en zijn vriend was brandend toen Hij al verkondigende de Schriften voor hen opende (Lukas 24). We lezen ook van de kamerling uit Ethiopiƫ. Filippus verkondigde hem Jezus, beginnend bij de Schrift die zijn toehoorder las. In de Schrift is de boodschap van profeten en apostelen bewaard, puttend uit de Schriften verkondigen de predikers bekering en geloof in Jezus Christus tot het eeuwige leven.
De prediking is Gods Woord
Schrift en prediking staan dus in onlosmakelijk verband. Dat gaat zover dat op beiden de aanduiding Gods Woord van toepassing is. In de Schrift gaat het om Gods Woord als openbaring van God gegeven, in de prediking om Gods Woord als verkondiging in zijn opdracht. Dat veronderstelt geen nieuwe openbaring, maar wel een zeer nauwe relatie tussen beiden. We gaan naar de kerk om Gods Woord te horen. Toch voelen we aan dat het hier niet om iets vanzelfsprekends gaat. Het is de opdracht van de prediker Gods Woord te brengen, maar het is niet zondermeer zo dat zijn preek Gods Woord is. Het is wel de bedoeling. Paulus dankt er God zonder ophouden voor dat de Thessalonicenzen het woord der prediking Gods aangenomen hebben niet als der mensen woord, maar (gelijk het waarlijk is) als Gods Woord, dat ook werkt in hen die geloven (1 Thess. 2 : 13). Ze hebben door prediking van Paulus verstaan wat het Woord van God was en vroeg, het werkte in de gelovigen. Ze hebben in de menselijke prediking Gods Woord herkend. En Paulus bevestigde dat: het is waarlijk zo. Dat verleent aan de prediking legitimiteit.
In de tijd van de reformatie heeft men hier zwaar aan getild. Enerzijds voelde men aan dat het niet vanzelfsprekend is dat de prediking door een mens gebracht Gods Woord is - dat moet getoetst worden - , anderzijds was men op zijn hoede dat men door een kritische houding de prediking niet alle gezag zou ontnemen. Het gezag van de prediking is gekoppeld aan de onderwerping aan het evangelie. Dat is een kernzaak. Daarom heeft men zoveel zorg om de prediking. Die moet conform zijn met het evangelie. Dat is de unieke verantwoordelijkheid van de kerk en van de prediker. Toch behoeft deze grote verantwoordelijkheid geen onzekerheid te scheppen. Het is niet zo dat men er van moet uitgaan dat de ware prediking zo iets unieks is dat ze zelden voorkomt. Het Woord kan wel zeldzaam worden, maar de reformatoren gaan daar niet van uit hun hoop was gericht op de Heilige Geest die de nodige toerusting zal schenken. In heldere taal leren ze ons dat Christus door de prediking der kerk regeert en dat door de verkondiging van het evangelie het hemelrijk ontsloten of toegesloten wordt. En dan wordt er veelbetekenend aan toegevoegd: 'God zal naar dit getuigenis van het evangelie oordelen, beide in dit en in het toekomende leven' (Heid. Cat. zondag 31). Hier klinkt het vertrouwen door dat de Heere zelf de ware prediking zal schenken. De gemeente ontvangt van Christus een open deur door de prediking. Zelf kan ze die niet openen, Christus zelf opent en niemand sluit. Maar intussen bewaart de gemeente het Woord van God en verloochent de naam van Christus niet (Openb. 3:8).
Waarom kan er zo stellig over de prediking als Woord van God worden gesproken? Uitsluitend omdat het gaat om een prediking die conform is met het evangelie van de apostelen. De prediking is daarom ook een ambtelijke, kerkelijke aangelegenheid. De kerk is verantwoordelijk voor de prediker en zijn woord. Het is verre van reformatorisch om de prediking alle gezag te ontzeggen, het komt er juist op aan dat het Woord van God naar de Schriften met gezag overkomt. Het is fataal als men de prediking houdt voor slechts een opinie. Dit gevaar dreigt van verschillende kanten. De reformatoren stellen de prediking echter in het spanningsveld van de belofte en de verantwoordelijkheid. De Schrift geldt als de bron, maar ook als de norm van de prediking. De Schrift is de bron waaruit gepredikt wordt, maar ook de norm bij de verwerking van de boodschap. Een en ander verleent de prediking haar gezag. Men kan hier niet om heen. We raken hier het kernpunt van het probleem van de prediking en daarin van vele andere problemen van de kerk. Gaat men hieraan voorbij dan identificeert men de prediking al te gemakkelijk als Gods Woord, men acht de prediking zo betrekkelijk dat ze geen gezag over houdt en vervalt tot een opinie, zij het een deskundige. Het laatste komt in onze mondige, doch onzekere tijd meer voor dan het eerste. Men spreekt bij voorkeur over de inspiratie die men van het evangelie ondervindt en wil ondervinden, veel minder over de normativiteit van Gods Woord. Het 'Alzo spreekt de Heere' ligt moeilijk in onze tijd. Toch mag het, hoe moeilijk het ook ligt, niet losgelaten worden, want dan geven we op dat de prediking waarlijk Gods Woord heeft te zijn en halen we haar uit het spanningsveld waarin ze hoort. Wel brengt de reformatorische visie een menselijke verlegenheid met zich. Wie is tot deze dingen bekwaam? Het mag zeker niet leiden tot menselijke aanmatiging. Het prediken van Gods Woord in altijd weer nieuwe tijden, in altijd weer nieuwe situaties met altijd weer nieuwe weerstanden is bepaald geen sinecure. Van des te meer belang is het dat de kerk zich goed bewust is van de bron, maar ook van de norm van de prediking. Dan bewaart ze met vreze en beven haar hoge opdracht, maar zal ook de blijdschap ervaren dat het Woord van God tot Hem niet ledig weerkeert.
Het heil in Christus gegeven bepaalt de prediking. Het is het getuigenis van de levende Heer. Hij is het zelf die door Woord en Geest regeert en zo een spoor trekt in de geschiedenis door de menselijke prediking. Door mensenmond gaat Zijn Woord voort. Zo wordt de kerk boodschapper van goede tijding. En terecht is opgemerkt dat de diepte en de inhoud van de prediking ons laten zien hoezeer het Schriftgeloof en de verkondiging correlaat zijn. In de prediking ontvouwt zich het geheim van het woord des kruises. Het is onuitputtelijk en kan altijd worden doorverteld in allerlei variaties, uitzichten en perspektieven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 1981
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 1981
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's