Uit de pers
Moet de kerk altijd kiezen?
Wat bedoelen we met deze "vraag? Het lijkt immers op het intrappen van een open deur. Natuurlijk, de kerk van Christus heeft onder alle omstandigheden de goede keus te doen. 'Kiest u heden, wie ge dienen zult', luidt de oproep tot het volk Israel. Maar in de hierboven gestelde vraag gaat het om een andere keus, nl. de vraag in hoeverre de kerk politiek en maatschappelijk keuzen moet maken. De vraag raakt aan het met zo eenvoudige vraagstuk van de relatie tussen kerk en samenleving. Vaak wordt in dit opzicht gewerkt met de lutherse twee-rijken leer. Er is het rijk aan Gods linkerhand (staat, politiek, huwelijk en arbeid, enz.) en het rijk van Gods rechterhand, waar het Evarigelie heerst. Lutherse theologen wijzen erop dat Luther met deze onderscheiding geen scheiding bedoeld heeft. Christus heerst, zij het op verschillende wijze over beide njken. In de praktijk is het wel dikwijls tot zo n scheiding gekomen en kwam men b. v. tot de conclusie dat kerk en politiek mets met e kaar te maken hebben. In het Geref. Weekblad van 17 juli herinnert prof. dr. J. Plomp aan deze onderscheiding bij zijn bespreking van een artikel van de Duitse theoloog Pöhlmann. Deze gaat ook in op de vraag, wanneer de kerk keuzes moet maken.
Zijn antwoord luidt: "dat mag en moet de kerk doen wanneer de staat Gods geboden geweld aandoet. Pöhlmann noemt een aantal (mogelijke) gevallen waarin de kerk z.i. ondubbelzinnig positie moet kiezen en haar keus ook duidelijk bekend moet maken. Zo moet van haar bekend zijn dat ze afwijzend staat tegenover dictaturen zowel linkse als rechtse. Vanwege het zesde gebod en de bijbelse notie van de vrede zal ze moeten aandringen op vrede en ontspanning in de buitenlandse politiek en op beëindiging van de waanzinnige bewapeningswedloop. Ze moet ook kritiek uitoefenen op de onrechtvaardige systemen die er in de wereld zijn waarin mensen stelselmatig worden onderdrukt en uitgebuit. Niet anders dan veroordelend zal ze zich ook moeten uitspreken over de vaak onterende bejegening van gastarbeiders, gehandicapten en bejaarden. In al dit soort zaken zal de kerk duidelijk moeten kiezen en spreken. En ze kan dat ook, want het betreft hier steeds keuzen tussen goed en kwaad.
Het leven is echter gecompliceerd. Wij worden dikwijls geconfronteerd met minder doorzichtige dilemma's. Dan moet ook een keus worden gemaakt. Maar dat is dan geen duidelijke keus tussen iets goeds en iets kwaads, maar een keus tussen twee kwaden. In alle gevallen van deze aard moet de kerk zich van 'eindeutige' uitspraken onthouden. Althans, dat vindt Pöhlmann die weer een aantal voorbeelden geeft. Van 'eindeutige' uitspraken moet de kerk zich onthouden wanneer de vraag aan de orde komt van deelneming aan gewapende vrijheidsbewegingen of van invoering en uitbreiding van de kernenergie of van de militaire dienst. Ik geef voor de duidelijkheid weer wat Pöhlmann schrijft over dat laatste vraagstuk; welke beslissing iemand ook neemt, het is geen 'eindeutige' ethische beslissing. Er wordt een keus gemaakt uit twee kwaden. Er is een botsing van plichten en daarin kiest de één zus en de ander zo. En beiden, zowel de dienstweigeraar als hij die de militaire dienstplicht vervult, beroepen zich voor hun keus op hun geweten. Welnu, in zo'n geval mag de kerk niet één van de twee keuzen verheffen tot de hare. Zou ze dat wel doen, dan zou ze zich te buiten gaan aan misbruik van haar geestelijke autoriteit. Wat de kerk dan wel zou moeten doen? Vanuit het gebod van de liefde en de onvoorwaardelijke aanvaarding van ieder zou ze ook in de strijd van de politieke meningen de rol moeten vervullen van bemiddelaar en van asyl. Ze zou de plaats moeten zijn waar mensen van verschillende politieke kleur elkaar ontmoeten, met elkaar spreken, elkaar leren respecteren en misverstanden en vooroordelen over elkaar afleggen. Juist omdat de kerk zelf geen partij is zou ze tussen de partijen kunnen bemiddelen. Dat betekent allerminst dat ze door dik en dun neutraal moet zijn, want te allen tijde behoudt ze haar profetische roeping."
Het blijft al met al niet zo'n eenvoudige zaak. Wanneer nu wel, wanneer niet? Terecht stelt pjomp de vraag of Pöhlmann inderdaad gelijk heeft met de opsomming van gevallen waarin de kerk haar stem moet verheffen. Moet dat in al die gevallen? Maar tegelijk onderstreept hij het waardevolle in de nuanceringen die aangebracht worden. Men kan niet altijd 'eindeutig' spreken, omdat men dat niet kan doen met de Schrift in de hand. In de ingewikkelde levenspraktijk ligt het vaak zo geweldig door elkaar heen. Persoonlijk zou ik iets sterker nog willen hebben beklemtoond, de eerste en voornaamste taak van de kerk, nl, de verkondiging van Gods Woord. En ook zou ik willen pleiten voor onderscheid tussen kansel en vergaderplaats. De kerk is geen politieke tribune. Maar het is denkbaar dat christenen in gesprekskringen elkaar 'bevragen' op aktuele zaken en samen zoeken naar de juiste weg. Godsdienst raakt het hele leven. Zo ook het geloof. Toch kan men niet zonder het waarheidselement van de twee-rijken-leer. Als maar duidelijk blijft dat Christus heerst over beide rijken. Maar ook dan blijft het spreken van de kerk een eigen geluid behouden.
***
Ieder in zijn eigen taal
In Handelingen 2 horen we, hoe op het Pinksterfeest de grote werken van God verkondigd worden in vele talen. Je zou kunnen zeggen: De arbeid van de Bijbelvertaling wil daaraan dienstbaar zijn. Twee medewerkers van de NCRV zijn ter voorbereiding van een serie t.v. uitzendingen over de vraag: wat boeit mensen in verschillende landen als ze de Bijbel lezen, en hoe is de plaats die de Bijbel inneemt in hun land en hun cultuur, op reis gegaan. Hun eerste reis gold het Verre Oosten (Thailand, Filippijnen, Japan).
In het Centrcud Weekblad van 19 augustus vertelt J. J. v. Capelleveen iets over hun indrukken. De Bijbel heeft zich een eigen plaats veroverd in de landen overzee. Wij in het westen zijn er aan gewend geraakt de Bijbel te lezen, te horen uitleggen, in allerlei formaat te kunnen kopen enz., enz. Generaties lang heeft de Bijbel zijn stempel gedrukt op onze cultuur. Men denke aan allerlei oude gevelstenen, aan spreekwoorden en zegswijzen, om te zien hoe in ons samenleven de Schrift nog altijd resoneert. Tegelijk moeten we niet blind zijn voor de secularisatie die om zich heen grijpt. Duizenden in ons volk raken van de Schrift vervreemd en merken de sporen van een door de Bijbel gestempelde cultuur niet meer op. Vervreemd ook als zij zijn van het leven met de Here en zijn Woord.
Wat boeit mensen in Japan en in Thailand, levend in een geheel andere cultuur als kleine minderheid temidden van het heidendom?
Ik vroeg de beide televisiemannen wat hen op deze reis vooral had getroffen.
Het bleken verschillende zaken en ontmoetingen te zijn.
Het gesprek met mevrouw Kagawa, de weduwe van 'de apostel van Japan', zoals hij in de jaren dertig werd genoemd. De eerste Japanse evangelist die begreep dat het Evangelie niet alleen vertaald moet worden in de woorden van de eigen taal, maar ook in de cultuur van het eigen land. Hij wilde de kerk en de Evangelieverkondiging aan het eigen land en de eigen cultuur aanpassen, lang vóór er sprake was van een Afrikaanse of zwarte, of van een Latijns-amerikaanse of bevrijdingstheologie. Het was een ervaring haar te horen vertellen over haar leven met haar man in de krottenwijken van Kobe, de Japanse havenstad waar hij preekte, maar waar hij ook de uitgebuite arbeiders verenigde in een vakbond.
Een ervaring was ook de ontmoeting met de jonge Filippijnse vrouw, ver van Manilla, in het binnenland van de Filippijnen. Daar, in de provincie Zambales, is ze bezig de bijbel te vertalen. Ze moest beginnen met de taal een eigen, geschreven vorm te geven, want in Zambal was nog nooit iets gepubliceerd. Ze moest een grammatica maken en een woordenboek samenstellen. En nu is ze dan eindelijk bezig de bijbel te vertalen. En ze zal nog wel tien jaar bezig zijn. Onder heel moeilijke omstandigheden heeft het televisieteam daar opnamen gemaakt.
In Manilla had men verteld dat het vier uur rijden was. Het bleek twintig uur rijden te zijn. De opnamens die in de ochtend plaats zouden vinden, moesten 's avonds gemaakt worden, bij het schamele licht van de enige drie neonbuisjes, die het kleine dorp rijk was.
Daar was ook het bezoek aarf het Combodjaanse vluchtelingenkamp. Mensen die ontzaglijke ontberingen hebben doorstaan in de afgelopen jaren. Mensen die stuk voor stuk familieleden en vrienden hebben zien sterven van honger of vermoord zagen worden door soldaten. Mensen die nu in een kamp zitten en niet weten wat morgen brengen zal. Mensen ook die dolblij zijn met de bijbels in hun eigen taal die ze van het bijbelgenootschap ontvingen.
Er waren zoveel hoogtepunten. Sommigen konden door de camera geregistreerd worden. Andere kunnen nauwelijks onder woorden gebracht worden, en helemaal niet in beeld.
Toen ik met Van den Hurk en Van der Land de beelden bekeek, waarmee ze teruggekomen waren zei de eerste:
'Denk niet dat we een totaalbeeld kunnen geven van de godsdiensten in die landen of van die landen zelf of van hun cultuur, zelfs niet van de kerken. We kunnen hooguit een impressie geven van de situatie waarin de bijbel daar vertaald en verspreid wordt en van wat die bijbel daar voor die mensen betekent' .
Wij mogen ondanks de zuigkracht van oud en modern heidendom toch telkens weer ontdekken dat het Woord van God niet gebonden is.
***
Calvijn en het recht van opstand
In 1581 vond de afzwering van Filipps II van Spanje plaats. Een ingrijpende en voor die tijd revolutionaire daad. Prof. dr. W. v. 't Spijker noemt deze daad een stap die geïnspireerd was door het calvinisme, vooral in de vorm die het in de strijdbare Franse tak gevonden had. Betekent dit nu dat we Calvijn kunnen annexeren voor de revolutie-theologie, zoals soms wel gezegd wordt? Van 't Spijker schrijft in De Wekker van 17 juli:
Het is opmerkelijk dat het Franse calvinisme in de theorie van het verzetsrecht een grote rol heeft gespeeld. Calvijn zelf heeft zich met deze vragen bezig gehouden b.v. in zijn Institutie (IV, 20, 25-32). Maar hij doet dit op een zeer voorzichtige manier. Men mag het gezag van overheden niet schenden. God wil de teugelloze dwingelandij bestraffen met zijn wraak, maar 'daarom moeten wij niet terstond menen, dat ze ons is opgedragen. Ik spreek steeds over particuliere personen. Want indien er nu enige volksmagistraten zijn aangesteld, om de willekeur der koningen te bedwingen... dan is het er zo ver vandaan, dat ik hun zou verbieden in overeenstemming met hun plicht de woedende ongebondenheid der koningen tegen te gaan, dat ik veeleer beweer, dat indien zij het door de vingers zien, wanneer de koningen met gewelddadigheid optreden en het arme volk kwellen, hun veinzen, dat zij het niet opmerken, niet vrij is van misdadige trouweloosheid: want dan verraden zij bedriegelijk de vrijheid van het volk, van welke ze weten, dat ze haat volgens Gods ordinantie behoren te beschermen'. (Inst. IV, 20, 31). Calvijn denkt hier aan de oude voorbeelden van de ephoren, die gesteld waren tegenover de Spartaanse koningen, de volkstribunen tegenover de Romeinse consuls. Hij vergelijkt deze met de macht die de drie stenden hebben in de koninkrijken van zijn tijd. Zulke volksorganen werden door Calvijn serieus genomen. Zij zouden hun verantwoordelijkheid niet verstaan, wanneer zij de willekeur van de koningen niet zouden bedwingen. Daarom kunnen we zeggen, dat wat de Staten Generaal deden toen zij Filips afzwoeren geheel in de geest van Calvijn was. De lagere magistraten hebben ook hun ambt van God ontvangen. Wanneer zij de rechten van het volk verdedigen, handelen ze slechts naar goddelijke roeping.
Het is wel duidelijk dat zo een vorm van verzet tegen de tiran gewettigd is. Het volk zelf heeft bij Calvijn in geen geval het recht tot het plegen van een revolutie. Slechts één uitzondering kent Calvijn, als het gaat om de gehoorzaamheid aan de vorst: deze mag ons niet afvoeren van de gehoorzaamheid aan Hem aan wiens alle begeerten der koningen behoren onderworpen te zijn (Inst. IV, 20, 32). Dit betekent, dat men altijd God meer moet gehoorzamen dan de mensen. Wij moeten dan liever lijden, dan dat we afwijken van de vroomheid.
Hoezeer Calvijn tegen een vorm van individueel verzet was kan blijken uit een brief aan de predikanten van Lyon, die in onbeheerste ijver in de kerken verwoestingen hadden aangericht: 'Het is geen behoorlijk optreden, wanneer een dienaar des Woords als soldaat of als aanvoerder optreedt, maar het is nog veel erger, wanneer men de preekstoel verlaat om de wapenen te voeren'. Calvijn berispt degenen die zich aan dergelijke dingen hadden schuldig gemaakt bijzonder streng. Hij deed dit omdat hij een verklaard tegenstander was van individueel verzet. Zijn opvattingen werden echter bijgesteld door Beza en met name na de Bartholomeusnacht (1572) door een aantal Franse theologen, die in relatie stonden met Willen van Oranje.
Duidelijk blijkt hoe voorzichtig we moeten zijn om de geschiedenis te gebruiken voor eigen ideeën. Terecht wijst Van 't Spijker erop dat dit calvinistische recht van opstand als grondslag van een nieuwe staat waarin vrijheid van godsdienst en vrijheid van geweten als onvervreemdbaar goed geleden, iets totaal anders is dan de huidige roep om de permanente revolutie. Een persoverzicht is niet de plaats om er breed op in te gaan. Ik verwijs behalve naar de artikelen van de Apeldoornse hoogleraar in De Wekker naar een brochure van prof. Nauta uitgegeven in de serie Reformatorische stemmen van de Willem de Zwijgerstichting, alsmede naar een brochure van Algra in dezelfde serie.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 september 1981
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 september 1981
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's