De catechese en het gezin
Catechisatie verbinden we doorgaans onmiddellijk met 'kerk'.
Verschuiving
Hoevelen zullen op de vraag waaraan men denkt als het woord catechese valt, niet antwoorden met: de dominee, catechisatieboekjes, 'vragen leren', koude winteravonden waarop dominee het in een vol lokaal niet altijd gemakkelijk had... Catechisatie verbinden we doorgaans onmiddellijk met 'kerk'.
Maar is de kerk nu wel de eerste-verantwoordelijke als het gaat - om met ons klassieke doopformulier te spreken - de onderwijzing aangaande de 'voorzeide leer'? Die woorden zijn toch gesproken tot... de ouders? Primair berust de catechese of de onderwijzing in de Schriften, die wijs kunnen maken tot zaligheid, bij hen, die 'ja' gezegd hebben op de doopvragen en die zodoende zich niet slechts hebben voorgenomen, maar veeleer voor hun rekening hebben willen nemen, dat zij het gedoopte kind zullen onderwijzen en - maar dat in de tweede plaats - doen onderwijzen.
De reformatorische traditie kent dan ook een grote plaats toe aan de huiscatechese: de ouders zijn gehouden hun kinderen de Schriften te 'spellen', dat is: die te (laten) lezen en leren. Zo zag Calvijn het gezin als een 'kerkje in de kerk', met het oog op de dienst des Woords en der gebeden. In de loop der tijden echter wordt gaandeweg een groter deel van deze huiscatechese overgedragen of - gelaten aan catechiseer - en schoolmeesters en predikanten. Een groot gedeelte van de godsdienstige opvoeding komt dan dus voor rekening van de school en de kerk.
Nu kunnen we vragen: is hier ook niet veel voor te zeggen? Immers, waren en zijn ouders wel voldoende voor deze taak toegerust? Heeft de kerk ook geen specifieke verantwoordelijkheden jegens haar gedoopte leden? Beschikken catecheten niet over grotere deskundigheid en is juist een systematisch opgezette leergang niet van groot belang?
Dergelijke vragen en overwegingen moeten zeker serieus genomen worden. Alleen, genoemde verschuiving kan licht leiden tot het zich min of meer ontslagen weten van ouders van dat, waartoe toch zij gehouden zijn en blijven. Een blik op de praktijk leert dat de betrokkenheid van de ouders bij het catechetisch onderwijs te wensen overlaat. In de 'beste' gevallen sturen ze hun kinderen - al dan niet met harde hand - naar de catechisatie. Nu valt misschien zelfs daarin nog wel een lichtpuntje te ontdekken: ze komen dan toch nog maar...
Maar als ouders zich inhoudelijk niet langer betrokken weten bij en verantwoordelijk voor het onderwijsgebeuren, wat dan? Dan gaan gezin, school en kerk licht ieder een eigen weg, terwijl het voor de opvoeding en vorming juist van zulk een groot belang is, dat er een intensieve wisselwerking is in een gezamenlijk zich verantwoordelijk weten voor het éne doel. Het 'onderwijzen en doen onderwijzen' kunnen ouders niet zonder meer overdoen en - laten aan 'derden': ze zullen zich terwille van het geheel van de godsdienstige opvoeding inhoudelijk alleszins betrokken moeten weten bij de kerkcatechese. Daartoe zullen kerkeraden en predikanten ouders dan ook tegemoet moeten komen in hun vragen en moeilijkheden. Hen in de gelegenheid stellend de betrokkenheid bij de catechisatie zoals die door de kerk gegeven wordt, te vergroten. Op z'n minst mogen we in dit verband toch wel denken aan de 'start van het winterwerk', waarbij op een of andere wijze - hetzij rondom de kerkdienst, hetzij op een apart belegde 'ouderavond' - met de ouders en de catechisanten over de inhoudelijke kant van het catechisatiegebeuren binnen de gemeente van gedachten wordt gewisseld. Het is verheugend dat zoiets binnen meerdere gemeenten op gang komt. Laten we in deze ook als gemeenten van elkaar proberen te leren.
Het op deze wijze kennis nemen van en zich betrokken weten bij de kerkcatechese zal echter slechts daar vrucht afwerpen waar tegelijkertijd de huiscatechese opnieuw serieus genomen wordt. Maar liggen nu juist hier voor veel ouders niet talrijke vragen en problemen?
Inhoud van de huiscatechese
Wat houdt dan die onderwijzing en lering tot Godzaligheid in? Zou het niet voor alles zijn een trouw en gestaag lezen van de Schriften en het daarover in gesprek zijn of raken met de kinderen?
Dit samen zoeken te gaan in de weg van het Woord kan op verschillende wijzen gestalte krijgen binnen het gezin. Te denken valt aan het bijbellezen, gesprek, gebed, lied en viering en de 'praxis piëtatis'.
Met het oog op de praktijk van alle dag willen we van elk van deze aspecten een korte karakterisering geven, voorzien van enkele overwegingen.
Bijbellezen
De Heere komt tot ons 'in het gewaad van Zijn Woord' (Calvijn). Die visie op de Heilige Schrift stempelt als het goed is, onze houding tegenover en de omgang met dat Woord. Ouders mogen het kind voorgaan in het omgaan met het Woord, in eerbied en verwondering. Daarom ook vraagt het openslaan van de bijbel in het gezin tijd, aandacht, concentratie. Het 'even bijbellezen' als een vorm van afsluiting van de maaltijd steekt schril af tegen deze eigenlijk bedoelde omgang. Hoewel het ten diepste hierbij gaat om het werk van de Heilige Geest, dienen de opvoeders het Woord vanuit de door hen gelezen woorden zo dicht mogelijk bij het kind te brengen. Persoonlijk en gezamenlijk bijbellezen kunnen elkaar afwisselen. In het laatste geval kan de betrokkenheid van het (oudere) kind worden vergroot door het ook zelf in eigen bijbeltje te laten (mee)lezen.
Gesprek
Het gezamenlijk spreken over en vanuit het gehoorde Woord is van groot belang. Het oude Israël kende de typische vorm van het vraaggesprek tussen vader en zoon. Voor ons, nederlanders, raken we hier wellicht een teer punt. In verschillende tijden en streken hebben ouders en kinderen juist met het echte gesprek de grootste moeite gehad. Dat wil zeggen, met die woorden-en gedachtenwisseling waarbij men als het ware elkaar als ouders en kinderen in het hart kijkt. Niet de veelheid van woorden of de spitsvondigheid van redeneringen zijn hierbij belangrijk. Misschien vallen er soms zelfs meer veelzeggende stilten dan woorden...
Belangrijk is in ieder geval de openheid en openhartigheid en het zich samen stellen onder het gezag en de tucht van het Woord. En zou vanuit deze intentie velerlei schroom en verlegenheid niet overwonnen kunnen worden?
Gebed
Bidden kunnen en mogen we voor en met het kind.
Ouders mogen hun kinderen opdragen aan de troon der genade; dagelijks pleitend op Gods beloften en toezeggingen het kinderleven dat hen werd toevertrouwd en hen lief is, in Gods handen leggen. Juist ook dan, wanneer zij het gevoel hebben dat het opvoedingswerk stukwerk is dat hen bij de handen afbreekt. Weten de kinderen echter ook dat dit gebeurt en hóe? Met welke bewogenheid en vrijmoedigheid? Zien ze hun ouders ook in zulk een relatie tot elkaar staan, dat hun gebeden niet verhinderd worden (1 Petr. 3:7)? Maar bidden moet ook in het opgroeien geleerd worden.
Veelal vroeg in de ontwikkeling van het kind kan begonnen worden met het aanleren van z.g. korte 'formuliergebeden'. Hier is - ondermeer om ontwikkelingspsychologische redenen - veel voor te zeggen. Tekst en inhoud van deze standaard-gebedjes mogen echter vooraf wel kritisch worden bezien. Geleidelijk kan er ook ruimte komen voor het 'vrij' leren bidden. Koelman voerde reeds in de 18e eeuw een pleidooi het kind zelfde woorden in de mond te laten nemen. Het zij ons opnieuw ter overweging. 'Want 't is ons geboden in den Geest, en door zijn hulp en ingeving te bidden en wij moeten onze eigenen heilsbegeerten en noden uitstorten en worstelend voorstellen...' Hoe zullen kinderen dit leren waar ouders hen niet voorgaan in het hardop bidden van het 'vrije gebed'?
Lied-en-viering
Is het een vergissing te menen dat het geestelijk lied in de gezinnen (te) weinig wordt gezongen? Thans wellicht minder nog dan vroeger?
Toch is het lied als vorm van overdracht en gezamenlijk beleven en belijden van groot belang.
Wellicht zal het samen zingen door tijd-en plaatsomstandigheden niet altijd eenvoudig te realiseren zijn. Bovendien maakt het ontwend-zijn van het als gezin gezamenlijk het lied aanheffen het de ouders niet gemakkelijk: zij hebben een zekere schroom te overwinnen.
Toch verdient het aanbeveling de moed op te brengen deze voor Israël zo wezenlijke gestalte van gedenken en belijden (b.v. paasmaaltijd) met een zekere vanzelfsprekendheid, zeker met het oog op de viering van de heilsfeiten, in ere te herstellen.
Praxis piëtatis
De 'praktijk der godzaligheid' is al evenzeer een wezenlijk aspect van de godsdienstige opvoeding. Bij het wankelen van oude sociale, kulturele en kerkelijke patronen en zekerheden is de eenheid van leer én leven in de opvoeding belangrijker dan ooit. Het door vertellen en kennen van de geboden Gods vraagt om een antwoorden daarop, metterdaad. Niet alleen het voorleven, maar - als de kinderen ouder worden - ook het samen zoeken te verstaan welke de wil des Heren zij, is van groot belang. Zelfs in de gewone dingenvan-elke-dag zal die omgang met de Heere door hebben te klinken, die er blijk van geeft dat er lust is Hem te vrezen.
Wie is tot deze dingen bekwaam? Onze bekwaamheid, zo schrijft de apostel Paulus en het mag ook in dit verband gelden, is uit God. Hij kan en wil ouders tot een zegen stellen voor hun kinderen in het onderwijzen en doen onderwijzen.
Laat dan gelijk de ogen der knechten zijn op de hand hunner heren en gelijk de ogen der dienstmaagd zijn op de hand harer vrouw, onze ogen zijn op de HEERE, onze God.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 september 1981
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 september 1981
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's