Ambtsdragersontmoeting rondom het Schriftgezag
Ds. C. den Boer en dr. J. Vlaardingerbroek geven hun visie op een aantal principiële vragen rondom de autoriteit van de Bijbel, n.a.v. het rapport 'God met ons: over de aard van het Schriftgezag'.
Woudenberg - Een 140-tal ambtsdragers van Herv.-Geref., en Gereformeerden huize uit de regio Amersfoort was op vrijdag 18 september jl. naar 'Eben-Haëzer' in Woudenberg gekomen, waar ds. C. den Boer (studiesecretaris van de Geref. Bond) en dr. J. Vlaardingerbroek (één der medewerkers aan het Gereformeerde-synodale rapport 'God met ons: over de aard van het Schriftgezag') hun visie gaven op een aantal principiële vragen rondom de autoriteit van de Bijbel.
Ds. P. van der Kraan uit Woudenberg, die de avond opende met het lezen van een gedeelte uit 1 Cor. 13, sprak de wens uit dat de broederlijke liefde tijdens deze bijeenkomst zou mogen domineren en dat er een ontmoeting zou plaatsvinden op basis van Gods Woord.
Ds. Den Boer benadrukte dat het gezag van de Schrift ten diepste verankerd is in het Geest-doorademd-zijn van de Schrift. Het draagvlak van het Schriftgezag ligt hierin, dat de Bijbel Zichzelf aandient als door God ingegeven en dus als betrouwbaar en onfeilbaar. Dat was ook het uitgangspunt van een oud-katholieke traditie, zodat het geschil tussen Rome en de Reformatie ten diepste niet ging om een verschillende visie op de Goddelijke inspirade. Het Geref.-synodale rapport verschilt fundamenteel van deze oud-katholieke en oud-gereformeerde gedachte over de Schrift en wel door haar filosofische inzet over de waarheid (waarheid in relatie). Als je al wilt beginnen met de vraag hoe het gezag van de Schrift doorstraalt in ons hart, dan moet volgens ds. Den Boer niet de filosoof het Woord krijgen over waarheid. In plaats daarvan moet worden bezien wat het Bijbelse woord waarheid zelf wil zeggen, nl. vastheid, betrouwbaarheid, iets dat helemaal bij God vandaan komt en dat voor alle geslachten vaststaat. Waarheid is dus q.q. niet 'waarheid in relatie'. Ze is gelukkig wel gericht op relaties, maar dat is een andere zaak. Wanneer de menselijke relatie zó principieel meedoet in het spreken over Schriftgezag als in het rapport, is de weg geopend naar subjectivisme. Als het rapport bijvoorbeeld spreekt over de 'onhoudbare praktijk t.a.v. de onontbindbaarheid van het huwelijk' moeten we ons afvragen of deze zogenaamde onhoudbare praktijk geen onwettige rol speelt in het licht van de Schrift. Een ander voorbeeld betreft de synodale uitspraken over homofilie, die niet zijn los te denken van het zogenaamde 'nieuwe verstaan van de Schrift', waarbij waarheid altijd is gekoppeld aan relaties en situaties.
Ds. Den Boer onderschreef dat recht moet worden gedaan aan de menselijkheid van de Schrift. Immers hebben de Bijbelschrijvers geïnterpreteerd, toen zij de door hen beschreven geschiedenis van Israël profetisch doorlichtten en toen zij selectief gebruik maakten van tradities. Echter kan deze interpretatie nooit uit het Schriftwoord worden uitgepeld als iets menselijks, daar in het Gereformeerde Schriftgeloof altijd is blijven vaststaan dat voornoemde wijze van Schriftwording heeft plaatsgehad onder de gezaghebbende inspiratie van de Heilige Geest, zodat we wél mogen zeggen dat het Schriftwoord tijdbetrokken is, maar beducht moeten zijn om het tijdgebonden te zien. Er kan dan ook slechts dan sprake zijn van literaire genres als de Schrift er Zelf aanleiding toe geeft. Zo moet van Gen. 1-3 gezegd worden dat ze historische waarheid zijn, zij het met profetische doorlichting. Het is gevaarlijk om te spreken over 'soortelijk gewicht' van de Bijbelverhalen. We moeten de Schrift laten zeggen wat Zijn eigen bedoeling is. Natuurlijk is niet alles hartezaak, maar wanneer moderne theologen het soortelijk gewicht hanteren om bijvoorbeeld vast te stellen dat de maagdelijke geboorte geen hartezaak is, wordt de scopus (bedoeling) van de Schrift Zelf terzijde geschoven. Door het Zelfgetuigenis van de Schrift straalt in ons hart door dat de Schrift het Woord van God is. Wie buiten dit kader om aan historisch-kritisch Bijbelonderzoek doet, vergrijpt zich aan de Schrift en verzandt in grenzeloos subjectivisme. Ds. Den Boer noemde het een ernstig verzuim van het Gereformeerde rapport, dat de zogenaamde winstpunten van het historisch-kritisch Bijbelonderzoek worden genoemd, zonder dat tegelijk wordt vastgesteld met hoeveel vooringenomenheid dit onderzoek de eeuwen door heeft gewerkt. Hieruit blijkt weinig zorg voor het geestelijk welzijn van de gemeente die zich thans van haar vastigheid beroofd voelt. Waarschuwing tegen dwaalleer zou bepaald op zijn plaats zijn geweest. Ds. Den Boer sprak over de artikelen 2 tot 7 van de N.G.B, als de 'confessionele voorwal van de Schrift' - een term van wijlen ds. I. Kievit - en over de noodzaak dat de kerken der Reformatie belijdend spreken over de Schrift in gemeenschap met en conform het Schriftgeloof der vaderen.
Dr. Vlaardingerbroek stelde in zijn betoog allereerst, dat de Bijbel het Woord van God is en dus onfeilbaar en absoluut betrouwbaar. Het is dus geen boek waarin God en mensen samenwerken, zodat in het rapport niet wordt gesproken over de Goddelijke en de menselijke factor. Een dergelijk spreken had namelijk altijd tot gevolg dat er een soort concurrentiepositie tussen God en mens ontstond. Schriftkritiek in die zin, dat bepaalde oudtestamentische gebeurtenissen (zoals het uitroeien door Israël van complete volken, het drijven van een bijl op het water enz.) in het Nieuwe Testament niet meer zouden gebeuren, werd door dr. Vlaardingerbroek afgewezen daar men bij een dusdanige benadering ook geen raad meer weet met bijvoorbeeld de geschiedenis van Ananias en Saffira en met de nieuw-testamentische oordelen. De stelling van ds. Den Boer dat men literaire genres alleen mag hanteren als de Bijbel daartoe aanleiding geeft, werd door dr. Vlaardingerbroek ook als een vorm van Schriftkritiek gekarakteriseerd, daar namelijk alles altijd een literair genre is: alles spreekt zijn eigen taal.
‘Wanneer in de eerste Bijbelhoofdstukken wordt gezegd, dat zon en maan zijn geschapen tot vaste tijden - d.w.z. tot feesttijden - dan wil de auteur dat wij aan de hemellichamen zouden lezen wanneer we het Pascha moeten vieren', aldus dr. Vlaardingerbroek. 'De schrijver is bezig God uit te roepen als Schepper van alle dingen. Je verliest daarmee niets, maar wint ermee dat de God die men op de sabbat ontmoette dezelfde God is die alles heeft geschapen'. Dr. Vlaardingerbroek zette vervolgens Gen. 3 en 2 Sam. 12 naast elkaar. Laatstgenoemd Bijbelgedeelte klinkt als een rechtspraak die Nathan aan David voorlegt. David, die als rechter de wet van God moest hanteren, mocht in die hoedanigheid helemaal niet zeggen dat de door Nathan beschreven man om zo iets onbenulligs de doodstraf verdiende. Waarom deed hij het dan? Enkel vanwege zijn eigen schuldgevoel, ook al probeert hij dat eronder te houden. Nathan heeft dus een verhaal verteld dat ging over David en als Nathan bij David komt velt David zijn eigen vonnis. Het is dus echt gebeurd, maar Nathan vertelt het anders opdat David zijn eigen schuld zou belijden. Zo is het ook met Gen. 3... de mens wint met een dergelijke uitleg, omdat hij er nu niet meer onder vandaan komt dat hij gezondigd heeft. En zo is ook het relationeel waarheidsbegrip in feite niets anders dan spreken over de Bijbel in geloof. Het Woord van God wil een relatie scheppen. De Bijbel spreekt mensen aan en roept de relatie op. Als mensen door die waarheid worden overweldigd, zeggen ze dat het van God is. Maar pas wanneer iemand dat zegt weet hij dat het van God is. God roept de mens op tot antwoord. De verhalen over Jezus in de Bijbel zijn dan ook allemaal betrouwbaar, maar ze worden verteld met de bedoeling dat we ons eraan zullen prijsgeven. Dingen in de Bijbel die niet met elkaar kloppen (zoals de verschillende gegevens die in de Evangeliën over het dochtertje van Jaïrus zijn opgetekend) blijven betrouwbaar. Wie daarvan afwijkt dringt de Bijbel bepaalde maatstaven op die niet terecht zijn. Jezus gaat door de geschiedenis en wat Hij toen gedaan heeft, heeft betekenis voor alle tijden. Dr. Vlaardingerbroek wees in dit verband nog op Joh. 16, waar de Heere zegt dat Hij nog veel meer tegen Zijn discipelen heeft te zeggen, maar dat ze dat nu niet kunnen verwerken. Logisch zou men dan verwachten dat Hij zegt: 'Ik zal het u later vertellen!' Echter worden de woorden die de Heilige Geest de discipelen ingaf als woorden van Jezus opgeschreven. Dit is geen vervalsing, maar verdieping van de geschiedenis.
Aan het einde van zijn referaat wees dr. Vlaardingerbroek erop dat, alhoewel alles altijd een literair genre is, iemand die bijvoorbeeld bij Luc. 10 uitmaakt dat de barmhartige Samaritaan een gelijkenis is toch niet heerst over het Woord van God. Waarom zou dit dan ook niet mogen bij Gen. 3? Dr. Vlaardingerbroek was het oneens met de opmerking van ds. Den Boer over het soortelijk gewicht van de Bijbelverhalen, daar soortelijk gewicht naar de mening van dr. Vlaardingerbroek wil zeggen: Hoe wil een geschiedenis zelf gelezen zijn, hoe wil ze staan in verhouding tot wat gebeurd is? Na de beide inleidingen werden vele vragen op de twee sprekers afgevuurd. Aan dr. Vlaardingerbroek werd gevraagd of onze voorouders de Bijbel altijd verkeerd hebben verstaan nu het rapport spreekt over een nieuw verstaan van de Bijbel. 'Vele dingen die ik gezegd heb zijn helemaal niet nieuw', aldus dr. Vlaardingerbroek. 'Als men beter in de Bijbel thuis was had het rapport niet zo'n opschudding veroorzaakt. Veel kritiek op het rapport komt voort uit onbekendheid met de Bijbel en uit wantrouwen. De Geest van God brengt ook vandaag nog tot het verstaan van wat geschreven staat. Daar het rapport uitgaat van de inspiratie door de Heilige Geest moet daarna volstrekt kalmaan worden gedaan met kritiek. In dit licht plaatste dr. Vlaardingerbroek ook een vraag van één der aanwezigen, nl. wat Paulus bedoeld heeft in 2 Tim. 3 ten aanzien van de wijze waarop we de Bijbel door de loop der eeuwen aannamen.
Op een vraag waar de grens ligt tussen beeldspraak en 'echt gebeurd' merkte dr. Vlaardingerbroek op dat men moet bezien of er in een bepaald verhaal zelf redenen liggen om het op te vatten zoals het geschreven is. In Gen. 3 is het principieel juist je af te vragen wat er precies is bedoeld. 'Mijns inziens is dit een profetisch-historische gelijkenis. Dit is een typisch Bijbelse manier van spreken'. Eén der aanwezigen achtte het onjuist dat de lijn die door Paulus wordt getrokken in Rom. 5 : 12 - waar Paulus terugvalt op Gen. 3 - ter discussie wordt gesteld in de moderne Schriftuitleg, daar de apostel immers zegt dat de zonde in de wereld is gekomen door Adam en dat ze tot allen is doorgedrongen. Ds. Den Boer benadrukte dat met het benoemen van Gen. 1-3 tot gelijkenis 'al zoveel ongelukken zijn gebeurd'. Bultmann is daarvan het sprekende voorbeeld. Als een jood schrijft over de grote daden Gods, zocht hij die in de biologischhistorische werkelijkheid. Het is dus van groot belang dat wat God te zeggen heeft in onze wereld biologisch werkelijk wordt en om dus aan de historiciteit van Gen. 1-3 vast te houden. Ds. Den Boer vroeg aan dr. Vlaardingerbroek of in het relationele waarheidsbegrip niet veel waarde wordt toegekend aan de gelovige. Dr. Vlaardingerbroek vond dit niet het geval. De gelovige blijft z.i. in dienst van de openbaring van God. Hoe meer het menselijke erin zit, des te meer is het het Woord van God.
Op een vraag van ds. Den Boer aan dr. Vlaardingerbroek of er naar diens oordeel ook zwakke plekken in het rapport zijn, antwoordde deze dat dit wel het geval is, maar dat ze nog niet zijn opgemerkt. Ds. Den Boer meende dat er een moment komt, waarop gezegd moet worden dat iets niet langer gereformeerd kan worden genoemd, ook al willen gereformeerden graag tot het uiterste vasthouden dat iets gereformeerd is. Kuitert zegt in 'Anders gezegd' andere, ongereformeerde, dingen. Daarom had naar de mening van ds. Den Boer in het rapport ook gezegd moeten worden dat er gevaren zijn naar die kant.
Dr. Vlaardingerbroek sloot de discussie af met de opmerking dat we pas vanuit het existentieel besef van het zondaar-zijn voor God de Schrift kunnen verstaan. 'Er is geen middel tegen mensen die de Bijbel verkeerd lezen. We moeten niet proberen diegenen het zwijgen op te leggen die wensen te kijken naar wat er geschreven staat'.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1981
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1981
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's