De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Voortgaande openbaring (1) (de leer)

Bekijk het origineel

Voortgaande openbaring (1) (de leer)

De Heilige Schrift

9 minuten leestijd

Toen mij dit onderwerp werd opgegeven stond achter de titel aanvankelijk een vraagteken. Ik ben begonnen met dit door te strepen. Immers, als de openbaring van God in onze tijd niét doorgaat, en als de handelende God Zich in het heden door middel van Zijn Woord niét openbaart, zal alle prediking zonder vrucht blijven, ja is zij zelfs nutteloos geworden. Ook ligt er dan geen belofte van godswege over onze dagelijkse, daadwerkelijke dienst aan de Here. De openbaring van God is dan naar het verleden verwezen.

Toen mij dit onderwerp werd opgegeven stond achter de titel aanvankelijk een vraagteken. Ik ben begonnen met dit door te strepen. Immers, als de openbaring van God in onze tijd niét doorgaat, en als de handelende God Zich in het heden door middel van Zijn Woord niét openbaart, zal alle prediking zonder vrucht blijven, ja is zij zelfs nutteloos geworden. Ook ligt er dan geen belofte van godswege over onze dagelijkse, daadwerkelijke dienst aan de Here. De openbaring van God is dan naar het verleden verwezen.

Vragen en risico's

Door het weglaten van dit vraagteken stellen wij dus, dat de openbaring Gods na de schriftwording voortgaat. Weliswaar is met het wegvallen van de apostelen en hun gezag de schriftopenbaring voldragen en afgerond, maar na pinksteren geschiedt er nochtans openbaring: het openbarend handelen van God gaat juist na het pinksterfeest op een nieuwe wijze voort, nl. op de wijze van de Geest. Na het pinksterfeest keert de kerk zich dan ook niet om naar het verleden, maar wendt zij zich tot de wereld der volkeren, en daarbij komt alles wat haar in de Schrift is geschonken, mee. Door de kerk wordt de Schrift dan present gesteld in prediking, catechese en sacramentsbediening .

Daarbij blijft het echter niet: de Schrift gaat ook in in het denken van de kerk, en daarom ligt zij ten grondslag aan alles wat de kerk uitspreekt op die ogenblikken waarop zij zich gedrongen weet te zeggen wat zij verstaat onder de rechte leer, met name op het front van dwaalleer en ketterij. Eveneens wanneer het gaat om de leefwijze der kerk, om het hoé van het leven van de gemeente in de eigen tijd, gaat de schriftopenbaring het leven van mensen in, doordat zij op overtuigende wijze de grenzen trekt waarbinnen het leven der gemeente zich afspeelt, en iedere leefwijze afsnijdt die ons onder een andere heerschappij brengt dan die van Jezus Christus. Dit na-denken van de Schrift kan de kerk niet laten: zij is immers niet alleen ontvanger, maar ook fijnregelaar, en als zij dit na-denken al achterwege zou willen laten dan is daar de wereld, die er haar toe dwingt: als gezonden kerk is zij immers ook zelf zender.

Juist dit serieus-nemen van de voortgang van de openbaring na pinksteren houdt een opdracht in die ons voor vragen stelt. Hoe moeten wij met de Schrift in het heden omgaan? Kennen wij haar en putten wij uit haar, en putten wij haar ook werkelijk uit? En hoe taxeren wij onze eigen tijd en wat daarin omgaat? Ontmoeten wij daarbij inzichten die wij dienstbaar kunnen maken aan het verstaan van de Schrift, en zo aan de voortgang van de openbaring, of moeten zich juist op grond van de Schrift afgrenzingen voltrekken? Dezelfde vraag geldt onze levensstijl. Kunnen wij soms ook iets leren uit de leefwijze van onze tijd, en kan dit geleerde soms een aanleiding voor ons zijn om onszelf aan de hand van de Schrift te corrigeren, of zijn wij op een punt in de geschiedenis terechtgekomen waarop zich over de hele linie een breuk met de wereld moet voltrekken op het punt van onze stijl van leven, zodat hét kenmerk van het christen zijn zichtbaar anders-zijn wordt? Om deze en soortgelijke vragen gaat het ons.

De noodzaak om deze vragen op ons af te laten komen ligt verankerd in de inhoud van het belijden van de kerk zélf: de kerk is immers nooit in de eerste plaats bewogen om haar zelfbehoud, om de tijden te overleven, maar om de volkeren, en om de schare. Zowel de reformatie als de nareformatie hebben dit van binnen uit sterk geweten, en zich er naar gericht. Men aanvaardde daarom, dat de kerk nooit in een vacuum kerk kon zijn, maar altijd in wisselwerking moest staan met de cultuursituatie van de eigen tijd, en met de belevingswereld en de denkkaders daarvan. Men wist dat aan deze houding risico's verbonden waren, nl. dat van mistasten door het ontwerpen van formuleringen die de voortgang der Schrift belemmeren, of dat van het aanwijzen of inslaan van ongeoorloofde wegen, kortom, van wereldgelijkvormigheid, maar men besefte óók, dat het ontlopen van deze risico's betaald moest worden met een onbijbelse verstarring die de voortgang van de openbaring en van het werk van de Heilige Geest belemmerde en die de Schrift monddood maakte. Wie de Schrift immers niet naar het heden toe-formuleert, en naar het praktische leven toe-vertaalt, verwijst haar naar het verleden, en maakt haar zo mond-dood.

De trouw van de Geest

Wie wil leven en denken uit de voortgang van het Openbaringsgebeuren moet in dubbel opzicht een sterk beroep doen op de leiding van de Heilige Geest.

In de eerste plaats moet hij krachtig bouwen op de trouw van de Geest aan het éénmaal en onherhaalbaar aan ons geschonken Woord. Dit beroep is niet vergeefs, want zowel in de Schrift zelf als in de belijdenis ligt de trouw van de Geest aan het Woord als Schrift verankerd: het 'sola scriptura', het 'door de Schrift alleen' vormt één van de scharnieren van de deur die reformatie heet, de deur waar de kerk doorheen is gegaan toen zij zich loswikkelde van het systeem van overlevering dat de Schrift monddood had gemaakt. Al het bouwen in de eigen tijd dient te geschieden op het éne fundament.

Dit bouwen op de Schrift is altijd een voortbouwen: Voor dit voortgaande bouwen is de Schrift juist bestemd. Dit fundament kan in de Schrift dan ook omschreven worden als dat van apostelen en profeten, dus als de Schrift zelf (Efese 2), maar het kan ook eenvoudigweg samenvallen met de persoon van de Christus (Colossensen 3). Dit 'persoonlijk' karakter van de leer onderstreept hoezeer het de Geest te doen is om voortgang en opbouw in overeenstemming met wat ons in de Schrift is geschonken, om het leven uit de Schrift en uit het in Christus geopenbaarde heil. De leer lééft. Vanuit het weten van deze trouw van de Geest aan Christus en aan het Woord zijn dan ook de artikelen in onze Nederlandse geloofsbelijdenis te verstaan die handelen over de duidelijkheid van de Schrift (art. 5) en haar volkomenheid en onfeilbaarheid (art. 7): wij behoeven geen angst te hebben dat de ontwikkelingen en veranderingen in onze cultuur en in onze kennis de Heilige Geest over het hoofd zullen lopen. De Geest staat er zelf voor in dat wij te allen tijde met de Schrift uit de voeten zullen kunnen. De tijd waarin wij leven kan ons de norm der Schrift nooit ontnemen. De Schrift is er voor bestemd om in de geschiedenis en in iedere geschiedenisperiode, ook de onze, in te gaan, en daarom kan zij daar ook tégen.

De bemiddeling

Is de trouw van de Geest aan de Schrift de ene zijde van de belofte, de andere is die van Zijn trouw aan mensen, aan de kerk. Het werk van de Geest voltrekt zich immers nimmer buiten ons om, maar altijd door ons heen. Na pinksteren gaat de Geest op een soortgelijke wijze te werk als Hij het vóór pinksteren, met name bij de schrift-schrijving, schriftwording en schrift-bundeling deed: het zijn altijd mensen die ingeschakeld worden en tot dienstbaarheid worden gebracht en altijd weer wordt hun activiteit door de Geest opgeroepen en gebruikt. Daarbij worden die mensen, evenals de tijd en de cultuur waarin ze leven en waar ze tevens kinderen van zijn, voluit gerespecteerd. De theologische doordenking schiep hiervoor het begrip accommodatie, of adaptatie, aanpassing, en wilde daarmee tot uitdrukking brengen dat de Geest Zijn werk doet door middel van concrete mensen en het concreet gegevene dat aan die mensen eigen is. Wij vinden dan ook zowel in de situaties die de Schrift ons tekent als in haar uitdrukkingswijzen, haar taal, veel terug van de oosterse (het Oude Testament) en Griekse (het Nieuwe Testament) cultuur, en zelfs van gangbare theologische methoden uit de dagen vóór, tijdens en na Christus. De Geest betrekt dit alles op het éne doel, nl. de godsopenbaring door te zetten en tot gelding te brengen. Daarbij heeft de Geest niets menselijks versmaad.

Niets is daarom zo gevaarlijk als een soort 'aftrekmethode' die poogt om achteraf het 'oneigenlijke' - het menselijke, het cultuurgebondene in de bijbel - buiten werking te stellen ter wille van het 'eigenlijke', de open baring, het levende spreken Gods. De 'aanpassing' is niet omkeerbaar. Wat we wél mogen is, de godsopenbaring in de bijbel navorsen om telkens op het spoor te komen hoezeer de Geest Zich aan de leefwereld heeft aangepast en daarin is ingegaan, dan wel die heeft doorbroken. Nooit mogen wij echter die leefwereld losmaken van de tekst, in de hoop daarna een soort openbaring-sec over te houden. In dit laatste geval zal altijd blijken dat wat wij overhouden een soort los van de concrete werkelijkheid staande waarheid is, die wij in wezen zélf hebben verworven, en dat dan op een heel willekeurige manier, en die bovendien in de lucht is komen te hangen. Met zo'n abstract, d.i. theoretisch, waarheidsbegrip wérkt de bijbel niet. In de bijbel is de waarheid altijd een persoon: Jezus Christus, de Gezondene, Die op Zijn beurt de Geest gezonden heeft.

De verwerking van de Schrift na Pinksteren

Datgene wat in de bijbel gebeurt, geschiedt na pinksteren als het ware nog intenser. De Geest brengt de kerk, brengt mensen, tot dienstbaarheid, en die mensen zijn de mensen van die tijd waarin de Geest Zijn werk wil doen: het heden der geschiedenis, met alles er op en er aan. Om deze in-dienst-neming in de eigen tijd gaat het de Geest. Hier toont de formele zijde van het schriftgezag zijn betekenis: als wij indachtig gemaakt worden aan de Schrift worden wij niet teruggeroepen naar een verleden vóór pinksteren, en zo weggeroepen uit het heden, maar dit indachtig-maken geschiedt juist op het front van de concrete aanvechting, en zo ten overstaan van de wereld.

In de formele zijde van het schriftgezag - de Schrift wil als Schrift gelden, en niet als een opstelsom van door onszelf vastgestelde en gekozen vaststaande 'onderdelen' - ligt niet alleen een waarborg, maar ook een geweldige roeping, nl. die om dat hele Woord Gods, in zijn concreetheid, in het heden van de geschiedenis nu ook te laten gelden, in gehoorzaamheid van leer én van leven. Dat wat vaststaat moet ook voortgaan, en dat gaat nooit buiten mensen om. God werkt middellijk, en als mensen, onder rugdekking van de formele zijde van het schriftgezag, op weg gaan, zullen zij ook de volheid van het schriftgetuigenis ervaren. Zo niet, dan zullen ze het met een 'aftreksel' moeten doen, en daarin Schrift én Geest weerstaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1981

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Voortgaande openbaring (1) (de leer)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1981

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's