De predikant en zijn tijd (1)
Met dit onderwerp bedoelen wij de levensperiode, die de predikant beleeft.
Met dit onderwerp bedoelen wij niet de levenstijd, die een predikant gegund wordt om op de aarde te leven. Deze is uiteraard door God bepaald. Wij bedoelen evenwel nu de levensperiode, die de predikant beleeft. Het historisch tijdperk, waarin het leven van de prediker valt. Deze periode moet de predikant kennen in alle voornaamste uitingen. Hij moet geen vreemdeling zijn in zijn tijd. Onze tijd is een andere dan vroeger. Het levensgevoel is anders. Door grondige historische scholing bereikt de dominee dit en vooral wordt hem het speciale kenmerk van zijn levenstijd en periode eigen, door op de hoogte te blijven van enkele uitgelezen wijsgerige publikaties. Bovenal leren wij onze eigen tijd kennen door met open ogen rond te zien in de wereld. Een rit in de tram, een reis door de provincies met een gewone streekbus, een blik op een marktdag, een wandeling door een stad geeft u een wereld aan mensenkennis. Een groot Frans romanschrijver heeft eens gezegd: het toilet, dat men draagt, geeft de toon van een bepaalde gemeenschap aan. Kleren verraden de levensopvatting van een mens. Zie de grote schrijvers er maar eens op aan: ze besteden veel bladzijden aan de beschrijving van de kleding.
Wanneer wij nu onze levensperiode beschrijven, dan zien wij die gekenmerkt door een drietal hoofdtendenzen. Vooreerst is daar het heidendom. Dat heeft een diepe haat aan de bijbel en de christelijke zeden gezworen. Er heerst een afval van het christelijke leer-en levensbeginsel op grote schaal. En wel op zo grote schaal als de christelijke kerk tevoren ternauwernood heeft gekend. Ook al zijn er nog kerkse, conserverende gemeenschappen, waar de toon en de geest van de tijd niet zo open en bloot doordringt, wij moeten ons niet wiegen in de schone schijn. Het leven is ontkerstend. Het buitenchristelijk levensbesef sijpelt door in het midden der gemeente. Wij vrezen, dat wij niet moeten schrijven: sijpelt, maar stroomt. Er heerst een schrikbarend gebrek aan weloverwogen oordeel. Vervolgens een oeverloze onkunde. En overal: een grote verwarring en vervaging in de allereerste elementen van het christelijk levensbesef. Misschien kunnen wij in dit punt Nietzsche gelijk geven: er heerst gebrek aan een voorname levenstoon. Wij bedoelen dit natuurlijk niet in het oogpunt van wereldse bezittingen. Wij hebben het oog op fijnheid van geest, beschaving, wellevendheid van hart en mond. Ons volk leeft zich uit in een stroom van ordinair levensgenot. Men zie naar de media. De fijne humor ontbreekt, maar de botte platheid van toon viert hoogtij. Men zie de smakeloosheid aan, men hore de vulgaire taal. Het humane levensbesef schrompelt in. Het ene volk is daarin sterker dan het andere; de ene stand ook matelozer dan de andere. In al deze dingen openbaart zich de mens van het heidendom, dat noch God noch meester erkent. De lezer moet zelf eens verder mediteren en hij zal ontdekken hoe diep het leven hierdoor wordt gestempeld.
Daarnaast wijzen wij het sectarisme aan. Deze boze geest sluipt ook binnen in de eigen kring der gemeente. Men vervalt in allerlei rationalistisch geredekavel. Of men bespeurt neigingen tot vergenoeging in de eigen levenskring.
Wij zouden misschien beter kunnen zeggen: een verkneukeling in het eigene. De een zet zich af in een progressiviteit van ongekende omvang, de ander omsluit zich met een muur van conservatisme. Het beleefde bezit van het oerreformatorisch geloof wordt in de weck gezet van allerlei formules, er heerst een versteende orthodoxie. Aan de andere kant heerst een overmaat van redeneergeloof. Het gehele geestelijke leven ademt een toon van vanzelfsprekendheid, waar men bang van wordt. Tegenover de diepe tere vroomheid van een voorgeslacht, is het nageslacht aan het praten geslagen. Het praat maar voort op konferenties, op synoden, op classicale vergaderingen, op kerkeraden; het praat en praat in richtingsbladen, in periodieken - wij hebben wel eens de verzuchting geslaakt: ik wilde dat gedurende één jaar lang de gehele kerkelijke pers absoluut verboden was en men alleen de Bijbel zou mogen lezen en verdere klassieke lectuur. Wat zou het stil zijn in Nederland! Natuurlijk, wij schrijven dit met een glimlach, maar de oorzaak van de huidige polarisatie ook in de eigen sector ligt in de verstening van het geloofsleven.
Al de eenzijdigheden van het hedendaagse sectarisme zijn de vrucht van de theoretische en praktische miskenning van het wezen der zonde. 'Alleen van haar diepere opvatting is de verootmoediging; vernieuwing van het hart te verwachten. Het ontbreekt ons aan ootmoed. Tegenover deze geest past alleen een warm ambtsbesef. Een ootmoedig wandelen met God. Wij moesten de moed hebben ons terug te trekken op het ene nodige. Ons beperken van de rage van het vele tot de tucht van het weinige. Hier doet de binnenkamer weer deugd. Het kan ons wel eens benauwen te bemerken dat de persoonlijke omgang met God verschrompelt tot de preveling van de plichtplegingen. Een schreeuw tot de Heere is ons nodig; opdat Hij ons onthulle aan de glorie van de populariteit, aan het gevierd zijn en ons brenge tot de stilte om met de vinger op het bijbelblad het Woord tot ons te laten spreken. Alle sectarisme is eenzijdigheid. De ene theologie accentueert Christus' profetisch ambt en ze wordt ten koste van de beide andere rationalistisch. De andere theologie concentreert zich op Christus' hogepriesterlijk ambt alleen en ze wordt mystiek. De derde theologie ziet het profeet-en priestetschap voorbij en verzeilt op de klip van chiliastische dromerijen. Wie slechts één of twee dezer ambten, met terzijdestelling van het ander, wil laten gelden, doet aan de rijkdom van het Evangelie tekort en wordt eenzijdig, zo hij zelfs het spoor niet ten enenmale verliest.
Wij zouden er goed aan doen weer eens dat beroemde hoofdstuk te lezen uit dat oude boek van Ulfers, Oostloorn. Daar lopen de twee dominees van het Twentse dorp over de heide en de ene oefent diepe zielzorg aan de andere. Daar zegt hij: eigengerechtigheid is de grootste vijand van het geloven. De vijand van het geloven is: het immorele van het zich braaf voelen. En daar hebben wij de kwaal. De statische man - met de donkere kleren - voelt zich braaf, braaf. Maar ook de dynamische man - met zijn vlotte colbert - voelt zich braaf. Beiden behoeven geen verzoening. Ze leven uit eigen bron. Het zijn beiden Pelagianen. Natuurlijk belijden beiden de zondeleer. Maar, daar hebt u nu de zaak: een pelagiaanse zondeleer leidt onvermijdelijk tot een rationalistische christologie. Om een nevelachtige en misschien wazige alinea ineens te verklaren: de oorzaak der polarisatie ligt in zware èn lichte hoogmoed. Wat zouden wij gediend zijn met een oprechte verbrijzeling voor het aangezicht van God waar al onze hoogheden verschrompelen tot onnozel stof.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1981
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1981
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's