Kuyper over de vrijzinnigheid Een fata morgana (1.)
Kuypers rede is volop betrokken in de kerkelijke strijd van onze dagen.
Een actuele rede
Ettelijke keren komt men in de hedendaagse discussies over de ontwikkelingen binnen de Gereformeerde Kerken tegen, een herinnering aan een rede die eens door Abraham Kuyper is gehouden over het thema van de vrijzinnigheid.
De rede die wij hier bedoelen, dateert van 1871, is dus al meer dan een eeuw oud en draagt als titel: Het modernisme, een fata morgana op christelijk gebied. Zij verscheen bij H. de Hoogh te Amsterdam.
Vanwege de forse taal die Kuyper in deze rede gesproken heeft aan het adres van de in die tijd nog zeer levenskrachtige vrijzinnigheid in de Hervormde Kerk, waartoe toen ook Kuyper zelf nog behoorde, is zij, zoals wel te begrijpen valt, nogal eens een keer te hulp geroepen door verontruste Gereformeerden in onze tijd die, naar zij meenden, stonden, maar dan in eigen kerk, tegenover dezelfde verschijnselen als die waartegen Kuyper zich verzette.
Met andere woorden: deze oude rede is volop betrokken in de kerkelijke strijd van onze dagen.
Nu zijn het echter niet alleen maar de 'verontrusten' in de Gereformeerde Kerken die de rede van Kuyper opnieuw voor het voetlicht hebben gebracht. In de Dogmatische Studiën van Berkouwer zal men een vermelding ervan ook zo nu en dan kunnen tegenkomen. Een buitendien, in allerlei artikelen van andere (kerkelijk) Gereformeerde scribenten komt deze rede eveneens ter sprake. De zaak is dus belangrijk genoeg om eens nader bekeken te worden.
Een fata morgana
Naar wij vermoeden zullen slechts weinige lezers deze rede in hun bezit hebben en daarom zullen wij beginnen met een weergave van haar inhoud. Daar tussen door en aan het eind veroorloven wij ons een paar opmerkingen die verband houden met deze rede én de kerkelijke situatie van vandaag.
Kuyper was een taalvirtuoos en een meester in het vinden van beelden en vergelijkingen. Dat blijkt ook hier. Het modernisme noemt hij een fata morgana. En heel zijn rede is opgebouwd rondom dit beeld.
Wat dient men te verstaan onder een fata morgana? Het beeld slaat op een verschijnsel in de natuur dat door sommigen weleens is waargenomen, waarin zich iets geweldig moois aan hen vertoonde, terwijl het in werkelijkheid niets was. Men was voor een ogenblik verrukt bij het aanschouwen van al dat schone, maar als het verschijnsel geweken was, dan vond men er geen enkel spoor van terug, dan bleek dat louter gezichtsbedrog te zijn geweest. En zo is het nu ook, zegt Kuyper, met het Modernisme.
Kuyper en het Modernisme
Vóór wij beluisteren hoe hij dit verder uitgewerkt heeft, eerst iets over Kuypers persoonlijke verhouding tot het Modernisme.
Het was in 1855, toen hij nog maar 17 jaar oud was, dat Kuyper te Leiden op de Universiteit kwam. In 1861 legde hij er candidaats-examen theologie af; in september 1862 promoveerde hij. Promotor was Jan Hendrik Scholten, een van de 'vaders' van het Modernisme (vrijzinnigheid) in ons land. Kuyper hoorde te Leiden niet alleen Scholten, maar ook Rauwenhoff, eveneens een vrijzinnig theoloog, minstens zo radikaal in zijn opvattingen als Scholten.
Toen Rauwenhoff eens op een college de lichamelijke opstanding van Jezus Christus loochende, applaudiseerden de studenten, en tot die studenten behoorde ook de jonge Kuyper. Zo ging dat toen in Leiden! In zijn later leven heeft Kuyper dat diep betreurd.
Duidelijk is dat Kuyper de vrijzinnigheid ofwel het Modernisme niet alleen kende uit de literatuur, maar ook door persoonlijke ontmoetingen met de voormannen ervan. Leiden vooral was een bolwerk van Modernisme in die dagen, meer dan Utrecht waar alleen Opzoomer, maar dan in de faculteit der wijsbegeerte, het Modernisme vertegenwoordigde. Reeds in zijn eerste gemeente, Beesd, kwam Kuyper tot ander inzicht. Hij leerde het gereformeerde geloofsleven kennen en koos daarvoor. In 1867 vertrok hij naar Utrecht, en hij had toen al de naam van een rechtzinnig predikant. Augustus 1870 deed hij intrede als predikant in 's lands hoofdstad, Amsterdam. Daar wachtte hem veel kerkelijke strijd. Zijn rede over het Modernisme is dus gehouden in zijn Amsterdamse periode. Ongeveer een jaar na zijn intrede aldaar.
Hoogetepunt van het Modernisme
Het Modernisme stond nog op haar hoogtepunt. K.H. Roessingh, die, zelf modern, de geschiedenis van het Modernisme in Nederland beschreven heeft, zegt dat haar bloeitijd ligt in de jaren 1850-1870. In de loop der zeventiger jaren kwamen de interne spanningen en raakte het élan zoek.
Aan Kuyper moet de eer worden gegeven, dat hij het is geweest die krachtig tegenspel heeft geboden aan deze in onze kerk opkomende beweging. De geschiedenis, óók van de Hervormde Kerk zou er, naar de mens gesproken, heel anders hebben uitgezien, als er niet een Kuyper was geweest, een man met uitzonderlijke gaven en bezield met een grote ijver voor het calvinisme. De waardering voor deze arbeid van Kuyper is, naar ons gevoelen, teveel onder ons verloren gegaan.
Ook zijn rede, die wij hier bespreken, getuigt van zijn kracht en bekwaamheid. Op allerlei punten, als dat van het gezag van de Schrift wist Kuyper van geen wijken.
Zijn rede heeft Kuyper ingedeeld in drie delen. In het eerste deel beschrijft hij het boeiende in het Modernisme, in het tweede deel het wetmatige van het Modernisme en in het derde deel het onwerkelijke ervan.
Iets boeiends
Ongetwijfeld, aldus Kuyper, zit er in het Modernisme iets boeiends. Vóór het Modernisme in Nederland haar intrede deed, was het hier maar een lauwe boel. Het Modernisme kwam met een ideaal, het bracht leven in de brouwerij. Het optreden van de eerste modernen had iets eerbiedwekkends. Zij hadden alles over voor hun overtuiging. Hun optreden was mannelijk en rond Hollands. Zij braken met het 'geur-en saploos Christendom' van die dagen. En daar komt nog bij, dat zij een leerstelsel hadden dat er wel wezen mocht. In dat stelsel zat samenhang, organisch verband, en beginsel. Er werd weer gesproken over een voorbeschikking Gods en over een onvrije wil en over 's mensen diepste afhankelijkheid van Gods souvereine genade. En dat waren klanken die men ontwend was en die men in Nederland maar weinig meer hoorde. Ziehier wat Kuyper ten gunste van het Modernisme heeft willen zeggen. Het was boeiend, levend, oefende zelfs op gereformeerden, die de slappe kost van voorheen beu waren, aantrekkingskracht uit.
Men zal, dat is alvast één opmerking die wij ons veroorloven, wel moeten bedenken dat Kuyper hier eigenlijk alleen maar één richting binnen het Modernisme heeft beschreven, te weten die van zijn leermeester (en promotor) J. H. Scholten. Al moet daar wel aan worden toegevoegd, dat in die eerste tientallen jaren het systeem van Scholten sterk domineerde onder de modernen.Toch, mannen als Opzoomer en Allard Pierson, die andere wegen gingen dan Scholten, waren ook niet te verwaarlozen.
J. H. Scholten
Scholten was van gereformeerde afkomst. Maar hij gaf zich onder invloed van het nieuwere Duitse theologische denken over aan het Modernisme en werd er zelfs in ons land dé vertegenwoordiger van.
In het kort komt zijn stelsel hier op neer. Er is behalve déze wereld die wij zien en tasten, niet nog een andere, hogere werkelijkheid. Men kan niet spreken van het bovennatuurlijke. Dus; geen wonderen! Geen opstanding van Christus en ook niet een wederopstanding des vleses voor de gelovigen. Geen maagdelijke geboorte van Jezus Christus.
Is er dan geen God, die boven deze wereld staat? Scholten spreekt niet graag over Hem in persoonlijke termen. God is meer een Hét dan een Hij. Hij noemt God Geest of Idee. In ieder geval: God staat niet boven de werkelijkheid maar is erin. God valt bij Scholten zo goed als samen met het wetmatige in de natuur. In de natuur zijn wetten, natuurwetten, en die geschieden onontkoombaar, daar kunnen wij niets aan veranderen. Scholten stond enerzijds onder invloed van de Duitse filosoof Hegel en anderzijds onder invloed van de moderne natuurwetenschap, die alles in de natuur meende te kunnen herleiden tot het proces der natuurwetten.
Maar al deze filosofische ideeën kleedde Scholten in in de termen van de oude gereformeerde dogmatiek. En zo kon hij dan spreken over Gods souvereiniteit, over Gods voorbeschikking en over een onvrije wil en 's mensen afhankelijkheid van God.
Men moest als kerkganger van goede huize zijn om, zittend onder het gehoor van Scholten of van een van zijn leerlingen, op te merken dat hier, ondanks het goed-gereformeerde taalgebruik, iets heel anders verkondigd werd dan hetgeen b.v. in de gereformeerde belijdenissen is te vinden.
Kuyper heeft dat natuurlijk goed geweten. Hij heeft Scholtens systeem wel doorzien. Maar hij heeft erkend dat er in dit systeem de schijn der gereformeerdheid was, en dat de predikanten die in de geest van Schoiten preekten, daardoor het goed-gereformeerde volk, voor een ogenblik, konden boeien. Ik zeg: voor een ogenblik - want de aap kwam natuurlijk toch wel na enige tijd uit de mouw.
In ieder geval, het Modernisme heeft iets boeiends gehad. Daardoor was het des te gevaarlijker.
Een ware 'Fata morgana'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1981
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1981
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's