Voortgaande Openbaring (2)
De Heilige Schrift
Ter wille van de voortgang van de openbaring moeten wij niet alleen een beroep doen op de trouw van de Geest aan de Schrift, maar ook op die van de Geest (...)
Spiritualiteit
Daarom moeten wij ter wille van de voortgang van de openbaring niet alleen een beroep doen op de trouw van de Geest aan de Schrift, maar ook op die van de Geest aan mensen die met dit Woord bezig zijn, en dan met name op die aan de kerk. Het Woord is niet alleen een richtsnoer waarnaar gemeten moet worden, maar ook een bron waaruit de mens, in iedere tijd weer opnieuw, putten moet, in wisselwerking met de tijd waarin wij leven.
Wanneer de kerk hiervan geen weet gehad zou hebben, zouden wij nu geen belijdenisgeschriften bezitten. Daarin heeft zij immers, op wisselende fronten, vastgesteld wat zij vanuit de Schrift in het hier en nu diende te zeggen. De moed om dit te doen ontleende zij aan de trouw van de Geest aan Woord én kerk. De kerk beleed daarmee inhoudelijk dat het wezenlijk was voor de openbaring om voort te gaan, en dat dit op geen enkele wijze een verloochening inhield van de vastheid of volheid die met de Schrift gegeven zijn. Het tegengestelde bleek juist het geval: naar de mate waarin men voortging bleek het, hoé vast en hoé vol de Schrift is. Dat de Schrift vast en vol is, was al met het schriftgetuigenis gegeven, maar het hoé kon alleen op wég ontdekt worden, daar waar dit getuigenis tot klinken gebracht werd. Indachtig gemaakt, begeerde de kerk in het heden te staan, en met het oog gericht op de toekomst. Men besefte dat men onmogelijk de weg der openbaringsgeschiedenis rugwaarts kon aflopen, tot achter Pinksteren of nog verder terug, en daarom evenmin die der kerkgeschiedenis - net zo min als een mens het met zijn eigen leven kan.
Wie het serieus neemt dat de openbaring Gods ook in het heden voortgaat, ziet zich zo gesteld voor een roeping die twee zijden heeft: in-dacht en aan-dacht.
In-dacht: wij hebben ons het gehele Woord in al zijn rijkdom te binnen te brengen, beseffend, dat wij op weg wel eens iets uit dat Woord verloren zouden kunnen hebben, of iets verwaarloosd wat juist voor het heden van nut is, of dat wij iets uit het Woord niet begrepen zouden kunnen hebben dat juist in het heden verstaan wil worden en in praktijk gebracht.
Aan-dacht: wij worden geroepen de wereld en wat haar beweegt, en dan met name de schuld en de nood van de medemens daarin, op ons aan te laten komen, om deze te proeven, te beproeven, en om in de weg van biddend overdenken middel te mogen zijn van het werk van de Geest, opdat de openbaring Gods voortga en wij er in opwassen, in kennis, gehoorzaamheid en dienstbetoon.
Vooral in dit laatste schuilt nu een stuk spiritualiteit, een stukje ten diepste oncontroleerbare 'bevinding' van de mens die weet in deze wereld voor het aangezicht Gods te staan. Hoe versta ik mijn tijd en wat daarin omgaat? Voor het antwoord op die vraag moeten wij niet alleen onze tijd kennen, maar ook toetsen en wégen, inclusief de processen die zich daarin voordoen en de geesten die zich daarin sterk maken, opdat wij het rechte woord spreken op de rechte tijd, en zo, dat wij het Woord zélf recht snijden. Langs deze weg voltrekt zich dan het werk van de Geest Die ook mét het Woord werkt, er mee samenwerkt in de geschiedenis door er mensen bij te betrekken, datgene wat onze vaderen wel eens de 'bijkomende werking' van de Heilige Geest hebben genoemd. De Geest opent immers onze ogen voor onszelf opdat wij onszelf zouden herkennen in wat we van nature zijn: wereld. Dat gaat niet alleen naar de diepte toe, maar ook naar de breedte.
De repetitie van de Schrift
De repetitie van de Schrift Het is bekend dat onze vaderen de rechtmatigheid van het bestaan van belijdenisgeschriften altijd hebben onderstreept door de stelling dat zij repetitie, herhaling, van de Schrift waren. Daarachter school een diep serieus nemen van de ook door ons bepleite voortgang van de openbaring na Pinksteren, en deze aanvaarding van belijdenisgeschriften werd op geen enkele wijze in strijd geacht met het 'sola scriptura' van de reformatie. De belijdenisgeschriften bloeiden immers op uit het geven van rekenschap aan de wereld aangaande de hoop waardoor de kerk gedragen werd. Op zulke ogenblikken ontdekte de kerk de rijkdom van het Woord het diepst, en bakende zij de weg voor dat Woord af.
Tot deze repetitie van de Schrift is de kerk geroepen totdat de komst des Heren aanbreekt. Nooit mag daarom het 'sola scriptura' van de reformatie tot een al te gemakkelijk hanteerbare strijdkreet, tot een motto worden, tot een alibi om ons af te wenden van de wereld. Niet, dat het repeteren van wat verworven werd bij voorbaat in verdachtheid zou staan, maar wél moeten wij er ons altijd van bewust zijn waaróm en op welk front wij bezig zijn het inhoudelijk belijden opnieuw present te stellen, en bereid zijn daarvan rekenschap af te leggen. Laten we goed bedenken dat wanneer wij hetzelfde menen te moeten zeggen als onze vaderen, wij tevens moeten aantonen dat wij dit doen omdat het front waaróp de vaderen dit zeiden is teruggekeerd. Als twee hetzelfde zeggen - de vaderen én wij - betekent dit nog niet dat die twee ook hetzelfde bedoelen. Repetitie - herhalen - is niet hetzelfde als repristinatie - klakkeloosheid - .
Met art. 2 van onze geloofsbelijdenis pleiten wij daarom voor een groot invoelingsvermogen voor natuur en geschiedenis, vooral voor die van de mensen, met op de achtergrond de waarschuwing van Calvijn, dat, wanneer wij geen oog hebben voor de behoeften van de eigen tijd en cultuur, de kennis van God zal verschrompelen.
De rechte repetitie is daarom uitsluitend vruchtbaar binnen de wisselwerking tussen het leven uit de Schrift enerzijds en het eigentijdse leven zoals het op ons afkomt anderzijds. Zij vraagt om de wijsheidskunde die wij 'theologie' noemen, en in bepaalde zin is ieder wijs christen daarom een van God geleerd theoloog. Alleen op deze wijze kan de leer worden verder gedragen, en kan de openbaring voortgaan.
Het verdergaan van de leer
Als de openbaring voortgaat betekent dit ook dat de léér voortgaat: de openbaring bestaat immers mede uit leer, heeft een geducht leergehalte.
Hier dreigt het gevaar dat wij de leer al te eenzijdig gaan zien als iets wat ons van godswege medegedeeld is. Iets dergelijks was bijv. het wetboek dat na de ballingschap door koning Josia werd teruggevonden: het gaf regels voor de godsdienstige praktijk; het was aller eerst op naleving bij de eredienst uit, met zo zeer op persoonlijke bekering en geloof. Als wij de bijbel tot iets dergelijks beperken dreigt de - gesloten - canon een soort uitstalkast, een étalage, te worden, waar wij dan zelf vóór gaan staan - in de weg, in plaats van óp de weg.
Wij hebben in de bijbel wel met informatie te maken, maar nooit met neutrale informatie, nooit met leer-sec., met een mededeling aangaande een stand van zaken die na Pasen en Pinksteren is opgetreden, en daarom voor ons geen betekenis zou hebben tenzij wij, vanwege onze bekering, ons er voor zouden gaan interesseren. Integendeel, het is juist de proclamatie in de prediking, het appèl dat daarvan uitgaat, dat onze bekering werkt. Langs die weg wil daarom het Woord, wil de leer, verder worden gedragen. In de bekendmaking worden wij via mensen door de levende God persoonlijk benaderd. Het is dan ook opvallend hoe iedere belijdenis altijd weer zijn wortels heeft gehad in het veilig-stellen van de rechte prediking. Tussen prediking en belijdenis is een voortdurende wisselwerking, en deze moet o. i. ook blijven, ter wille van beide. Wij menen dan ook te staan in de lijn van de reformatie wanneer wij het voortgaan van de leer na Pinksteren, van wat af is, van de Schrift, vooral bepleiten als een steeds helderder worden van de schriftopenbaring. Dit helderder worden kan dan concreet inhouden dat er vanwege ons meer weten over de bijbel en onze vermeerderde ervaring met de bijbel kennisvermeerdering plaatsvindt, zodat er kennisinhouden worden toegevoegd zoals ook onze belijdenisgeschriften in de loop der tijd meer zijn geworden. Toch ligt hierin o.i. de kracht van de leer bij de voortgang der openbaring niet: deze is eerder te zoeken in de herijking van het inhoudelijk gevulde belijden, van het opnieuw richten van de belijdenis op de concrete werkelijkheid, omdat de gevallen wereld zich telkens op nieuwe wijze aan de kerk voordoet, en de Icerk zal hebben uit te zeggen wat zij vanuit de barmhartigheid Gods ten overstaan van die wereld belijdt, rekenschap gevend van de hoop die in haar is. Ook hier zijn gebed en wijsheidkunde de eerst noodzakelijke dingen. Het is de allermoeilijkste opdracht voor de kerk om voort te gaan met de waarheid te zeggen. Wel staat haar spreken onder de belofte van Christus Die met ons wil zijn tot aan het einde der wereld, maar tevens blijkt het dat, naar de mate waarin wij dieper afdalen naar de kern van het leven toe, naar datgene wat achter de verschijnselen schuilgaat, naar de bodem van het mensenhart en van het hart van de wereld toe, de waarheid des te meer door ons mensen verdraaid wordt en ten onder gehouden. Hoe neutraler dingen zijn, des te gemakkelijker is het er de waarheid ovgr te spreken. Inzake constateerbare feiten willen we nog wel eens graag eerlijk zijn. Inzake onze diepste motieven schakelen wij echter spontaan de halve waarheid, de onwaarheid, en daarmee de schijnargumenten in, ontleend aan gemakzucht en eigenbelang. Het is een nooit geheel onder controle te brengen afweermechanisme, dat met ons zondaarzijn gegeven is. Wij kunnen het bevestigd vinden in de wereld rondom ons en in onze, eigen levenspraktijk - omdat ook wij uit onszelf wereld zijn.
De waarheid Gods nu - de leer - wil tot onze wérkelijkheid worden, wil bevonden worden, en daartoe ontmaskert zij alle schijn-werkelijkheid, het on-werkelijke dat wij zien en de on-werkelijkheid die wij buiten God om zijn - de wereld die wij gemaakt hebben én die wij zelf zijn. Hoe dieper het gaat, hoe moeilijker de waarheid het heeft, vanwege onze onwaarachtigheid , maar hoe breder de waarheid Gods ook present gesteld kan worden in deze wereld, omdat deze wereld ónze wereld, mensenwereld, is. Het spreken van de waarheid zou een onmogelijke opgave zijn, ware het niet dat het slot van psalm 139 - de bede om doorgronding - gelezen mag worden vanuit de verwondering aan het begin van deze psalm; God is het die de waarheid over ons weet, en die aan ons openbaart.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1981
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1981
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's