De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Allen op hun trouw beproefd

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Allen op hun trouw beproefd

11 minuten leestijd

Een 'wettisch omgaan met de kerkelijke belijdenis', ziehier wat Hasselaar (en hij niet alleen) de Bond verwijt.

Trouw beproeft allen

Zoals de lezers reeds eerder vernomen hebben heeft de redactie van In de Waagschaal het de Gereformeerde Bond waardig gekeurd bijna een heel nummer van haar blad te wijden aan het bestaan van de Bond; dit naar aanleiding van het 75 jarig bestaan van de Bond, en het toen door ons uitgegeven gedenkboek Beproefde Trouw.

Ik zeg; bijna een heel nummer. De eerste pagina's zijn nl. gewijd aan de Sermoenen van Duifhuis. Met veel sympathie en instemming worden de preken van deze 'voorloper' der Remonstranten in ons land besproken. En daarachter dan een bespreking van Beproefde Trouw - met lang niet zoveel sympathie. Dat tekent de geesten!

Maar goed, wij zullen het dit keer niet hebben over Duifhuis, en over wat de Gereformeerden in ons land al van het begin af aan tégen hem gehad hebben. Het gaat ons hier om het stuk dat geschreven is door prof. dr. J. M. Hasselaar. Hij schrijft er boven 'Trouw beproeft allen'. Hij wil daarmee zeggen: De Bond is het niet alleen die trouw is. De trouw is van dien aard dat zij ons allen beproeft. Ik geef dit toe, neem de handschoen op en zet dan ook boven dit artikel; allen op hun trouw beproefd.

Ik dacht dat het al sinds lang bekend is, omdat het al zo vaak gezegd is, dat de 'bonders' er waarlijk niet van uitgaan dat zij alleen in de Hervormde Kerk de 'trouwen' of 'getrouwen' zijn. Wij stellen onszelf niet tot norm, dat is juist iets wat wij bestrijden, ook naar binnen, in eigen kring; wij menen dat ons gegeven is een norm die buiten ons ligt, en dat is Schrift en Belijdenis, beide in hun onderscheidenheid en saamhorigheid. Maar daarover straks.

Allereerst iets over de toon van het artikel van Hasselaar. Het begin is van dien aard dat men geneigd is hem het oor te geven. Het gaat hem er niet om, zegt hij, de verdeeldheid in het licht te stellen, evenmin de onderlinge verstandhouding te verzuren, of onwetend de 'zielegronden in het leven van Gods kinderen te schenden'. Ik neem aan - vanzelfsprekend - dat Hasselaar dit oprecht bedoeld heeft, maar voeg er aan toe, dat hij in de verwezenlijking maar heel slecht geslaagd is. Naarmate zijn artikel vordert, neemt de bitterheid toe.

De kandidaten

Het spreekt voor zichzelf dat Hasselaar, als kerkelijk hoogleraar (te Utrecht) ook met studenten van gereformeerde bondshuize 'op de studeerkamer', zoals hij zelf zegt, gesprekken voert. Zij moeten nu eenmaal ook bij hem hun tentamens afleggen. Welnu, uit deze 'school' meent hij enige dingen te mogen verklappen. Hij heeft bij hen 'bevangenheid' geconstateerd. Het theologisch en geestelijke tegen de tralies van een kooi opvliegen. De beklemming; de angst voor vertrouwensverlies, enz. Ik maak hierbij een paar opmerkingen. Allereerst een vraag: Is het voor een kerkelijke hoogleraar fair om hetgeen, naar, Hasselaar zelf zegt, in een vertrouwelijke en openhartige sfeer door studenten gezegd is, in de openbaarheid te brengen, en dan nog wel met de sterk generaliserende opmerking: ik heb als kerkelijk hoogleraar op de studeerkamer genoeg openhartige gesprekken gevoerd met studenten...? Ik kan me goed voorstellen dat de studenten die Hasselaar hier op het oog heeft zich met zulk een uitspraak wat genomen voelen. Vervolgens, is de verhouding waarin een student staat tot zijn hoogleraar, en dan mogelijk bij een tentamen, niet van dien aard dat een hoogleraar wel dubbele voorzichtigheid in acht moet nemen als hij, buiten de leerstof om, gaat informeren naar de wijze waarop de student staat in de kerk en naar zijn toekomstige plaats daarin? Kan in zo'n situatie een student wel werkelijk 'openhartig' spreken? De leermeester kan iets suggereren waar de student, vanwege de situatie, niet negatief op durft te reageren, en dan voelt de leermeester zich in het gelijk gesteld. Hasselaar staat zelf dermate ver van de Gereformeerde Bond af dat hij niet 'onbevangen' er over vragen kan. Als het gaat over bevangenheid, die kon er bij Hasselaar zelf wel eens minstens zoveel zijn als bij de studenten die hij ondervraagt. En dan, een enkele keer sprak ik ook zelf een student die bij Hasselaar tentamen deed en dan hoorde ik andere geluiden, nl. van een principieel verschil van inzicht, dat de student - uiteraard zeer voorzichtig - Hasselaar kenbaar maakte; ik zeg: zeer voorzichtig - want men staat als student tegenover de meester.

Ik ben geneigd te zeggen: dat geestelijk en theologisch tegen de tralies van een kooi opvliegen - dat zal er wel eens zijn, maar aanzienlijk minder dan Hasselaar suggereert.

Waarbij ik dan tenslotte ook nog opmerk dat 'kritiek' bij studenten vaak meer een uiting is van een geestelijke worsteling waarin zij op dat moment verkeren dan van dien aard dat wij in een soort beklag ze als gekooide vogels zouden moeten zien. Wie hen verstaat in hun geestelijke worsteling ziet die kritiek als een fase, en zij is ook gewoonlijk een fase. Of gaat Hasselaar er soms van uit dat zij allen als arme gefrustreerde vogels en met een onoprecht hart, nl. terwille van de boterham, een 'bondsnest' invliegen. Ik had van hem als kerkelijk hoogleraar iets meer wijsheid verwacht!

De vaders

Hasselaar wil ons in zijn stuk, zo meen ik, andere vaders aanpraten. Barth, Miskotte en Noordmans. Dat hij vecht voor deze vaders, daar kan ik inkomen, maar dat hij blijkbaar zo 'bevangen' is, dat hij maar niet begrijpen kan dat er in de kerk ook nog mensen zijn, die op deze vaders niet gesteld zijn, omdat zij andere - en naar hun oordeel bétere - vaders hebben, vind ik een veeg teken. De strijd tussen de Gereformeerde Bonders en de anderen (voor een deel) is, ik geef het toe, voor een deel een strijd over de vaders.

Al vanouds voelen de mensen van de Gereformeerde Bond zich thuis bij Calvijn, de andere hervormers, de mannen van Dordt en ettelijke figuren uit de tijd van de Nadere Reformatie. Bij die vaders vinden zij zoveel geestelijk en theologisch voedsel, dat zij Barth, Miskotte en Noordmans weleens inkijken en zo nu en dan (grondig) bestuderen, maar gewoonlijk toch niet als een vader accepteren. Zo was het met Visscher, Severijn, Kievit en anderen. Het zal - Hasselaar ten spijt - niet licht gebeuren dat daarin een wezenlijke verandering komt. Van vader veranderen, dat gaat niet zo gemakkelijk.

Dat gebeurt in elk geval niet op gezag. Ook niet op het gezag van Hasselaar. Met machtsspreuken tracht hij in zijn artikel alle Bonders te bezweren om toch Barth, Miskotte en Noordmans te aanvaarden.

En dan gaat het, in die machtsspreuken, er zeer autoritair aan toe, in de trant van: 'Het moet nu maar eens uit zijn!' Het moet nu maar eens uit zijn met het negeren van deze drie theologen.

Ik gun het Hasselaar om boos te worden, ondanks zijn mooie woorden aan het begin, maar voeg er toch aan toe: het zal niet helpen.

Wij mogen dan, volgens Hasselaar, als hoofdbestuur, onze jongens (studenten) in het oor fluisteren dat zij zich aan de 'bondsregels' moeten houden, ik herinner mij niet dat door ons ooit gewerkt is met machtsspreuken als: Het moet nu maar eens uit zijn met... In dat opzicht overtreft Hasselaar het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond in ieder geval.

Ter zake, wij vragen Hasselaar: 'Laat ons onze vaders houden!' Over Barth kan gepraat, gediscussieerd worden. Wij zijn in ieder geval omtrent hem niet zó onkundig dat wij niet zouden weten dat hij op wezenlijke punten ver afwijkt van de belijdenis der kerk, en, naar onze vaste overtuiging, van de Heilige Schrift. Over Noordmans zullen wij genuanceerd oordelen. Was wat Severijn over hem schreef nu zó ver bezijden de waarheid? Kwam hij dan niet uit de ethische hoek? Zat hij dan niet bij Kerkopbouw (niet: Kerkherstel)? Waarom dat alles van de tafel geveegd? Wij lezen Noordmans nu eens met instemming en dan met afkeuring - mag dat? En wat Miskotte betreft, die zou volgens Hasselaar (en andere scribenten van In de Waagschaal) zo bevindelijk zijn. Maar - hoe vreemd het ook klinkt dat zegt ons niets. Dat zegt juist de Gereformeerde Bonders niets, omdat die ook ten aanzien van de bevinding stellen dat zij genormeerd moet zijn. Wij vallen niet zomaar voor het woord 'bevinding'. Als iemand in de Hervormde kerk meent dat hij, als hij maar het woord 'bevinding' noemt, de Gereformeerde Bonders wel hebben zal, dan vergist hij zich. Er is allerlei bevinding waar wij niets om geven. Petrus Hofstede de Groot heeft het in zijn boek De Groninger Godgeleerden in hunne eigenaardigheid (1855) ook over de bevinding, en laat nadrukkelijk uitkomen dat de Groninger theologie zeer bevindelijk van aard is. Maar dat heeft noch de Cock en de zijnen, noch de gereformeerden die in de Hervormde Kerk achterbleven, ook maar een ogenblik ertoe verleid om voor deze 'nieuwe theologie' te zwichten, want zij wisten heel goed dat déze bevinding ten koste ging van al wat zij beleden aangaande Christus en de verzoening en de toepassing van het heil. En nu stellen wij Miskotte niet op één lijn met Hofstede de Groot, maar ik verzeker Hasselaar, dat het eenvoudige gereformeerde kerkvolk (een term waar Hasselaar bij steigert) van de bevinding van Miskotte hoogstens ten dele wat hebben moet, het is een andere bevinding dan die van hen, die wij - hoe bescheiden ook - ónze vaders noemen.

Belijdenis en belijden

Een 'wettisch omgaan met de kerkelijke belijdenis', ziehier wat Hasselaar (en hij niet alleen) de Bond verwijt. Het zou volgens hem niet gezegd mogen zijn in Beproefde Trouw, dat er in de na-oorlogse jaren van een handhaven van de belijdenis niets is terechtgekomen. Severijn zou niet hebben mogen spreken van 'een steeds opnieuw belijdende kerk met een vlottende belijdenis'. Visscher, Severijn, Kievit en allen die hen volgen in de Bond zijn bij Hasselaar de kwade pieren in de kerk. Tussen haakjes zet hij nog wèl ergens de woorden 'elkaar niet loslaten', maar ieder voelt wel aan: hij was ze liever kwijt.

Eigenlijk worstelt Hasselaar in heel zijn artikel met slechts één gegeven: de Bond moet ophouden de Bond te zijn. De Bonders moeten van vaders veranderen, zij moeten hun oude standpunt prijsgeven, en anders in elk geval voor hen geen goed woord. Een echt gesprek mis ik in zijn artikel. Het standpunt van de Bond wordt alleen maar als kwalijk in het licht gesteld, en daar houdt alles mee op. Het moet mij van het hart.

De problematiek: belijdenis en belijden is al tientallen jaren oud. Daarover is door Bonders al veel geschreven. Al was het alleen maar door Kievit sr. in het Gereformeerd Weekblad. Als Hasselaar ooit nog eens aan bronnenstudie toekomt op dit terrein, dan mag ik hem daar misschien op wijzen.

Het is, laten wij het herhalen, een misvatting om te zeggen dat wij 'wettisch' met de belijdenis omgaan. Wie dat zegt getuigt van zijn onkunde. Die is misschien zo bevangen in de bevinding van Miskotte dat hij geen antenne heeft voor dat leven des geloofs dat in de belijdenis der kerk haar levenselement heeft. Maar dit levenselement, deze bevinding, is ons dan ook wel zoveel waard, dat wij gelijk zijn aan een slang; als men haar op de staart trapt, keert zij zich om om zich te verweren. Dan ijveren wij voor het behoud en het recht van de belijdenis in de kerk. En noem dat dan maar wettisch. In de belijdenis der kerk is voor ons vervat datgene wat God in zijn Woord heeft geopenbaard en door de kerk is opgevangen in het geloof en in woorden vertolkt heeft. Daarom is er geen spanning tussen Schrift en belijdenis. Die spanning wordt van buitenaf, o.a. door Hasselaar, ingedragen. Als de belijdenis de Schrift boven alles stelt, dan beamen wij dat niet alleen, maar dan spreekt zij uit wat ons gelóóf is, maar dat komt bij ons niet in mindering op het gezag van de belijdenis zelf.

Het bedroeft ons dat er zovelen in de kerk zijn, die hier buiten staan; anders kan ik het niet zeggen. En dan kan men schimpen: jullie hébben de waarheid, jullie maken je schuldig aan kerkelijke zelfheiliging, jullie zijn rooms - toe maar! Weet men dan niet - ik vraag het maar - dat men ook in al zulke verwijten zich schuldig kan maken aan zelfheiliging? Is leven uit de rechtvaardiging van de goddeloze soms alleen maar het hekelen van de gebreken in de Bond? Ootmoedig belijden wij dat die gebreken er zijn. In Beproefde Trouw is daarover niet gezwegen. Wij roemen ook niet in onze trouw. Maar één ding weten wij: die trouw moet er wel zijn. Waar zij ontbrak voelen wij ons schuldig, en wij zien haar als een opdracht. Wij roepen Hasselaar en de zijnen ook op om trouw te zijn. En dan niet op een eigentijdse (filosofisch bepaalde) wijze wat te spelen met het woord 'waarheid', maar eens heel bescheiden te luisteren naar wat Schrift en Belijdenis (ja, in combinatie) ons te zeggen hebben, en daarnaar geloof en leven, ook kerkelijk leven en bevinding, te reguleren. In ieder geval: Dat is de diepste intentie van de Bond.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 oktober 1981

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Allen op hun trouw beproefd

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 oktober 1981

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's